ECLI:NL:RVS:2026:6078

ECLI:NL:RVS:2026:6078

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 202401589/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 23 september 2021 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd aan [appellante] een compensatie toe te kennen voor de jaren 2005 tot en met 2011. [appellante] heeft verzocht om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag. Bij het besluit van 23 september 2021 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd aan [appellante] voor de jaren 2005 tot en met 2011 een compensatie toe te kennen, waarbij de Dienst het advies van de Commissie van Wijzen van 8 september 2021 heeft overgenomen. Volgens de Dienst Toeslagen zijn de herstelregelingen voor het jaar 2005 niet van toepassing en is voor de jaren 2006 tot en met 2011 geen sprake van institutioneel vooringenomen handelen. Voor de jaren 2006, 2007, 2009 en 2011 is het voorschot kinderopvangtoeslag meermaals herzien naar aanleiding van wijzigingen die [appellante] zelf heeft doorgegeven. De kinderopvangtoeslag is vervolgens definitief vastgesteld aan de hand van de stukken die [appellante] heeft verstrekt, informatie van de kinderopvanginstellingen en het toetsingsinkomen.

Uitspraak

202401589/1/A2.

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2024 in zaak nr. 23/4318 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Dienst Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2021 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd aan [appellante] een compensatie toe te kennen voor de jaren 2005 tot en met 2011.

Bij besluit van 6 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juni 2023 vernietigd, de Dienst Toeslagen opgedragen om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen over de compensatie voor het jaar 2006 en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand gelaten.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 15 mei 2024 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van [appellante] wat betreft het jaar 2006 gegrond verklaard en aan [appellante] voor dat jaar een compensatie toegekend van € 20.239,00.

[appellante] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 15 mei 2024.

De Dienst Toeslagen heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 maart 2025, waar [appellante] via een videoverbinding is verschenen, in de zittingszaal bijgestaan door mr. E.B. van Noordenne en mr. J.R.R. Oevering, beiden advocaat in Amsterdam. Verder zijn namens de Dienst Toeslagen [gemachtigde A] en [gemachtigde B] verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de Dienst Toeslagen in de gelegenheid te stellen een nieuw besluit te nemen en om nadere inlichtingen van de Dienst Toeslagen te verkrijgen.

Bij besluit van 25 maart 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van [appellante] wat betreft het jaar 2006 gegrond verklaard, aan [appellante] voor dat jaar een compensatie toegekend van € 25.647,00 en voor de jaren 2012 tot en met 2025 een aanvullende compensatie van € 8.877,00 toegekend.

[appellante] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 25 maart 2025.

De Dienst Toeslagen heeft inlichtingen verschaft.

[appellante] en de Dienst Toeslagen hebben een nader stuk ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Afdeling een nadere zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de Dienst Toeslagen wordt hierna ook verstaan: diens rechtsvoorganger de Belastingdienst/Toeslagen.

Inleiding

2. [appellante] heeft verzocht om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag. Bij het besluit van 23 september 2021 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd aan [appellante] voor de jaren 2005 tot en met 2011 een compensatie toe te kennen, waarbij de Dienst het advies van de Commissie van Wijzen van 8 september 2021 heeft overgenomen. Volgens de Dienst Toeslagen zijn de herstelregelingen voor het jaar 2005 niet van toepassing en is voor de jaren 2006 tot en met 2011 geen sprake van institutioneel vooringenomen handelen. Voor de jaren 2006, 2007, 2009 en 2011 is het voorschot kinderopvangtoeslag meermaals herzien naar aanleiding van wijzigingen die [appellante] zelf heeft doorgegeven. De kinderopvangtoeslag is vervolgens definitief vastgesteld aan de hand van de stukken die [appellante] heeft verstrekt, informatie van de kinderopvanginstellingen en het toetsingsinkomen. Voor het jaar 2008 is het voorschot herzien vanwege de stopzetting van de kinderopvangtoeslag door [appellante] voor de opvang van een deel van haar kinderen en een wijziging van het toetsingsinkomen naar boven. Naar aanleiding van een tegen het besluit tot herziening gemaakt bezwaar is het voorschot wederom herzien op basis van een doorgegeven verlaging van het toetsingsinkomen. De kinderopvangtoeslag is vervolgens in overeenstemming met de door [appellante] overgelegde jaaropgave definitief vastgesteld.

3. Bij het besluit van 6 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie, het door [appellante] tegen het besluit van 31 mei 2021 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De Dienst Toeslagen heeft in dat besluit vermeld dat [appellante] in maart 2006 de wijziging heeft doorgegeven dat zij per 1 april van dat jaar voor de opvang van haar kinderen gebruik maakte van een andere kinderopvanginstelling. Naar aanleiding van de doorgegeven wijziging is het voorschot kinderopvangtoeslag pas in augustus 2006 herzien. In de tussentijd konden geen voorschotten worden uitbetaald, omdat het aantal opgegeven opvanguren boven de grens van de Hoge Toeslag, Hoog risico-signalering (HOTHOR) viel. De periode waarin uitbetaling van voorschotten is uitgebleven, is niet zodanig lang dat institutioneel vooringenomen is gehandeld, aldus de Dienst Toeslagen.

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 6 juni 2023, voor zover daarin is neergelegd dat in het jaar 2006 geen sprake was van institutionele vooringenomenheid, onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Wat betreft de jaren 2005 en 2007 tot en met 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] voor deze jaren niet in aanmerking komt voor compensatie, omdat geen sprake is van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het systeem.

Hoger beroep

Ingetrokken hogerberoepsgrond

5. [appellante] heeft ter zitting de beroepsgrond over de proceskostenvergoeding in bezwaar ingetrokken.

Compensatie

6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij wat betreft de jaren 2005 en 2007 tot en met 2011 niet in aanmerking komt voor compensatie. Zij voert daartoe aan dat de vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen in 2006 heeft doorgewerkt in latere jaren. Zij is sindsdien in een trechter van verschillende controles en onderzoeken terechtgekomen. In oktober 2008 is zij opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). Er waren in 2008 en 2009 opeenvolgende onderzoeken naar een vermeend huwelijk en er zijn in 2009 informatieverzoeken gedaan. Dit vertraagde de toekenning van kinderopvangtoeslag. Zij heeft ook meermaals met de Dienst Toeslagen gebeld, waarbij zij vaak in de wacht werd gezet. [appellante] voert daarnaast aan dat de Dienst Toeslagen bij de toepassing van HOTHOR indirect onderscheid op grond van ras heeft gemaakt. Zij verwijst hierbij naar het rapport ‘Vooronderzoek naar de vermeende discriminerende effecten van de werkwijzen van de Belastingdienst/Toeslagen’ van het College voor de Rechten van de Mens van 15 september 2022 (het rapport).

6.1. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) kent de Dienst Toeslagen een compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden doordat bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3 (herdruk), blz. 70-71) is een niet-limitatieve opsomming van kenmerken genoemd die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van institutionele vooringenomenheid.

6.2. In 2006 is HOTHOR toegepast, na een in maart van dat jaar door [appellante] doorgegeven wijziging. Met het gebruik van HOTHOR als toezichtmiddel heeft de Dienst Toeslagen op zichzelf geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt. De Afdeling verwijst voor dit oordeel naar de uitspraak van vandaag (ECLI:NL:RVS:2026:5955). [appellante] heeft niet gesteld dat er bij de handmatige controle die op de geautomatiseerde uitworp door HOTHOR is gevolgd, onderscheid op grond van ras is gemaakt dat voor haar tot nadeel heeft geleid. De Dienst Toeslagen heeft bij de toepassing van HOTHOR in dit geval dus geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt.

6.3. Ook in hetgeen [appellante] voor het overige naar voren heeft gebracht is geen grond gelegen voor het oordeel dat zij door de toepassing van HOTHOR in de jaren 2007 tot en met 2011 vooringenomen is behandeld als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht. De Afdeling overweegt dat de Dienst Toeslagen zich in de nadere besluitvorming ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op het standpunt heeft gesteld dat hij in 2006 vooringenomen heeft gehandeld, doordat de betaling van voorschotten kinderopvangtoeslag van maart tot augustus van dat jaar als gevolg van de toepassing van HOTHOR is uitgebleven. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de wijze van toepassing van dit HOTHOR-toezicht in 2006 heeft doorgewerkt in latere jaren. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderzoeken naar een vermeend huwelijk in 2008 en 2009 en de informatieverzoeken in 2009 niet hebben geleid tot vertraagde uitbetaling van voorschotten of een lagere toekenning van kinderopvangtoeslag. [appellante] heeft verder niet toegelicht hoe deze onderzoeken effect hebben gehad op de afhandeling van de vaststelling van haar recht op toeslag. Dat [appellante] vanaf oktober 2008 is geregistreerd in de FSV is daarnaast op zichzelf onvoldoende om vooringenomen handelen bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag aan te nemen. Van hardheid bij de uitvoering van het wettelijk systeem is gelet op het voorgaande evenmin gebleken.

6.4. Het betoog faalt.

Overschrijding redelijke termijn

7. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft toegekend.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188), is voor de berechting van een zaak in eerste aanleg in beginsel een termijn van twee jaar redelijk. In deze termijn is de bezwaarfase inbegrepen. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar tegen het besluit van 23 september 2021 ontvangen op 1 november 2021. Vanaf deze datum tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank zijn twee jaar en ruim drie maanden verstreken. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging of verkorting van deze termijn. Daarmee is ten tijde van de rechtbankuitspraak de termijn met ruim drie maanden verstreken. [appellante] heeft bij de rechtbank niet over de duur van de procedure geklaagd. In beginsel is een rechtbank dan niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank heeft in dit geval ook niet ambtshalve hoeven beoordelen of de redelijke termijn was overschreden. Daartoe is van belang dat op het moment van de zitting op 11 januari 2024 de procedure al langer dan twee jaar had geduurd en de redelijke termijn dus al was overschreden, zodat [appellante] om een vergoeding had kunnen verzoeken. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn om van dit uitgangspunt af te wijken.

Het betoog faalt.

7.2. [appellante] heeft in hoger beroep wel een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Dienst Toeslagen op 1 november 2021, is de redelijke termijn in deze procedure dus met meer dan elf maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Dienst Toeslagen en aan de Afdeling worden toegerekend.

7.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.000,00.

Conclusie hoger beroep

8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Nadere besluiten

9. Bij het besluit van 15 mei 2024 heeft de Dienst Toeslagen, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, voor het jaar 2006 een compensatie van € 20.239,00 toegekend. Het besluit van 15 mei 2024 is daarna vervangen door het besluit van 25 maart 2025. [appellante] heeft geen belang meer bij het beroep tegen het besluit van 15 mei 2024. De Afdeling zal dat beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.

10. Bij het besluit van 25 maart 2025 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] voor het jaar 2006 een compensatie toegekend van € 25.647,00 en voor de jaren 2012 tot en met 2015 een aanvullende compensatie van € 8.877,00 toegekend. [appellante] heeft in reactie op het besluit van 25 maart 2025 te kennen gegeven zich in de nieuwe berekening van de compensatie voor het jaar 2006 te kunnen vinden. In zoverre heeft zij daartegen dus geen gronden gericht. De grond die [appellante] tegen het besluit van 25 maart 2025 heeft aangevoerd over het LIC-overzicht voor het jaar 2007 had zij ook tegen het besluit van 6 juni 2023 kunnen aanvoeren. Dit betoog wordt daarom buiten beschouwing gelaten. Voor zover de Dienst Toeslagen bij het besluit van 25 maart 2025 een aanvullende compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2015 heeft toegekend, overweegt de Afdeling dat dit berust op een andere grondslag dan de grondslag van het besluit van 6 juni 2013, dat betrekking had op de compensatie voor de jaren 2005 tot en met 2011. Deze jaren vallen dus buiten de omvang van het onderhavige geding. Er is, gelet op het voorgaande, geen beroep van rechtswege tegen het besluit van 25 maart 2025 ontstaan waarop nog dient te worden beslist.

Proceskosten

11. De Dienst Toeslagen moet de proceskosten voor de behandeling van het hoger beroep vergoeden. De Dienst Toeslagen en de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten ieder de helft van de proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding vergoeden. De Afdeling zal bij die berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 15 mei 2024 niet-ontvankelijk;

III. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

IV. veroordeelt de Dienst Toeslagen om aan [appellante] een schadevergoeding van € 590,91 te betalen;

V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellante] een schadevergoeding van € 409,09 te betalen;

VI. veroordeelt de Dienst Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. veroordeelt de Dienst Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. M.M. Kaajan en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Willems

voorzitter

w.g. Komduur

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

809

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.M. Willems

Griffier

  • mr. H.A. Komduur

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand