202500438/1/R4.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Tienhoven, gemeente Stichtse Vecht,
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank MiddenNederland (de rechtbank) van 11 december 2024 in zaken nrs. 24/7075 en 24/7076 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht.
Procesverloop
Bij besluit van 8 februari 2024 heeft het college aan Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland (Natuurmonumenten) een omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van legakkerherstel in de Tienhovense plassen.
Bij besluit van 25 oktober 2024 heeft het college het besluit van 8 februari 2024 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 11 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 september 2026, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Ralovič, zijn verschenen. Verder is op de zitting Natuurmonumenten, vertegenwoordigd door ing. D.J. van Roest, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Natuurmonumenten wil grootschalig onderhoud uitvoeren in de Tienhovense plassen om het open legakkerlandschap te behouden en de fauna te ondersteunen. Hiervoor heeft het college haar een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo en het uitvoeren van werkzaamheden, als bedoeld in dat artikellid, onder b. De werkzaamheden omvatten onder meer het plaatsen van rasters en rietkorven voor ganzen, het aanbrengen van oeverbeschoeiing en het plaatsen van palen om afkalving van de legakkers tegen te gaan, het verwijderen van houtopstanden en het plaatsen van grasbetonstenen en damwanden.
[appellante] woont nabij het gebied waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden. Volgens haar zullen de werkzaamheden, waarbij in de bodem wordt gegraven en gewoeld, ertoe leiden dat PFAS en ijzerdeeltjes die in de bodem zitten, verspreid raken over de bodem en waterstromen nabij haar woning, wat schadelijk is voor mens en dier. Ook vreest zij dat dieren verstrikt zullen raken in de rasters.
Het bezwaar van [appellante] tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is behandeld door de Adviescommissie bezwaarschriften. De Adviescommissie heeft geadviseerd het besluit in stand te laten onder aanvulling van de motivering. In het besluit op bezwaar heeft het college overeenkomstig het advies het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning in stand gelaten en de motivering aangevuld.
Vooronderzoek van SWECO
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op basis van het vooronderzoek van SWECO van 22 juni 2023 op het standpunt mocht stellen dat de natuurwaarden van het projectgebied niet onevenredig worden aangetast door de werkzaamheden. De conclusie van het vooronderzoek dat in het projectgebied geen verontreinigingen in de bodem zijn te verwachten, is volgens haar onvoldoende onderbouwd, omdat het vooronderzoek is gebaseerd op onderzoeken uit 2008 en sindsdien niet meer is getest op PFAS in bodem. Volgens haar is in het vooronderzoek te onrechte de conclusie getrokken dat er geen historische bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden die aanleiding geven tot nader onderzoek naar de verspreiding van PFAS in het projectgebied. Zij voert aan dat er in 2002 baggerwerkzaamheden hebben plaatsgevonden in wateren die uitmonden op het projectgebied en dat de opgeslagen bagger in 2017 nog steeds niet was verwijderd. Verder is in het vooronderzoek ten onrechte gesteld dat het waterschap geen gegevens heeft van incidenten of lozingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. [appellante] heeft bij het waterschap gemeld dat haar hond en paard zijn overleden aan hoge ijzergehaltes in hun bloed en dat dit komt doordat ze uit de Tienhovense plassen hebben gedronken.
3.1. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat [appellante] over het advies heeft aangevoerd.
3.2. In wat [appellante] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet mocht afgaan op het vooronderzoek van SWECO. Het vooronderzoek is afgerond op 22 juni 2023, ongeveer zeven maanden voor het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning. Weliswaar zijn in het vooronderzoek oudere gegevens gebruikt, maar dit waren wel de meest actuele gegevens die beschikbaar waren ten tijde van het vooronderzoek. In het vooronderzoek is toegelicht dat uit historisch vooronderzoek blijkt dat verontreinigingen zijn aangetroffen bij de woonpercelen en brandweerkazerne in de buurt van het projectgebied, maar dat het projectgebied overwegend voldoende ver van deze percelen verwijderd ligt en dat niet wordt verwacht dat in het projectgebied sprake is van verontreiniging. Verder is toegelicht dat uit de ontgravingskaarten uit het kaartportal van de regio Utrecht volgt dat de PFAS-gehaltes in de boven- en ondergrond voldoen aan de landelijke achtergrondwaarde. Dat in het vooronderzoek niet is ingegaan op de baggerwerkzaamheden waar [appellante] op doelt en op de melding die zij heeft gedaan bij het waterschap van hoge ijzergehaltes in het bloed van haar overleden hond en paard, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het vooronderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen. De baggerwerkzaamheden zijn al in 2002 uitgevoerd. Niet is gebleken dat die hebben geleid tot bodemverontreiniging in het projectgebied in de periode van na de onderzoeken waar het vooronderzoek op is gebaseerd. Tot slot is de melding van [appellante] dat in het bloed van haar overleden hond en paard een verhoogd ijzergehalte is aangetroffen, op zichzelf geen aanwijzing van een incident dat heeft geleid tot bodemverontreiniging.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college op het vooronderzoek mocht afgaan om zich op het standpunt te stellen dat de natuurwaarden van het projectgebied niet onevenredig worden aangetast door de vergunde werkzaamheden.
Het betoog slaagt niet.
Uitspraken van de voorzitter van de Adviescommissie bezwaarschriften
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de besluitvorming over de omgevingsvergunning die aan Natuurmonumenten is verleend, is beïnvloed door een persoonlijk belang van de voorzitter van de Adviescommissie bezwaarschriften. [appellante] voert aan dat de voorzitter tijdens de hoorzitting van de Adviescommissie heeft gezegd dat Natuurmonumenten een prima organisatie is en dat daaruit blijkt dat hij sympathie heeft voor Natuurmonumenten. Verder voert zij aan dat de voorzitter door het college is benoemd. De rechtbank heeft volgens [appellante] ten onrechte overwogen dat de opmerkingen van de voorzitter werden gemaakt in de context van de vaststelling dat het zowel [appellante] als Natuurmonumenten te doen is om de kwaliteit van de natuur. Volgens [appellante] worden de uitspraken van de voorzitter hiermee gebagatelliseerd, omdat haar belangen tegenovergesteld zijn aan die van Natuurmonumenten. De werkzaamheden van Natuurmonumenten, zoals het plaatsen van netten en palen aan de oevers, zijn volgens haar juist schadelijk voor de dieren in het gebied.
4.1. Artikel 2:4, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid vervult.
Artikel 2:4, tweede lid, bepaalt dat het bestuursorgaan ertegen waakt dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkende personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.
4.2. Voor zover [appellante] aanvoert dat de uitspraken van de voorzitter van de Adviescommissie bezwaarschriften duiden op vooringenomenheid, wijst de Afdeling erop dat het verbod op vooringenomenheid in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb betrekking heeft op het college en niet op de voorzitter.
Verder is naar het oordeel van de Afdeling niet gebleken dat de voorzitter een persoonlijk belang als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, had bij het besluit op bezwaar waarbij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning aan Natuurmonumenten in stand is gelaten. Dat de voorzitter op de hoorzitting van de Adviescommissie heeft gezegd dat Natuurmonumenten een prima organisatie is, betekent niet dat hij er een persoonlijk belang bij had dat de vergunning in stand zou blijven. Het college heeft toegelicht dat de voorzitter niet bij het bestuur van Natuurmonumenten betrokken is. Daarnaast heeft het toegelicht dat de opmerkingen van de voorzitter waren bedoeld om aan [appellante] voor te houden dat Natuurmonumenten de werkzaamheden uitvoert voor het behoud en herstel van de natuur en dat [appellante] hier ook waarde aan hecht. Dat de voorzitter volgens [appellante] ten onrechte heeft gesteld dat haar belangen hetzelfde zijn als die van Natuurmonumenten, is geen aanwijzing dat hij persoonlijke belangen had bij het in stand laten van de vergunning. Tot slot geeft de omstandigheid dat de voorzitter door het college is benoemd, geen reden voor de conclusie dat hij de besluitvorming heeft beïnvloed anders dan uit hoofde van zijn functie als voorzitter van de Adviescommissie.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de voorzitter een persoonlijk belang had bij het besluit op bezwaar. Zij heeft verder terecht geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat het college onvoldoende heeft gewaakt voor beïnvloeding van de besluitvorming door personen die tot hem behoren of voor hem werken en die een persoonlijk belang bij het besluit hebben.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.E.P. van Gulik, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Gulik
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
1098