ECLI:NL:RVS:2026:6081

ECLI:NL:RVS:2026:6081

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 202407139/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 30 september 2024 heeft de raad van de gemeente Noordoostpolder, voor zover nu van belang, het bestemmingsplan "Emmeloord, Rietstraat (noord)" vastgesteld. Het bestemmingsplan "Emmeloord, Rietstraat (noord)" heeft betrekking op het woongebied rondom de Rietstraat ten noorden van de Moerasandijviestraat in Emmeloord. Woningbouwcorporatie Mercatus is initiatiefnemer van de woningbouwontwikkeling. In het plangebied zijn 41 grondgebonden woningen aanwezig, waarvan 36 sociale huurwoningen en vijf koopwoningen. De technische staat van de woningen is verouderd. Ook voldoen de woningen niet meer aan de hedendaagse duurzaamheidseisen en is de doelgroep van de woningcorporatie veranderd. Daarom wil Mercatus de woningen slopen en nieuwe woningen realiseren. De vijf koopwoningen blijven behouden. Huurwoningen die tegen bestaande koopwoningen zijn gebouwd worden niet gesloopt, maar gerenoveerd. Per saldo worden vier woningen toegevoegd.

Uitspraak

202407139/1/R1.

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub A], wonend in Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,

2. [appellant sub B] en anderen, allen wonend in Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Noordoostpolder,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2024 heeft de raad, voor zover nu van belang, het bestemmingsplan "Emmeloord, Rietstraat (noord)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub A] en [appellant sub B] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Stichting Mercatus (Mercatus) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub B] en anderen en [appellant sub A] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 augustus 2026, waar [appellant sub A], vertegenwoordigd door mr. R.V. Lie-A-Lien, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, [appellant sub B], [persoon A] en [persoon B], en de raad, vertegenwoordigd door M. de Jong, K.H. de Jong en N. van der Ende, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Mercatus, vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 28 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het bestemmingsplan "Emmeloord, Rietstraat (noord)" heeft betrekking op het woongebied rondom de Rietstraat ten noorden van de Moerasandijviestraat in Emmeloord. Woningbouwcorporatie Mercatus is initiatiefnemer van de woningbouwontwikkeling. In het plangebied zijn 41 grondgebonden woningen aanwezig, waarvan 36 sociale huurwoningen en vijf koopwoningen. De technische staat van de woningen is verouderd. Ook voldoen de woningen niet meer aan de hedendaagse duurzaamheidseisen en is de doelgroep van de woningcorporatie veranderd. Daarom wil Mercatus de woningen slopen en nieuwe woningen realiseren. De vijf koopwoningen blijven behouden. Huurwoningen die tegen bestaande koopwoningen zijn gebouwd worden niet gesloopt, maar gerenoveerd. Per saldo worden vier woningen toegevoegd. [appellant sub A] woont aan de [locatie 1] naast het plangebied. [appellant sub B] en anderen wonen allen aan de [locatie 2] en daarmee ook naast het plangebied. Zij komen op tegen het bestemmingsplan wegens de gevolgen die de nieuwe woningen hebben voor hun woonsituatie. Het gaat hen om de verkleining van het openbaar groen dat in gebruik is als speelterrein en om de verkeersgevolgen. Ook vrezen zij schade aan een plataan en voeren zij aan dat er geen draagvlak voor het plan bestaat en dat er geen deugdelijke participatie heeft plaatsgevonden.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Beroepsgronden

Intrekking beroepsgronden

4. Tijdens de zitting hebben [appellant sub B] en anderen hun beroepsgronden over cultuurhistorie en soortenbescherming ingetrokken.

Toepasselijkheid Chw

5. [appellant sub B] en anderen twijfelen over de toepassing van de Chw op het bestemmingsplan. De Afdeling stelt vast dat, het bestemmingsplan een plan is als bedoeld in bijlage I, onderdeel 3.1, van de Chw. Daarom is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing. Het plan voorziet in de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied. Dus vloeit de toepasselijkheid van de Chw van rechtswege voort uit artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw en de aard van het bestreden besluit.

6. Artikel 1.6a van de Chw bepaalt dat na afloop van de beroepstermijn geen nieuwe beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd.

De gemachtigde van [appellant sub A] heeft op 14 augustus 2026 nieuwe beroepsgronden aangevoerd. De gemachtigde stelt dat deze gronden ook al in het beroepschrift van 25 november 2024 van [appellant sub A] zelf zijn aangevoerd.

De Afdeling stelt vast dat in het beroepschrift weliswaar is aangevoerd dat de verkleining van het speelterrein onevenredig nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub A], maar niet dat een bepaalde hoeveelheid groenvoorzieningen ten onrechte niet in het plan is geborgd. Ook zijn in het nadere stuk nieuwe beroepsgronden aangevoerd over cultuurhistorie, cumulatieve gevolgen en een integrale belangenafweging en over geluid. In het beroepschrift van 25 november 2024 zijn geen gronden over cultuurhistorie, cumulatieve gevolgen en een integrale belangenafweging aangevoerd. Over geluid heeft [appellant sub A] slechts aangevoerd dat niet ter plaatse van haar tuin is gemeten. Zij heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd over de uitgangspunten van de akoestische onderzoeken.

De Afdeling zal die gronden daarom buiten beschouwing laten.

Participatie

7. [appellant sub B] en anderen voeren aan dat er geen participatie heeft plaatsgevonden. De raad heeft de verantwoordelijkheid voor participatie bij Mercatus gelegd, maar Mercatus heeft hen onvoldoende op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen. Er is geen overleg geweest met omwonenden over de bouwplannen en zij hebben niet kunnen meebeslissen.

7.1. Het bestemmingsplan is overeenkomstig artikel 3.8 van de Wro voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Niet is gebleken dat de raad niet op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan deze afdeling. Het ontwerpplan is ter inzage gelegd en een ieder heeft de mogelijkheid gehad om daarover een zienswijze in te dienen. De raad heeft de zienswijzen van appellanten betrokken bij zijn afweging. De Afdeling volgt [appellant sub B] en anderen niet in hun betoog dat geen participatie heeft plaatsgevonden. De Wro schept geen wettelijke verplichting om te overleggen met omwonenden. De Afdeling ziet ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat niet is voldaan aan de Visie op participatie. Het plan is daarom niet onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt niet.

Draagvlak

8. [appellant sub B] en anderen en [appellant sub A] voeren aan dat er geen draagvlak voor het plan bestaat. Zij hebben een enquête gehouden en daaruit blijkt dat 73% van de ondervraagden tegen de bouw van woningen tussen de Rietstraat en de [locatie 2] is. Deze resultaten zijn gepresenteerd in de vergadering van de raadscommissie Woonomgeving op 18 september 2023, maar hier is geen reactie op ontvangen. Ook is er een handtekeningenactie geweest waarbij ruim 100 handtekeningen zijn verzameld tegen de bouw van deze woningen en is daarna een petitie 1.010 keer ondertekend. De raad houdt er dus geen rekening mee dat vrijwel alle omwonenden tegen het kleiner worden van het speelterrein zijn. Ook voeren zij aan dat de raad verdeeld was, omdat er bij de stemming alleen coalitiepartijen hebben voorgestemd. De oppositie stemde tegen.

8.1. De raad stelt dat de enquête is betrokken bij de besluitvorming. De enquête zat bij de stukken die de raadscommissie op 18 september 2023 heeft besproken in een vergadering over het stedenbouwkundig buurtplan. Volgens de raad is geluisterd naar bezwaren uit de omgeving. Mede naar aanleiding van signalen van omwonenden is het stedenbouwkundige ontwerp, dat op 17 april 2023 door de architect van Mercatus aan de raadscommissie is gepresenteerd, aangepast. Hierbij is een derde rij woningen van het hofje, dat parallel aan de Rietstraat en de [locatie 2] was voorzien, vervallen. Een parkeerterrein dat was voorzien op het speelterrein is geschrapt. Door deze aanpassing blijft het grootste deel van het terrein beschikbaar voor groen, spelen en ontmoeten.

8.2. Er is geen wettelijke regel die bepaalt dat een ruimtelijk plan een ontwikkeling alleen mogelijk mag maken als daarvoor voldoende draagvlak in de omgeving bestaat. Het is aan de door de inwoners van Noordoostpolder gekozen raad om hierover te besluiten. De raad hoeft niet unaniem te zijn. Een gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen is voldoende. Dit betekent niet dat draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Draagvlak is een aspect van de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan moet maken. Hierna zal de Afdeling toetsen of de raad de belangen van omwonenden voldoende heeft betrokken bij zijn belangenafweging.

Het betoog slaagt niet.

Speelterrein

9. [appellant sub A] en [appellant sub B] en anderen betogen dat het voorziene "hofje" van twee rijen van vier dwars op de Rietstraat gebouwde woningen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Een groot gedeelte van het groene speelterrein met basketbalveld tussen de woningen aan de Rietstraat en de [locatie 2] zal verdwijnen. Hierdoor is er minder ruimte voor kinderen om te spelen en te sporten en is er minder ruimte voor bewoners om elkaar te ontmoeten, met als gevolg minder sociale cohesie. Het verminderen van groen leidt ook tot afname van schaduwwerking. Ook neemt de verkeersveiligheid af, omdat er in de voorziene situatie auto’s langs het speelterrein kunnen rijden.

[appellant sub A] stelt dat er geen noodzaak is voor de aanleg van het "hofje". Volgens haar is er een alternatief waarbij de oppervlakte van het speelterrein niet verminderd wordt. Dit kan door woonblokken alleen parallel aan de Rietstraat mogelijk te maken. Ook dan kunnen sociale huurwoningen worden gebouwd.

9.1. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van woningbouw dan aan de wens van appellanten om de gronden met het groene speelterrein volledig onbebouwd te houden. Er is weliswaar sprake van een zekere verkleining van de oppervlakte van het speelterrein tussen de woningen van appellanten, maar de raad heeft mogen stellen dat de gevolgen hiervan voor omwonenden niet onevenredig zijn. De woningen van appellanten liggen op enige afstand van de voorziene woningen. Ook na het realiseren van de woningen blijft een aanzienlijk groen, en ook voor sport en spel geschikt, terrein over. De precieze inrichting van het speelterrein, in verband met verkeersveiligheid, behoeft niet in het bestemmingsplan te worden geregeld.

Het door [appellant sub A] aangedragen alternatief om alleen woningen binnen de huidige blokken aan de Rietstraat mogelijk te maken is door de raad afgewogen en voldoende gemotiveerd verworpen.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren

10. [appellant sub B] en anderen vrezen een tekort aan parkeerplaatsen door het plan. Door het terugbrengen van het aantal parkeerplaatsen aan de straat vrezen zij parkeerproblemen.

10.1. In paragraaf 3.3.1 van de toelichting van het bestemmingsplan staat dat er in het plangebied 75 parkeerplaatsen nodig zijn. Appellanten bestrijden dit niet. De raad heeft een tekening overgelegd van de voorziene parkeerplaatsen. De Afdeling ziet in wat appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat binnen het plangebied niet in de parkeerbehoefte kan worden voorzien.

Het betoog slaagt niet.

Plataan

11. [appellant sub B] en anderen benadrukken dat de plataan die op het groene terrein tussen [locatie 2] en Rietstraat staat de oudste boom van Emmeloord is en voor veel woongenot zorgt. Volgens het plan blijft de boom behouden. De raad heeft hiervoor een Boom Effect Analyse (BEA) laten uitvoeren. De in deze BEA opgenomen aanbevelingen baren [appellant sub B] en anderen zorgen. Zij vrezen schade aan de boom.

11.1. De raad hecht veel belang aan behoud van de plataan. Volgens de BEA is de boom duurzaam in te passen in het ontwerp. De plataan blijft dus gehandhaafd en is eigendom van de gemeente. Derden mogen de boom niet zonder overleg snoeien of kappen. Mercatus zal voor bestaande bomen een beschermingsplan opstellen voor tijdens de sloop/nieuwbouw.

11.2. De raad heeft voldoende onderzocht welke effecten de werkzaamheden hebben op de plataan. Zoals ook is uiteengezet in paragraaf 3.2 van de toelichting dient met een aantal zaken rekening te worden gehouden. De aanbevelingen over de uitvoering van de werkzaamheden kunnen niet aan de orde komen in de procedure over het plan (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2985, onder 20.4).

Het betoog slaagt niet.

Geluids- en stankoverlast

12. [appellant sub A] betoogt dat zij door het plan geluids- en stankoverlast zal ervaren van auto’s die naast en achter haar woning rijden en parkeren. De raad stelt dat de geluidsbelasting op haar achtergevel minder dan de grenswaarde zal zijn. Maar de geluidsbelasting in haar tuin is niet gemeten.

12.1. De raad heeft toegelicht dat binnen het plangebied een aantal nieuwe in- en uitritten worden gerealiseerd ten behoeve van de ontsluiting van de geplande parkeerplaatsen achter de woningen. Zo ook naast de woning van [appellant sub A]. De raad heeft een aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidseffecten van de nieuwe ontsluitingspaden binnen het plangebied. Dit aanvullende onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van ingediende zienswijzen. De geluidbelasting op woningen zal iets toenemen als gevolg van de realisatie van de toegangswegen naar de nieuwe parkeervoorzieningen. Uit onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting van het wegverkeerslawaai inclusief deze nieuwe wegen overal gelijk of lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder is, zodat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. De raad stelt zich op het standpunt dat de realisatie van de nieuwe in- en uitritten ten behoeve van de beoogde parkeervoorzieningen niet leidt tot een relevante toename van de geluidbelasting op de woningen.

12.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1087 gelden er voor een tuin weliswaar geen geluidsnormen, maar moet er uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wel onderzoek worden gedaan naar de daar heersende geluidsbelasting, om te kunnen beoordelen of daar sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Indien niet wordt verwacht dat de geluidsbelasting in de tuin daar in betekenende mate van afwijkt, kan dat op basis van de geluidsbelasting op de gevel worden beoordeeld.

Op basis van het (aanvullend) akoestisch onderzoek heeft de raad uit kunnen gaan van de verwachting dat ook de geluidsbelasting in de tuin van [appellant sub A] aanvaardbaar is. Gelet op de geringe afstand tussen de tuin van [appellant sub A] en de locatie van het meetpunt is redelijkerwijs te verwachten dat de geluidsbelasting in de tuin niet in relevante mate zal afwijken van de geluidsbelasting op de gevel. In wat zij heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze geluidsbelasting in de tuin aanvaardbaar is (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1087, onder 6.2 en 6.3). Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in een woonomgeving enige toename van geluidshinder als gevolg van verkeer niet onredelijk is, het geluid in de tuin van [appellant sub A] onder de voorkeursgrenswaarde blijft en het gaat om een gering aantal parkeerplaatsen. Bovendien is er een lage maximumsnelheid van 30 km/u en is gelet op de situering aannemelijk dat er bij de inritten feitelijk sprake zal zijn van stapvoets rijdend verkeer. Evenmin is er aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van zodanige stankoverlast dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat in zoverre sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Het betoog slaagt niet.

Privacy

13. [appellant sub A] betoogt dat nu niemand in haar tuin kan kijken, maar straks vanuit het "hofje" wel.

13.1. De raad stelt terecht dat enige verdichting in bebouwing in een stedelijke omgeving in de lijn der verwachting ligt en geduld moet worden. De woningen in het hofje zullen op 21 meter van de tuin van [appellant sub A] liggen. Reeds hierom leidt het plan niet tot een onevenredige aantasting van de privacy in de tuin van [appellant sub A].

Het betoog slaagt niet.

Luchtkwaliteit

14. [appellant sub B] en anderen betogen dat de luchtkwaliteit door het plan verslechtert. De Afdeling heeft de argumenten van appellanten beoordeeld en het plan getoetst aan de geldende regelgeving. Daarbij is gebleken dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit of als gevolg daarvan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Ook anderszins is verslechtering van de luchtkwaliteit bij de woningen van appellanten gelet op de marginale toename van het aantal woningen en dus ook van het verkeer niet aannemelijk.

Het betoog slaagt niet.

Milieueffectbeoordeling (m.e.r.-beoordeling)

15. [appellant sub B] en anderen betwisten de juistheid van de conclusie van de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling dat het project ruim onder de drempelwaarden van de m.e.r.-beoordelingsplicht blijft, omdat het om vier extra woningen zou gaan. Zij voeren aan dat dit klopt wat betreft de Rietstraat, maar vanuit de [locatie 2] gezien gaat het om een toevoeging van acht woningen met parkeerplaatsen en optioneel nog eens vijf extra parkeerplaatsen.

15.1. De ontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. De drempelwaarde, die ligt op 2.000 of meer aaneengesloten woningen, wordt niet overschreden zodat van een m.e.r.-plicht geen sprake is. De raad heeft voor het project een vormvrije m.e.r.-beoordeling gemaakt en stelt terecht dat meer niet nodig was. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.

Het betoog slaagt niet.

Uitvoeringsfase en schade

16. [appellant sub B] en anderen vrezen schade aan hun woningen door de bouw van de nieuwe woningen. Dit gaat niet over het plan zelf maar over de uitvoering. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

Het betoog slaagt niet.

Waardevermindering

17. [appellant sub B] en anderen betogen dat de realisering van het plan tot een aanzienlijke waardevermindering van hun woningen zal leiden. Het bestemmingsplan is op dit punt onzorgvuldig voorbereid. Ook [appellant sub A] stelt dat de waarde van haar woning zal verminderen als deze is omgeven door parkeerplaatsen in plaats van groen. Zij maken niet aannemelijk dat deze waardevermindering zo graat zal zijn dat de raad het plan om die reden niet had mogen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Overige beroepsgronden

18. De overige beroepsgronden over hitte en waterhuishouding leiden, mede gelet op wat onder 9.1 is overwogen, niet tot het oordeel dat het bestemmingsplan gebreken bevat.

Conclusie

19. De beroepen zijn ongegrond.

20. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Janse, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Janse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

855

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. N. Verheij
  • mr. A. Kuijer
  • mr. A.B. Blomberg

Griffier

  • mr. N. Janse

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand