ECLI:NL:RVS:2026:6080

ECLI:NL:RVS:2026:6080

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 202601518/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 18 december 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 10 december 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 en de daarop gebaseerde uitvoeringsregeling van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komen. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een stuk karton, dat op 10 december 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] het stuk karton verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam- en adresgegevens op het stuk karton staan. [appellant] betoogt dat hij het stuk karton niet heeft achtergelaten op de wijze waarop het is aangetroffen.

Uitspraak

202601518/1/R4.

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend in Den Haag,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2025 heeft het college zijn beslissing om op 10 december 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 en de daarop gebaseerde uitvoeringsregeling van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 20 april 2026 heeft het college het door het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een stuk karton, dat op 10 december 2025 is aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] het stuk karton verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam- en adresgegevens op het stuk karton staan.

2. [appellant] betoogt dat hij het stuk karton niet heeft achtergelaten op de wijze waarop het is aangetroffen. Hij stelt dat de situatie onvoldoende zorgvuldig is beoordeeld. Volgens [appellant] biedt hij zijn afval altijd overeenkomstig de geldende regels aan. Hij voert aan dat het voor hem onbegrijpelijk is dat hij verantwoordelijk wordt gehouden voor het afval dat op straat is aangetroffen, mede omdat het regelmatig voorkomt dat afvalcontainers door zwervers worden opengemaakt, waardoor de inhoud op straat terechtkomt. Daarop heeft [appellant] naar eigen zeggen geen invloed.

Verder wijst hij erop dat het enkele feit dat zijn naam- en adresgegevens op het stuk karton zijn aangetroffen, niet betekent dat hij degene is geweest die het stuk karton verkeerd heeft aangeboden. Volgens [appellant] zijn er meerdere plausibele scenario’s waarin correct aangeboden afval alsnog buiten zijn toedoen op straat terecht kan komen.

3. Artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 houdt in dat het de gebruiker van een perceel voor wie een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden is huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel, de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.

4. Een toezichthouder heeft op 10 december 2025 een stuk karton aangetroffen naast de ondergrondse afvalcontainer. Volgens vaste rechtspraak mag in zo’n geval worden aangenomen dat degene tot wie het afval is te herleiden, dit afval op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden en dus de overtreder is, tenzij hij of zij het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

5. Door de gegevens op het adreslabel is het stuk karton te herleiden tot [appellant]. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij door wat hij aanvoert voldoende twijfel ontstaat of hij daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden van de doos. Dat is hier niet het geval.

[appellant] heeft met het opperen van de mogelijkheid dat het stuk karton door toedoen van derden op straat terecht is gekomen, onvoldoende twijfel gezaaid om het bewijsvermoeden te ontkrachten. Dat het volgens hem regelmatig voorkomt dat afvalcontainers door derden worden opengemaakt en de inhoud daarvan op straat terechtkomt, betekent niet dat dit ook met het hier aangetroffen stuk karton is gebeurd. [appellant] heeft geen concrete omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat hij het stuk karton op de juiste wijze heeft aangeboden en dat het vervolgens door toedoen van een derde naast de ondergrondse afvalcontainer terecht is gekomen. Daarbij is van belang dat het verkeerd aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen zich ook kan voordoen wanneer afval op zodanige wijze in de container wordt geplaatst dat het daaruit weer kan worden gehaald of kan vallen.

Ook de enkele omstandigheid dat volgens [appellant] meerdere scenario’s denkbaar zijn waarin correct aangeboden afval buiten zijn toedoen op straat terechtkomt, is onvoldoende om het bewijsvermoeden te ontkrachten. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat hij zijn afval altijd volgens de geldende regels aanbiedt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.

w.g. Van Veldhuizen

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Klingers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

341

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R. Klingers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand