ECLI:NL:RVS:2026:6077

ECLI:NL:RVS:2026:6077

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 202501499/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Tussenuitspraak bestuurlijke lus

Samenvatting

Bij besluit van 19 december 2024 heeft de raad van de gemeente Haarlemmermeer het bestemmingsplan "Hoofddorp woongebieden en Buitenkaag" vastgesteld. Het bestemmingsplan gaat onder meer over het gebied Boseilanden en is grotendeels conserverend van aard. De [locatie] ligt in het plangebied Boseilanden. Ten opzichte van het vorige ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zwaanshoek Noord en Boseilanden 2e herziening" leidt het bestemmingsplan er onder meer toe dat een groter gedeelte van de [locatie] de bestemming "Tuin" heeft en een kleiner deel de bestemming "Wonen". [appellant] woont aan de [locatie] en vreest onder meer voor een beperking van de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van haar perceel.

Uitspraak

202501499/1/R1.

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend in Zwaanshoek, gemeente Haarlemmermeer,

appellant,

en

de raad van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoofddorp woongebieden en Buitenkaag" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.C.H. Overwater, en de raad, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman en C.M.M. Blankestijn-van Haeringen, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 14 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het bestemmingsplan gaat onder meer over het gebied Boseilanden en is grotendeels conserverend van aard. De [locatie] ligt in het plangebied Boseilanden. Ten opzichte van het vorige ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zwaanshoek Noord en Boseilanden 2e herziening" leidt het bestemmingsplan er onder meer toe dat een groter gedeelte van de [locatie] de bestemming "Tuin" heeft en een kleiner deel de bestemming "Wonen".

[appellant] woont aan de [locatie] en vreest onder meer voor een beperking van de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van haar perceel.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Inspraak

4. [appellant] betoogt dat de procedure voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onzorgvuldig is verlopen. Daarover voert zij aan dat zij onvoldoende is betrokken bij het proces voor het indienen van een zienswijze, omdat zij geen melding heeft ontvangen over de voorbereiding van het bestemmingsplan.

4.1. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.8 van de Wro is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpplan is overeenkomstig deze procedure ter inzage gelegd. Hierover konden zienswijzen naar voren worden gebracht. Deze zienswijzen heeft de raad betrokken in zijn afweging, zoals blijkt uit het vaststellingsbesluit en de daarbij behorende nota van zienswijzen. Andere vormen van inspraak maken geen deel uit van deze voorbereidingsprocedure. De raad was volgens de Inspraakverordening gemeente Haarlemmermeer 2019 ook niet verplicht om meer inspraakmogelijkheden te bieden dan het op grond van afdeling 3.4 van de Awb is verplicht. Voor zover [appellant] betoogt dat zij als belanghebbende persoonlijk op de hoogte gebracht had moeten worden van de terinzagelegging van het ontwerpplan, overweegt de Afdeling dat er is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de kennisgeving van de terinzagelegging. In de Wro of in een ander wettelijk voorschrift valt geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan de raad in een geval als deze verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerpplan.

Het betoog slaagt niet.

Wegbestemming legale bestaande bouwwerken en legaal bestaand gebruik

5. [appellant] betoogt dat de legale bestaande erfafscheidingen van het perceel en het legale bestaande gebruik van de noordwestzijde als parkeerplaats in het plan ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd.

5.1. De [locatie] is een rechte weg. Ter hoogte van het perceel splitst de weg zich af in de vorm van een hoefijzer en sluit tientallen meters verder weer aan. Langs de afsplitsing, die ook de [locatie] heet, liggen enkele percelen die samen een kleine woonwijk vormen. De [locatie] ligt aan het begin van die woonwijk. De zuidwestzijde van het perceel ligt parallel aan het afgesplitste gedeelte van de [locatie] en de noordwestzijde aan het hoofdgedeelte van de [locatie]. Daartussen ligt nog een sloot. Het perceel is vanaf het hoofdgedeelte van de [locatie] bereikbaar door een oprit over de sloot. Het perceel is vierkant en heeft een noordwest-, zuidwest-, zuidoost- en noordoostzijde. Op het perceel staat een vrijstaande woning. Het perceel heeft voor de gehele noordwest- en zuidwestzijde en voor een klein gedeelte van de zuidoost- en noordoostzijde de bestemming "Tuin". De overige gedeelten van de zuidoost- en noordoostzijde hebben de bestemming "Wonen". Daaraan is ook de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - erfafscheiding 2" toegekend.

5.2. Artikel 18 van de planregels gaat over de bestemming "Tuin". Artikel 18.1 luidt:

"De voor "Tuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. tuinen;

b. een ontsluiting op de openbare weg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’;

met daarbij behorend(e):

c. terreinverhardingen;

d. bouwwerken."

Artikel 18.2.2 luidt, voor zover relevant:

"Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend toegestaan voor zover de in artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) genoemde situaties, zoals opgenomen in de bij deze regels behorende bijlage, dit toelaten;

[…]."

Artikel 21 gaat over de bestemming "Wonen". Artikel 21.2.2 luidt, voor zover relevant:

"Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn uitsluitend toegestaan voor zover de in artikel 2 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zoals opgenomen in de bij deze regels behorende bijlage genoemde situaties, dit toelaten;

[…]

c. in afwijking van het bepaalde onder 21.2.2 sub a, is ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - erfafscheiding 2" een erfafscheiding van niet meer dan 2,20 meter toegestaan, onder voorwaarde dat de erfafscheiding een groen karakter heeft en, indien de erfafscheiding grenst aan openbaar gebied, de erfafscheiding integraal onderdeel uitmaakt van het woningontwerp;

[…]

5.3. Artikel 2 van bijlage II van het Bor luidt, voor zover relevant:

"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

[…]

12. een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 1 m, of

b. niet hoger dan 2 m, en

1o. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,

2o. achter de voorgevelrooilijn, en

3o. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

[…]."

5.4. Het beroep gaat over de erfafscheidingen aan de zuidwest- zuidoost- en noordoostzijde van het perceel en over het gebruik van de noordwestzijde als parkeerplaats. Hierna bespreekt de Afdeling eerst of de erfafscheidingen en het gebruik van de noordwestzijde als parkeerplaats zijn wegbestemd, waarna de Afdeling zal beoordelen of deze onder het overgangsrecht zijn gebracht.

Erfafscheidingen wegbestemd?

5.5. De erfafscheiding aan de zuidwestzijde bestaat uit een laag en een hoog gedeelte. Overeenkomstig artikel 18.2.2, aanhef en onder a, van de planregels geldt dat een erfafscheiding alleen is toegestaan als deze valt onder de categorie genoemd in artikel 2, aanhef en onder 12, van bijlage II van het Bor. Vaststaat dat het hoge gedeelte van de erfafscheiding aan de zuidwestzijde hoger is dan 1m, maar niet hoger dan 2m. Tussen partijen is niet in geschil dat het hoge gedeelte voldoet aan sub 1 en 3 van artikel 2, aanhef en onder 12, onder b, van bijlage II van het Bor. De raad heeft zich op de zitting echter op het standpunt gesteld dat omdat de zuidwestzijde is bestemd als "Tuin", het perceel twee voorgevelrooilijnen heeft. Volgens de raad staat het hoge gedeelte van de erfafscheiding voor de voorgevelrooilijn die parallel loopt aan de zuidwestzijde van het perceel. Daardoor is deze niet toegestaan volgens sub 2 van artikel 2, aanhef en onder 12, onder b, van bijlage II van het Bor en onder het bouwovergangsrecht gebracht.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt de ligging van de voorgevelrooilijn bepaald door het bestemmingsplan. Indien op grond van het bestemmingsplan niet kan worden vastgesteld waar de voorgevelrooilijn ligt, is de feitelijke situatie doorslaggevend voor het antwoord op de vraag welke zijde van de woning als voorgevel moet worden aangemerkt. Zie de uitspraak van de Afdeling van, 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0724, onder 4. In dit geval is op de verbeelding van het bestemmingsplan geen voorgevelrooilijn aangeduid en geven de planregels geen informatie over de ligging van voorgevelrooilijnen. Dat betekent dat aan de hand van de feitelijke situatie moet worden beoordeeld waar er voorgevelrooilijnen zijn gelegen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen heeft het perceel van [appellant], gelet op de feitelijke situatie, geen tweede voorgevelrooilijn en loopt de enige voorgevelrooilijn parallel aan de noordwestzijde. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4216, onder 5.3. Dat de zuidwestzijde van het perceel is bestemd als "Tuin" doet daar volgens de Afdeling niet aan af omdat, zoals hiervoor overwogen, de feitelijke situatie doorslaggevend is. Dit betekent dat het hoge gedeelte van de erfafscheiding valt onder de categorie genoemd in artikel 2, aanhef en onder 12, van bijlage II van het Bor en dus is toegestaan volgens artikel 18.2.2 aanhef en onder a, van de planregels.

Het lage gedeelte van de erfafscheiding aan de zuidwestzijde staat voor de voorgevelrooilijn van het perceel, maar is hoger dan 1m. Daarmee valt het lage gedeelte niet onder de categorie genoemd in artikel 2, aanhef en onder 12, onder a, van bijlage II van het Bor en is deze dus niet toegestaan volgens artikel 18.2.2 aanhef en onder a, van de planregels. Op de zitting is vastgesteld dat [appellant] een omgevingsvergunning heeft waarmee voor de voorgevelrooilijn een erfafscheiding met een hoogte van 1,32m is toegestaan. De Afdeling stelt vast dat het lage gedeelte van de erfafscheiding hiermee in overeenstemming is, maar dat de raad de erfafscheiding desondanks niet als zodanig heeft bestemd.

5.6. De zuidoostzijde van het perceel is voor het ene gedeelte bestemd als "Tuin" en voor het andere als "Wonen". Overeenkomstig artikel 18.2.2 en artikel 21.2.2 van de planregels zijn erfafscheidingen op gronden met de bestemming "Tuin" en "Wonen" in beginsel alleen toegestaan als deze vallen onder de categorie genoemd in artikel 2 van bijlage II van het Bor. Zoals de Afdeling hiervoor onder 5.4 heeft overwogen, onder verwijzing naar haar uitspraak van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4216, onder 5.3, heeft het perceel van [appellant] één voorgevelrooilijn. De Afdeling stelt vast dat de erfafscheiding aan de zuidoostzijde achter de voorgevelrooilijn staat en ook voor het overige onder de categorie valt die is genoemd in artikel 2, aanhef en onder 12, onder b, van bijlage II van het Bor en dus is toegestaan volgens artikel 18.2.2 aanhef en onder a en artikel 21.2.2, aanhef en onder a, van de planregels.

5.7. De erfafscheiding aan de noordoostzijde bestaat uit een laag en een hoog gedeelte. Verder is de noordoostzijde voor het gedeelte voor de voorgevelrooilijn bestemd als "Tuin" en voor het overige als "Wonen". Aan het gedeelte dat is bestemd als "Wonen" is ook de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - erfafscheiding 2" toegekend.

Op de zitting is verder vastgesteld dat het hoge gedeelte van de erfafscheiding voldoet aan artikel 21.2.2, aanhef en onder c, van de planregels en dus als zodanig is bestemd.

Het lage gedeelte van de erfafscheiding aan de noordoostzijde staat voor de voorgevelrooilijn van het perceel en is hoger dan 1m. Daarmee valt het lage gedeelte niet onder de categorie genoemd in artikel 2, aanhef en onder 12, onder a, van bijlage II van het Bor en is deze dus niet toegestaan volgens artikel 18.2.2 aanhef en onder a, van de planregels. Zoals de Afdeling hiervoor onder 5.4 heeft overwogen, heeft [appellant] een omgevingsvergunning waarmee voor de voorgevelrooilijn een erfafscheiding met een hoogte van 1,32m is toegestaan. De Afdeling stelt vast dat het lage gedeelte van de erfafscheiding aan de noordoostzijde hiermee in overeenstemming is, maar dat de raad de erfafscheiding desondanks niet als zodanig heeft bestemd.

Parkeren wegbestemd?

5.8. In het vorige bestemmingsplan was het feitelijk bestaande gebruik van de gronden met de bestemming "Tuin" als parkeerplaats toegestaan. In dat plan was namelijk in de planregels in de bestemmingsomschrijving van de bestemming "Tuin" met zoveel woorden opgenomen dat de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd zijn voor parkeerplaatsen. De Afdeling stelt vast dat dit nu niet meer het geval is. In artikel 18.1 zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden alleen bestemd voor tuinen, met daarbij behorende terreinverhardingen en bouwwerken en dus niet voor parkeerplaatsen.

Tussenconclusie

5.9. Het hoge gedeelte van de erfafscheiding aan de zuidwestzijde en de erfafscheiding aan de zuidoostzijde vallen onder de categorie genoemd in artikel 2, aanhef en onder 12, van bijlage II van het Bor en zijn dus toegestaan volgens artikel 18.2.2, aanhef en onder a, en artikel 21.2.2, aanhef en onder a, van de planregels. Het hoge gedeelte van de erfafscheiding aan de noordoostzijde voldoet aan artikel 21.2.2, aanhef en onder c en is daarmee als zodanig bestemd.

De legale bestaande lage gedeelten van de erfafscheidingen aan de zuidwest- en noordoostzijde en het legale bestaande gebruik voor parkeren zijn volgens de planregels niet toegestaan.

Overgangsrecht

5.10. In beginsel moet legaal bestaande bebouwing en gebruik als zodanig in het bestemmingsplan worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale bouwwerk en gebruik onder het overgangsrecht worden gebracht als de raad aannemelijk maakt dat het bouwwerk en het gebruik op termijn zullen worden verwijderd en beëindigd. Met het overgangsrecht wordt namelijk beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen.

5.11. Op de zitting heeft de raad gesteld niet te hebben beoogd om de legale bestaande lage gedeelten van de erfafscheidingen aan de zuidwest- en noordoostzijde en het legale bestaande gebruik van de noordwestzijde als parkeerplaats weg te bestemmen. De raad heeft dus iets anders geregeld dan hij heeft beoogd te regelen. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

Beperking van de bouwmogelijkheden en toekomstige bouwplannen

6. [appellant] betoogt dat in het bestemmingsplan de bouwmogelijkheden op het perceel zijn beperkt. Verder betoogt zij dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de toekomstige bouwplannen die zij heeft voor haar perceel. Zij vindt dat de raad daarmee in strijd handelt met het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel.

6.1. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat [appellant] geen blijvende aanspraak kan ontlenen aan bouwmogelijkheden die het vorige bestemmingsplan toestond op het perceel. De Afdeling stelt vast dat de bouwmogelijkheden op het perceel zijn verminderd. Onder 4.2 van de plantoelichting heeft de raad toegelicht dat het in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet gewenst is dat gronden naast een woning bebouwd kunnen worden, met name wanneer de zijtuin grenst aan openbaar gebied. Die gronden zijn bestemd als "Tuin". In wat [appellant] heeft betoogd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten dat de raad deze planregeling uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet heeft kunnen vaststellen. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houden met een particulier initiatief voor een ruimtelijke ontwikkeling als dat initiatief voldoende concreet is, tijdig aan hem kenbaar is gemaakt en de raad op het moment van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan beoordelen. De Afdeling stelt vast dat [appellant] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij ten tijde van de vaststelling van het plan concrete bouwplannen voor het perceel had, nog daargelaten dat deze kenbaar waren voor de raad. Wat [appellant] in beroep naar voren brengt, geeft geen grond voor het oordeel dat de raad gehouden was het initiatief van [appellant] inhoudelijk te betrekken bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt niet.

Waardevermindering

7. [appellant] vreest voor waardevermindering van haar perceel als gevolg van het bestemmingsplan.

7.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel van [appellant] betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. [appellant] kan voor de mogelijk negatieve financiële gevolgen die zij ondervindt van het besluit een verzoek om planschade indienen. Voor een eventuele tegemoetkoming in planschade bestaat een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8. Gelet op wat onder 5.11 is overwogen, is het beroep gegrond.

Bestuurlijke lus

9. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak een gewijzigd besluit te nemen en daarin alsnog de legale bestaande lage gedeelten van de erfafscheidingen aan de zuidwest- en noordoostzijde van de [locatie] en het legale bestaande gebruik van de noordwestzijde van de [locatie] voor parkeren als zodanig te bestemmen.

10. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd besluit niet opnieuw te worden toegepast.

11. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Haarlemmermeer op om binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 9 de daar omschreven gebreken te herstellen en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. dr. L.A. van Heusden, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Heusden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. dr. L.A. van Heusden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand