ECLI:NL:RVS:2026:6087

ECLI:NL:RVS:2026:6087

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 202304894/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Tussenuitspraak bestuurlijke lus

Samenvatting

Bij besluit van 21 juni 2023 heeft de raad van de gemeente Leeuwarden het bestemmingsplan "Leeuwarden - De Zuidlanden, plandeel De Hem" vastgesteld. In de toelichting bij het bestemmingsplan staat dat Leeuwarden groeit. Er is vraag naar meer woningen. Daarom wordt ten zuidoosten van het dorp Goutum een aantal buurtschappen gerealiseerd, met de overkoepelende naam "Zuidlanden". In de afgelopen jaren zijn de buurtschappen Goutum-Súd, Techum, Wiarda en De Klamp gebouwd. Buurtschap Unia is in voorbereiding. Buurtschap De Hem is het laatste te ontwikkelen buurtschap in Zuidlanden-Oost. In De Hem komen maximaal 395 woningen in verschillende typen en segmenten, variërend van rij- tot vrijstaande woningen en van dure koop tot sociale huur. De raad heeft het bestemmingsplan vastgesteld om deze ontwikkeling in juridisch-planologische zin mogelijk te maken. Dorpsbelang Goutum, [appellant sub 2] en It Fryske Gea en anderen kunnen zich alle niet verenigen met het bestemmingsplan en hebben daarom beroep ingesteld.

Uitspraak

202304894/1/R3.

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

1. Dorpsbelang Goutum en Stichting tot Behoud van de Amerikaanse Windmolentjes te Goutum en Wirdum (hierna samen en in enkelvoud: Dorpsbelang Goutum), beide gevestigd in Goutum, gemeente Leeuwarden,

2. [appellant sub 2], wonend in Goutum, gemeente Leeuwarden,

3. It Fryske Gea en anderen, gevestigd in Opsterland, gemeente Opsterland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Leeuwarden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Leeuwarden - De Zuidlanden, plandeel De Hem" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Dorpsbelang Goutum, [appellant sub 2] en It Fryske Gea en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

It Fryske Gea en anderen en Dorpsbelang Goutum hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 december 2025, waar Dorpsbelang Goutum, vertegenwoordigd door mr. M.J.F. Nuijens, advocaat in Groningen, bijgestaan door [persoon A], [appellant sub 2], It Fryske Gea en anderen, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, rechtsbijstandsverlener in Den Haag, bijgestaan door [persoon B] en [persoon C], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.J. Hengst en P. Jager, bijgestaan door mr. K. Timmer en mr. R. Snel, beiden advocaat in Groningen, zijn verschenen.

Overwegingen

OVERGANGSRECHT INWERKINGSTREDING OMGEVINGSWET

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 3 november 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

INLEIDING

2. In de toelichting bij het bestemmingsplan staat dat Leeuwarden groeit. Er is vraag naar meer woningen. Daarom wordt ten zuidoosten van het dorp Goutum een aantal buurtschappen gerealiseerd, met de overkoepelende naam "Zuidlanden". In de afgelopen jaren zijn de buurtschappen Goutum-Súd, Techum, Wiarda en De Klamp gebouwd. Buurtschap Unia is in voorbereiding. Buurtschap De Hem is het laatste te ontwikkelen buurtschap in Zuidlanden-Oost. In De Hem komen maximaal 395 woningen in verschillende typen en segmenten, variërend van rij- tot vrijstaande woningen en van dure koop tot sociale huur. De raad heeft het bestemmingsplan vastgesteld om deze ontwikkeling in juridisch-planologische zin mogelijk te maken.

3. Dorpsbelang Goutum, [appellant sub 2] en It Fryske Gea en anderen kunnen zich alle niet verenigen met het bestemmingsplan en hebben daarom beroep ingesteld. Zij hebben een aantal overlappende beroepsgronden. Daarom worden de beroepen in deze uitspraak samen en per onderwerp besproken.

4. In deze uitspraak wordt regelmatig verwezen naar verschillende wetsartikelen. Voor zover de wetsartikelen niet in de overwegingen zijn weergegeven of samengevat, staan deze in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

TOETSINGSKADER

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

ONTVANKELIJK?

6. De raad stelt zich op het standpunt dat Stichting tot Behoud van de Amerikaanse Windmolentjes te Goutum geen belanghebbende is bij het plan en niet moet worden toegelaten in beroep.

6.1. In artikel 8.1 van de Awb is geregeld dat alleen een belanghebbende tegen een besluit beroep in kan stellen bij de bestuursrechter. De Afdeling stelt vast dat de vraag of Stichting tot Behoud van de Amerikaanse Windmolentjes te Goutum belanghebbende is bij het bestreden besluit, desondanks niet relevant is voor de vraag of haar beroep ontvankelijk is. Stichting tot Behoud van de Amerikaanse Windmolentjes te Goutum heeft namelijk een zienswijze naar voren gebracht over het ontwerpplan. In overweging 4.7 van de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, staat dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is, maar die tegen het ontwerpbesluit op basis van de hem in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid wel een zienswijze heeft ingediend, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. Dit betekent dat het beroep van Stichting tot Behoud van de Amerikaanse Windmolentjes te Goutum in ieder geval wel ontvankelijk is.

DE BEROEPSGRONDEN

Ingetrokken beroepsgronden

7. Op de zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgronden over de Natuurherstelwet en over het Afwegingskader Woningbouw ingetrokken.

Procedurele gebreken

Terinzagelegging

8. Dorpsbelang Goutum en [appellant sub 2] betogen dat het plan gebrekkig tot stand is gekomen. Bij het ontwerpbestemmingsplan is een stikstofberekening van 25 november 2021 ter inzage gelegd. Aan deze stikstofberekening kleven volgens hen verschillende gebreken. Dorpsbelang Goutum merkt op, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3159, dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de zogenaamde bouwvrijstelling, terwijl ook een afkapgrens van 5 km is gehanteerd, terwijl dat volgens de Afdeling niet is toegestaan. [appellant sub 2] geeft aan dat in de berekening van 25 november 2021 zaken staan die niks met het voorliggend bestemmingsplan te maken hebben. [appellant sub 2] vermoedt dat er is "geknipt en geplakt". Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606, stelt Dorpsbelang Goutum dat het in strijd is met het recht op inspraak dat bij het ontwerpbestemmingsplan geen juridisch kloppende stikstofberekening ter inzage heeft gelegen. Ook [appellant sub 2] wijst hier in vergelijkbare bewoordingen op.

8.1. De Afdeling stelt vast dat ook de raad heeft onderkend dat de stikstofberekening van 25 november 2021 gebrekkig was. Daarom heeft de raad naar aanleiding van de zienswijzen in de zienswijzenota aangegeven dat hij een nieuwe stikstofberekening laat opstellen. Dit is de stikstofberekening van 20 maart 2023. Het plan is vervolgens vastgesteld met gebruikmaking van die stikstofberekening van 20 maart 2023 en niet op basis van de stikstofberekening van 25 november 2021. In de kern komt het betoog van Dorpsbelang Goutum en [appellant sub 2] erop neer dat de raad voorafgaand aan vaststelling niet kon volstaan met het laten opstellen van een nieuwe stikstofberekening, maar het ontwerpplan met die nieuwe berekening opnieuw ter inzage had moeten leggen. Door dit na te laten is sprake van strijd met het recht op inspraak. De Afdeling volgt dit betoog niet. Met het uitbrengen van een zienswijze hebben Dorpsbelang Goutum en [appellant sub 2] gebruik gemaakt van hun inspraakmogelijkheid. De raad heeft vervolgens, mede op basis van hun inbreng besloten een nieuwe stikstofberekening te laten maken, waarna het plan is vastgesteld. Daarmee is voldaan aan hun recht op inspraak. Er was geen verplichting voor de raad om het plan vervolgens opnieuw als ontwerp ter inzage te leggen. Deze zaak verschilt van de zaak in de uitspraak van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606, waar Dorpsbelang Goutum naar heeft verwezen. In die zaak was in het geheel geen Aerius-berekening bij het ontwerpplan ter inzage gelegd. Door dat na te laten, was de mogelijkheid ontnomen daarover een zienswijze naar voren te brengen.

8.2. De raad heeft toegelicht dat bij het vastgestelde plan per ongeluk de achterhaalde stikstofberekening van 25 november 2021 is gevoegd. Op 25 juli 2023 is dit aangepast en is alsnog de stikstofberekening van 20 maart 2023 bij het plan gevoegd. Tegen het vastgestelde plan en de daarbij gevoegde nieuwe stikstofberekening, konden en hebben Dorpsbelang Goutum en [appellant sub 2] vervolgens beroepsgronden gericht. Niet is gebleken dat zij daarbij zijn beperkt of belemmerd door de hiervoor weergegeven fout.

Het betoog slaagt niet.

Inspraak

9. Dorpsbelang Goutum betoogt dat het plan in strijd met het recht op inspraak tot stand is gekomen. In paragraaf 4.12.2 van de ontwerpplantoelichting wordt verwezen naar een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze heeft echter niet bij het ontwerpplan ter inzage gelegen.

9.1. De raad heeft toegelicht dat de aanmeldnotitie en de vormvrije m.e.r.-beoordeling ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan waren opgenomen in de plantoelichting. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is de keuze gemaakt de aanmeldnotitie en de vormvrije m.e.r.-beoordeling als afzonderlijk document en als bijlage bij de plantoelichting op te nemen. Inhoudelijk verschilt de informatie niet.

Aangezien de relevante informatie uit de aanmeldnotitie en de m.e.r.-beoordeling raadpleegbaar was bij de terinzagelegging van het ontwerpplan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel bij de totstandkoming van het bestemmingsplan het recht op inspraak is geschonden.

Het betoog slaagt niet.

Ladder duurzame verstedelijking

10. Dorpsbelang Goutum betoogt dat het plan in strijd met artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is vastgesteld. De raad heeft niet gemotiveerd dat behoefte is aan 350-395 woningen in De Hem. Dorpsbelang Goutum wijst erop dat er een discrepantie bestaat tussen het aantal woningen waar volgens de plantoelichting in de gemeente Leeuwarden behoefte aan is en het aantal woningen waar volgens het advies "Ladder Duurzame Verstedelijking Leeuwarden - De Zuidlanden, plandeel De Hem" van BRO van 8 januari 2021 (het advies van BRO) behoefte aan is. De plantoelichting gaat uit van een behoefte van 5.828 woningen. Het advies van BRO gaat uit van een behoefte van 5.384 woningen. Ook wordt de aanname gedaan dat 1.685 woningen worden gesloopt. Dat blijkt nergens uit. Voor zover de raad wijst op de effecten van de Lelylijn, betwijfelt Dorpsbelang Goutum dat die er ooit zal komen. Op de zitting heeft Dorpsbelang Goutum verder naar voren gebracht dat met name behoefte bestaat aan woningen voor eenpersoonshuishoudens. Dergelijke woningen worden niet gerealiseerd in De Hem.

10.1. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is bedoeld uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.

10.2. In paragraaf 3.1.3 van de plantoelichting wordt de ladder voor duurzame verstedelijking besproken. Er is onderzocht of en op welke manier de komst van 395 woningen kan worden verantwoord. In de plantoelichting wordt verwezen naar het advies van BRO. Dit advies is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. In de plantoelichting zelf zijn de belangrijkste conclusies uit dit advies opgenomen. De conclusies die van belang zijn voor de bespreking van deze beroepsgrond, luiden als volgt.

In de gemeente Leeuwarden is voor de periode 2020-2030 een totale behoefte aan 5.828 woningen. De harde plancapaciteit bedraagt per saldo 3.131 woningen. Dat betekent dat er een restopgave is van 2.697 woningen. Het plan voorziet in een kwantitatieve behoefte.

Over de kwalitatieve behoefte van het plan staat in de plantoelichting het volgende. In het plan worden voornamelijk grondgebonden woningen en enkele appartementen in verschillende prijssegmenten mogelijk gemaakt. De ontwikkeling uit het plan wordt ook wel "suburbaan wonen" genoemd. Ongeveer de helft van de huishoudens met een verhuiswens, zoekt in dit woonmilieu. Dat leidt tot een indicatieve behoefte van zo’n 2.420-2.690 woningen in dit milieu. De harde plancapaciteit voor dit soort woningen bedraagt 2.035, wat betekent dat er een restbehoefte is van 385 - 655 woningen. Door de verwachte bevolkingsgroei, zal de behoefte aan dit soort woningen verder toenemen. Verder staat in de plantoelichting dat de vraag naar grondgebonden woningen fors is. Dit gaat zowel om koop als om huur. Ook is er een kwalitatieve vraag naar appartementen. Dat komt door het ontstaan van meer kleinere huishoudens. Deze vraag spitst zich met name toe op stedelijk gebied, maar het planinitiatief voorziet wel in de vraag voor zover deze ziet op grotere appartementen.

10.3. Dorpsbelang Goutum wijst er terecht op dat in het advies van BRO staat dat de behoefte in de gemeente Leeuwarden in de periode 2020-2030 uit totaal zo’n 5.384 woningen bestaat. Naar het oordeel van de Afdeling betekent dat niet dat niet kan worden uitgegaan van de onderbouwing van de raad dat er behoefte is aan het aantal woningen dat mogelijk wordt gemaakt. De raad heeft namelijk toegelicht dat sinds het uitbrengen van het advies in januari 2021, maar voor het vaststellen van het plan, is gebleken dat de woningbehoefte nog verder is gegroeid.

Over de sloop van woningen overweegt de Afdeling het volgende. In de plantoelichting staat bij de bespreking van de kwantitatieve behoefte het volgende: "Bovendien worden er gelijktijdig 1.685 woningen gesloopt, waardoor de netto woningbouwproductie per saldo gelijk is aan de woningbehoefte". Het is niet helemaal duidelijk op welke manier de te slopen woningen zijn meegenomen in de berekeningen om te beoordelen of sprake is van een kwantitatieve behoefte en de omvang daarvan. Toch levert dat geen gebrek op. Als de te slopen woningen niet worden meegeteld in de behoefte, resteert een behoefte van 4.143 (5.828 -1.685) woningen. Met 3.131 woningen in de harde plancapaciteit, voorziet het bestreden plan ook dan in een kwantitatieve behoefte.

In de plantoelichting staat verder dat vanuit de gemeente Leeuwarden de ambitie bestaat om 5.000 tot 10.000 extra woningen te realiseren boven op de bestaande behoefte. In het verlengde van de aanleg van de Lelylijn wordt op die manier getracht de landelijke woningdruk te verlagen en een plek te bieden aan meer (potentiële) inwoners ten behoeve van, onder andere, de arbeidsmarkt. De Afdeling stelt vast dat de mogelijke komst van de Lelylijn niet is gebruikt ter onderbouwing van de behoefte aan het aantal woningen dat het plan mogelijk maakt. Dat de komst van de Lelylijn onzeker is, kan dan ook geen afbreuk doen aan de onderbouwing in de plantoelichting.

Dorpsbelang Goutum stelt dat er geen behoefte is aan het soort woningen dat wordt gebouwd. Naar het oordeel van de Afdeling is in de plantoelichting, zoals onder 10.2 weergegeven, uitdrukkelijk stilgestaan bij de kwalitatieve behoefte aan het soort woningen dat het plan mogelijk maakt. De niet nader onderbouwde beroepsgrond van Dorpsbelang Goutum, geeft geen aanknopingspunten om aan deze onderbouwing te twijfelen.

Het betoog slaagt niet.

Strijd met de Verordening Romte Fryslân 2014

11. Dorpsbelang Goutum betoogt dat het plan in strijd met artikel 3.1.1 van de Verordening Romte Fryslân 2014 is vastgesteld. Op grond van dit artikel moet het college van gedeputeerde staten van Friesland schriftelijk instemmen met een bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt. Deze instemming ontbreekt. Voor zover de raad stelt dat deze instemming uit de brief van 5 juli 2022 blijkt, merkt Dorpsbelang Goutum op dat "De Hem" niet in de brief wordt genoemd.

11.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het bestemmingsplan niet in strijd met artikel 3.1.1 van de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. In de brief van 5 juli 2022 stemmen Gedeputeerde Staten van Fryslân in met het planaanbod gemeente Leeuwarden 2020 - 2029, peildatum 16 februari 2022. De raad heeft dit planaanbod overgelegd. Hierin wordt De Hem genoemd. Aan de hand van de brief van 5 juli 2022 en het daarbij horende planaanbod, stelt de Afdeling vast dat Gedeputeerde Staten van Fryslân de benodigde instemming hebben gegeven.

Het betoog slaagt niet.

Luchtkwaliteit

12. [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de effecten op de luchtkwaliteit in het plangebied door het nabijgelegen crematorium en uitvaartcentrum "DELA Middelzee". Op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer is een dergelijk onderzoek wel vereist.

12.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

12.2. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 2] met deze beroepsgrond niet opkomt voor zijn eigen belangen, maar voor de belangen van de toekomstige bewoners van de nieuwe woningen. De door hem ingeroepen norm strekt dan ook kennelijk niet tot bescherming van zijn belang. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit naar aanleiding van deze beroepsgrond. De Afdeling bespreekt de grond daarom niet inhoudelijk.

Stikstof

Bouwfase

13. Dorpsbelang Goutum betoogt dat de notitie "AERIUS-berekening De Hem te Leeuwarden" van BRO van 20 maart 2023 niet deugt. In de berekening wordt ervan uitgegaan dat de bouw gefaseerd plaatsvindt, maar dat is niet geborgd in het plan. Ook is het onduidelijk of is gesaldeerd. Als dat het geval is, dan kan dat niet. Verder is onduidelijk of de afkapgrens van 5 km is gehanteerd. Als dat zo is, kan ook dat niet.

Ook It Fryske Gea en anderen betogen dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden "Groote Wielen" en "Alde Feanen" die tijdens de bouwfase ontstaat. In de AERIUS-berekening van 20 maart 2023 wordt weliswaar geconcludeerd dat geen depositietoename optreedt door het plan, maar die conclusie is afhankelijk gesteld van meerdere voorwaarden. In de berekening wordt uitgegaan van gefaseerde bouw, wordt gerekend met Adblue bouwmachines en wordt als uitgangspunt genoemd dat overwegend met elektrisch materiaal wordt gewerkt. Deze voorwaarden zijn niet geborgd in het plan. Bovendien zijn dit mitigerende maatregelen. Die horen thuis in een procedure over een vergunning die wordt verleend op grond van de Wnb. Bij het plan hoort onderzoek te worden gedaan naar de maximaal mogelijke deposities exclusief mitigerende maatregelen.

13.1. In paragraaf 4.6.2 van de plantoelichting staat dat er bij de verschillende berekeningen van de bouwfases en gebruiksfases geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.

Deze conclusie is gebaseerd op de AERIUS-berekening van 20 maart 2023. Deze berekening is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. In de bij deze berekening horende notitie worden de ingevoerde gegevens toegelicht. Over de bouwfase staat in deze notitie, voor zover van belang voor de bespreking van deze beroepsgrond, dat bij het bouwrijp maken van de gronden als uitgangspunt is genomen dat de graafmachine en de laadschop/shovel als dieselwerktuigen worden uitgevoerd. Overige eventueel in te zetten werktuigen zullen elektrisch zijn. Verder is als uitgangspunt genomen dat de woningen niet in één keer, maar gedurende vijf jaar gefaseerd worden gebouwd. Bij het bepalen van de invoergegevens voor de bouw van de woningen per fase is gebruik gemaakt van kengetallen. Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de bouw van de woningen en de aanleg van de gronden daar omheen. Daarbij is voor de eerste twee jaar uitgegaan van het gebruik van de volgende dieselwerktuigen: hijskranen, graafmachines, betonstorters en vorkheftrucks. De overige bouwmachines zullen volledig elektrisch zijn. Voor de laatste drie jaar wordt ook uitgegaan van elektrische hijskranen. De verwachting is namelijk dat in de loop van de jaren steeds meer elektrische werktuigen beschikbaar zullen zijn.

13.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat alleen als een dergelijke gefaseerde ontwikkeling is geborgd in het plan, in de AERIUS-berekening daarvan uit mag worden gegaan. De raad heeft hierover toegelicht dat uit de gemeentelijke woningbouwplanning en de afspraken met de provincie blijkt dat de realisering van De Hem gefaseerd over een periode van vijf jaar zal plaatsvinden. Daarbij heeft de raad benadrukt dat de bouwlogistiek en de planopzet tot een fasegewijze realisering van het plangebied dwingen. Daarom is in de AERIUS-berekening uitgegaan van een gefaseerde ontwikkeling. De Afdeling acht dit een reëel en aannemelijk uitgangspunt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1743, onder 8.2, moet de raad in een onderzoek naar de gevolgen van een bestemmingsplan uitgaan van reële en aannemelijke uitgangspunten, maar hoeven die uitgangspunten niet per se in het plan te worden geborgd. Verder heeft de raad toegelicht dat niet is gesaldeerd en dat in de AERIUS Calculator 2021 standaard wordt gerekend met een afstand van 25 km. De Afdeling ziet ook op deze punten geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de AERIUS-berekening van 20 maart 2023.

Daarnaast ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in de AERIUS-berekening van 20 maart 2023 ten onrechte als uitgangspunt is genomen dat deels wordt gewerkt met elektrische werktuigen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld overweging 6.3 van de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3616 en overweging 17.1 van de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5003, mag in een stikstofberekening worden meegenomen dat wordt gewerkt met elektrische werktuigen, als dit een reëel en aannemelijk uitgangspunt is. Dat betekent dat het gebruik van elektrische werktuigen ook mag worden meegenomen in een stikstofberekening en niet uitsluitend als mitigerende maatregel mag worden betrokken. De Afdeling ziet geen aanleiding de AERIUS-berekening van 20 maart 2023 op dit punt gebrekkig te achten.

Het betoog slaagt niet.

Gebruiksfase

14. Dorpsbelang Goutum betoogt dat in de gebruiksfase ten onrechte alleen verkeer is aangemerkt als stikstofbron.

It Fryske Gea en anderen betogen dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden "Groote Wielen" en "Alde Feanen" die tijdens de gebruiksfase ontstaat. Ten eerste heeft de raad ten onrechte gesteld dat de emissies en deposities niet toenemen. Uit de publicatie "Methode inschatting depositie woningbouwprojecten" van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu volgt dat een emissiefactor van 0,5 kilo NH3 per huishouden moet worden aangehouden voor overige woongerelateerde emissies. Dat zou voor dit plan neerkomen op zo’n 200 kilo NH3. De raad heeft daar ten onrechte geen rekening mee gehouden.

Ten tweede deugt volgens It Fryske Gea en anderen de AERIUS-berekening van 20 maart 2023 niet op het punt van verkeer. Er wordt ten onrechte vanuit gegaan dat het plangerelateerde verkeer op de Wergeasterdyk in het heersende verkeersbeeld zal worden opgenomen. Daardoor wordt een kortere rijlengte gehanteerd dan zou moeten, wat ervoor zorgt dat er een lagere stikstofemissie uit de berekening komt. Het gemotoriseerde verkeer op de Wergeasterdyk had in de stikstofberekening moeten worden betrokken. Ook had in de berekening moeten worden betrokken dat het plan meerdere uitwegen toestaat.

14.1. Over de gebruiksfase staat in de bij de AERIUS-berekening van 20 maart 2023 horende notitie dat de woningen gasloos worden opgeleverd. Daarom is geen sprake van stikstofemissie. Wel zorgen de woningen voor extra verkeer. Als alle woningen zijn opgeleverd, zal de verkeersgeneratie maximaal 2.911 mvt/etmaal bedragen. Dit verkeer is ingevoerd in de AERIUS-berekening. Daarbij is als worst case-scenario nog ingevoerd dat er twee middelzware en twee zware vrachtverkeersbewegingen per etmaal zijn. Het depositieresultaat bedraagt 0,00 mol/ha/jaar.

14.2. Voor zover Dorpsbelang Goutum nog heeft gesteld dat de raad meer stikstofbronnen dan verkeer mee had moeten nemen, stelt de Afdeling vast dat zij niet heeft geconcretiseerd om welke bronnen dit gaat. Dat geeft de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten om de juistheid of de volledigheid van de AERIUS-berekening in twijfel te trekken.

14.3. Over de verwijzing van It Fryske Gea en anderen naar de RIVM-methode overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft toegelicht dat de uitstoot van ammoniak door mens en (huis)dier op grond van de Instructie gegevensinvoer niet is meegenomen in de stikstofberekening.

14.4. De Afdeling heeft eerder al, in haar uitspraak van 18 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3845, onder 5.11, overwogen dat de uitstoot van NH3 in lijn met de Instructie gegevensinvoer geen aan de bouw of het gebruik van een specifieke woning toe te rekenen emissie is. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat de RIVM-methode is opgesteld met een ander doel dan de Instructie gegevensinvoer, die is bedoeld als instructie voor het maken van specifieke stikstofberekeningen die worden verricht bij plannen en projecten om te kunnen aantonen dat wordt voldaan aan artikel 2.8 van de Wnb, gelezen in samenhang met artikel 2.7 van de Wnb. De RIVM-methode is in 2019 opgesteld in het kader van de aanpak van de stikstofproblematiek, waarbij het RIVM verkennende berekeningen heeft gemaakt om de betrokken ministers inzicht te geven in het effect van de verschillende stikstofmaatregelen. Vanwege dit verschil in doel en benadering tussen de RIVM-methode en de Instructie gegevensinvoer, kan dan ook niet worden gesteld dat de raad in dit geval niet de Instructie gegevensinvoer heeft mogen toepassen.

14.5. It Fryske Gea en anderen hebben niet gemotiveerd bestreden waarom wat is overwogen in de uitspraak van 18 november 2023 niet kan worden gevolgd. De Afdeling ziet, gelet hierop, dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat bij de berekening van de stikstofemissies in de gebruiksfase ten onrechte niet bij de uitgangspunten van het RIVM is aangesloten.

14.6. De raad heeft toegelicht dat om te bekijken in hoeverre verkeer mee moet worden genomen in de AERIUS-berekening, is aangesloten bij de Instructie gegevensinvoer. In deze instructie staat dat zodra verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld, dit niet meer hoeft te worden meegenomen. Verkeer vanuit het plangebied zal worden ontsloten op de Sudertrimdielsdyk. Zodra het verkeer uit het plangebied die weg oprijdt, zal het zich niet onderscheiden van het verkeer dat al op de Sudertrimdielsdyk rijdt. Op de zitting heeft de raad verder toegelicht dat de Wergeasterdyk niet is meegenomen, omdat vanuit het plangebied niet rechtsaf de Wergeasterdyk op kan worden gereden. De weg is ter plaatse afgesloten. Deze route is geblokkeerd met betonblokken en deze zullen niet worden verwijderd. Er komen twee fietsontsluitingswegen op de Wergeasterdyk. Dat is een doorgaande weg die ten behoeve van de verkeersveiligheid als fietsstraat wordt ingericht. Het is wel mogelijk linksaf te slaan op de Wergeasterdyk, maar daar zal alleen bestemmingsverkeer gebruik van maken. Deze weg is verder niet verbonden met andere grote wegen, waardoor deze niet als ontsluitingsweg zal worden gebruikt.

Gelet op deze toelichting van de raad, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat uit is gegaan van een onjuiste lengte van de lijnbron van het verkeer in de AERIUS-berekening.

Het betoog slaagt niet.

Cumulatie

15. It Fryske Gea en anderen betogen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatieve effecten van stikstofdepositie van het gehele nieuwbouwproject "De Zuidlanden".

15.1. Omdat uit het onderzoek is gebleken dat het bestemmingsplan geen gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden, hoeft de raad ook niet de cumulatieve gevolgen te beoordelen. Zie overweging 26.1 van de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960.

Het betoog slaagt niet.

Weidevogels

Weidevogelkansgebied

16. Dorpsbelang Goutum wijst erop dat De Hem en de Hounspolder in de Weidevogelnota 2021-2030 zijn aangemerkt als weidevogelkansgebied. Door het plan wordt extra verstoring toegestaan. Dat rijmt niet met deze aanduiding. De raad lijkt ervan uit te gaan dat deze aanduiding is vervallen door de komst van de Provinciale Omgevingsverordening. Deze verordening was echter nog niet in werking getreden ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan. Ook hecht de raad er ten onrechte waarde aan dat het plangebied in de Verordening Romte Fryslân 2014 niet is aangemerkt als weidevogelkansgebied. Dat dit is nagelaten in de verordening, is in strijd met de Vogelrichtlijn en de Wnb. Daarom kan de raad zich niet op deze verordening beroepen. Bovendien moet de raad zich ook zelf houden aan de Vogelrichtlijn. Dat volgt uit het Constanzo-arrest van het Hof van Justitie.

16.1. In bijlage V bij de Weidevogelnota is een kaart, getiteld "weidevogelkansgebieden en parels", gevoegd. Op deze kaart is De Hem aangemerkt als weidevogelkansgebied. Anders dan Dorpsbelang Goutum betoogt, volgt hieruit niet dat De Hem ook beschermd is als weidevogelkansgebied. De Weidevogelnota bevat het provinciale beleid over weidevogels, maar wijst geen gebieden aan als weidevogelkansgebied. Op pagina 8 van de Weidevogelnota staat namelijk dat de bescherming van de weidevogelkansgebieden is opgenomen in de Omgevingsverordening Fryslân 2022. De raad heeft toegelicht dat de kaart die in bijlage V van de Weidevogelnota is opgenomen, uit de ontwerp-Omgevingsverordening komt. De Hem is daarin abusievelijk als weidevogelkansgebied aangemerkt. In de vastgestelde definitieve Omgevingsverordening is deze omissie hersteld.

De Afdeling stelt vast dat om te beoordelen waar de op provinciaal niveau beschermde weidevogelkansgebieden liggen, moet worden gekeken naar de provinciale verordening. Het plan is op 21 juni 2023 vastgesteld. Op dat moment gold de Verordening Romte Fryslân 2014. In die verordening zijn De Hem en de Hounspolder niet aangemerkt als weidevogelkansgebied. Dorpsbelang Goutum heeft verder niet onderbouwd waarom die verordening of het handelen van de raad in strijd zouden zijn met de Vogelrichtlijn en de Wnb. De enkele stelling dat dit het geval zou zijn, is daartoe onvoldoende. Daarmee heeft Dorpsbelang Goutum immers geen aanknopingspunten aangereikt op grond waarvan de Afdeling zou moeten oordelen dat daarin een gebrek in het plan gelegen is.

Het betoog slaagt niet.

Compensatie

17. Dorpsbelang Goutum betoogt dat de raad in de toelichting bij het plan ten onrechte stelt dat het hele gebied "De Zuidlanden" al zou zijn gecompenseerd. Dorpsbelang Goutum wijst op figuur 2 van het ecologische onderzoek "Beoordeling van mogelijke opties voor aanvullende weidevogelcompensatie voor het woongebied Wiarda" van Altenburg & Wymenga van 15 mei 2012. Dit ecologische onderzoek is als bijlage 4 bij de plantoelichting gevoegd. Op figuur 2 is zichtbaar dat in totaal 49,1 ha aan weidevogelgebied moet worden gecompenseerd. Maar De Hem en de Hounspolder zijn slechts gedeeltelijk betrokken in die 49,1 ha. Bovendien blijkt uit recente tellingen van Dorpsbelang Goutum dat nauwelijks weidevogels in het compensatiegebied van 7,7 ha voorkomen. Dit blijkt ook uit de "Evaluatie weide-vogelcompensatie 2012-2022" van de provincie Friesland. Daarbij komt dat eigenlijk meer gebied had moeten worden gecompenseerd. Er is sprake van dubbeltellingen. Het compensatiegebied geldt zowel voor Wiarda als voor De Haak. Ook merkt Dorpsbelang Goutum op dat de compensatie al van ruim tien jaar geleden is. Desondanks blijven de aantallen weidevogels verder afnemen.

It Fryske Gea en anderen wijzen erop dat de discussie over de weidevogels in de Hounspolder al geruime tijd wordt gevoerd. In het kader van de ontwikkeling van het buurtschap "Wiarda" is ook al de vraag aan de orde gekomen of het verlies van weidevogelwaarden voldoende wordt gecompenseerd. Hierover heeft de Afdeling een tussenuitspraak gedaan op 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5118 en een einduitspraak op 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2012:BV5118. It Fryske Gea en anderen menen dat deze uitspraken inmiddels dusdanig lang geleden zijn, dat de raad onderzoek had moeten doen naar de effectiviteit van de compensatie voordat dit plan had mogen worden vastgesteld. It Fryske Gea en anderen voeren aan dat de raad de verantwoordelijkheid voor de feitelijke uitvoering van de compensatie ten onrechte afwentelt op de provincie. De raad is ook zelf gebonden aan de zorgplicht voor weidevogelwaarden. Voor zover de raad aan de hand van het rapport "Evaluatie weidevogelcompensatie 2014-2022" meent aan te tonen dat de compensatie voldoet, wijzen It Fryske Gea en anderen erop dat het evaluatierapport over heel Friesland gaat. Hierdoor is het te globaal om duidelijkheid te kunnen verschaffen over de compensatie die nu ter discussie wordt gesteld. Ter onderbouwing van het standpunt dat de compensatie niet voldoet, hebben It Fryske Gea en anderen de rapportage "Ecologische contra-expertise weidevogelbescherming De Hem & Hounspolder bij Goutum" van EcoNatura van 23 juni 2025 overgelegd. Hieruit blijkt dat de compensatie niet voldoet.

Ook [appellant sub 2] betoogt dat de raad er ten onrechte vanuit gaat dat de compensatie van weidevogelgebied is geregeld. De gemeente Leeuwarden heeft wellicht geld overgemaakt naar de provincie Friesland, maar dat geld is nog niet gebruikt voor de compensatie.

17.1. De raad heeft toegelicht dat de woningbouwplannen jaren geleden zijn gestart. Toentertijd is al onderkend dat het bouwen van de wijk "Zuidlanden" gevolgen zou hebben voor weidevogels. Op grond van het toen geldende Streekplan Fryslân 2007 moest het verlies aan potentieel weidevogelgebied worden gecompenseerd. Deze compensatie hield in dat een bedrag is betaald aan de provincie. Daarin is ook het plangebied van het bestemmingsplan "De Hem" betrokken. Door de bouw van de wijk en de daarmee samengaande verstorende werkzaamheden, heeft het gebied vervolgens zijn status als weidevogelgebied verloren. Daarom is het gebied in de Verordening Romte Fryslân 2014 en de daaropvolgende Omgevingsverordening niet meer als zodanig aangemerkt.

De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het vaststellen van het plan vanuit wettelijk oogpunt geen compensatieverplichting voor De Hem gold. Dat deze verplichting er in het verleden wel is geweest, zoals volgt uit de toelichting van de raad, betekent niet dat de raad het plan alleen vast had kunnen stellen als wordt aangetoond dat aan de compensatieverplichting uit het verleden is voldaan. De Afdeling ziet daar geen juridische grondslag voor. Dat betekent dat wat appellanten hierover hebben aangevoerd, niet kan leiden tot het oordeel dat het plan gebrekkig is.

De betogen slagen niet.

Bufferzone

18. Dorpsbelang Goutum betoogt dat de in het plan opgenomen bufferzone te klein is. De raad heeft in 2018 en 2021 moties aangenomen waarin is afgesproken dat de inrichting van de bufferzone maximaal moet zijn afgestemd op de weidevogels in de Hounspolder. De in het plan opgenomen bufferzone is veel te klein. Daarbij wijst Dorpsbelang Goutum op het rapport "Weidevogeladvies Polder De Houn in relatie tot woningbouw in buurtschap De Hem" van Altenburg & Wymenga van 7 mei 2020 (hierna: het weidevogeladvies van 7 mei 2020). Ook is niet geborgd dat de gronden met de bestemming "Groen" daadwerkelijk als bufferzone worden ingericht.

It Fryske Gea en anderen betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de actuele aanwezigheid van weidevogels in het plangebied en de Hounspolder. Ter onderbouwing van dit standpunt wijzen It Fryske Gea en anderen op het rapport van EcoNatura van 23 juni 2025. Uit dit rapport blijkt dat zowel in het plangebied als in de Hounspolder nog weidevogels voorkomen en broeden. Om deze weidevogels te beschermen, had de raad een buffer van 300 m in het plan op moeten nemen tussen de nieuwe woningen en de Hounspolder, aldus het rapport.

[appellant sub 2] wijst erop dat zo’n 1,8 ha grond in De Hem, dat bedoeld is als overgangszone, is vervuild met baggerspecie uit de Wirdumervaart. De bufferzone is daarom niet geschikt als leefgebied voor de weidevogels.

18.1. In paragraaf 4.6.2 van de plantoelichting wordt de naast het plangebied gelegen Hounspolder besproken. De Hounspolder is op zichzelf niet effectief als weidevogelgebied. Het is te klein en de verstoringen in de directe omgeving zijn te groot. Maar de Hounspolder is wel van belang voor weidevogels. Altenburg & Wymenga, die voor het plan twee ecologische quickscans hebben uitgevoerd, hebben daarom geadviseerd een zone aan te houden tussen de nieuwe woningen en de Hounspolder. Deze zone zou het beste kunnen worden ingericht als plasdraszone met kruidenrijk grasland. Ook wordt geadviseerd geen bomen, bosschages en riet aan te planten en de toegankelijkheid te beperken.

Dit advies heeft ertoe geleid dat op de verbeelding van het plan een strook grond die tussen de bestemming "Woongebied" en de Hounspolder is gelegen, de bestemming "Groen" heeft gekregen. De breedte van deze strook varieert tussen de 60 en 100 m. Een smaller deel van deze strook heeft daarnaast de functieaanduiding "specifieke vorm van groen uitgesloten - opgaande beplanting". Deze strook is zo’n 40 tot 80 m breed.

18.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onvoldoende gemotiveerd dat de toekomstige woningen en de weidevogels op deze manier naast elkaar kunnen bestaan. De Afdeling weegt hier mee dat de strook met de bestemming "Groen" aanmerkelijk smaller is dan wordt geadviseerd. In zowel het weidevogeladvies van 7 mei 2020 als het rapport van EcoNatura wordt een bredere afstand geadviseerd. Pas bij een breedte van 300 m zouden verstorende effecten volledig zijn uitgesloten. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat hij een afweging heeft moeten maken tussen woningbouw en de weidevogels. Een strook van 300 m was niet uitvoerbaar. Dat standpunt acht de Afdeling op zich niet onaannemelijk. Desondanks blijkt uit deze afweging onvoldoende welke gevolgen de keuze voor een smallere bufferzone heeft voor de weidevogels in de Hounspolder. Daarom heeft de raad zijn keuze voor een smallere bufferzone onvoldoende onderbouwd. Daarnaast blijkt uit de plantoelichting en de daarin besproken onderzoeken dat de inrichting van de bufferzone ook zeer van belang is. Er worden bepaalde voorwaarden aan de inrichting van de bufferzone gesteld die ervoor zorgen dat de zone een beschermende werking heeft voor de weidevogels. De raad heeft toegelicht dat er wel al een inrichtingsplan beschikbaar is. Dorpsbelang Goutum wijst er echter terecht op dat in het plan niet is geborgd dat de bufferzone ook volgens dat inrichtingsplan wordt ingericht. Naar het oordeel van de Afdeling is het besluit in zoverre niet zorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

18.3. [appellant sub 2] heeft erop gewezen dat de gronden die worden ingericht als bufferzone vervuild zijn. Naar het oordeel van de Afdeling levert dat geen gebrek op in het plan. De raad heeft opgemerkt niet bekend te zijn met eventuele vervuiling van de gronden en [appellant sub 2] heeft dit verder ook niet onderbouwd. Daarnaast heeft de raad toegezegd de gronden, indien nodig, te saneren.

Het betoog slaagt niet.

Water

Kaderrichtlijn Water

19. It Fryske Gea en anderen betogen dat de raad bij het vaststellen van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de Kaderrichtlijn Water en de daaruit volgende nationale regelgeving. De raad had onderzoek moeten doen naar de waterkwaliteit. Ook had de raad inzicht moeten verschaffen in de mate waarin de waterkwaliteit in het plangebied voldoet aan de normen van de Kaderrichtlijn Water.

19.1. Zoals onder 1 is overwogen, is op deze procedure het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. De Afdeling heeft in dat kader onder 12.3 van de uitspraak van 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3316, eerder overwogen dat de bescherming en verbetering van de chemische- en ecologische kwaliteit van watersystemen in Nederland is ondergebracht in de Waterwet. Op grond hiervan zijn - kort samengevat - bepaalde activiteiten in watersystemen waarvoor de minister het bevoegd gezag is, vergunningplichtig. Daarnaast biedt deze wet, gelezen in samenhang met de Waterschapswet, de mogelijkheid voor watersystemen, waarvoor de waterschappen verantwoordelijk zijn, om zaken te regelen via de Keur. Hierin staan regels die een waterschap hanteert ter voorkoming en, waar nodig, beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met de bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan verplicht het Besluit ruimtelijke ordening tot het doorlopen van een watertoetsproces met als doel te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke besluiten. Voor zover het plan daarnaast activiteiten mogelijk maakt waarvoor een watervergunning moet worden aangevraagd, kan dat aspect aan de orde komen in het kader van de vraag of het bestemmingsplan in zoverre uitvoerbaar is.

19.2. De Afdeling stelt vast dat het betoog van It Fryske Gea en anderen niet inhoudt dat de Kaderrichtlijn Water niet of niet juist is geïmplementeerd in de Waterwet. De Afdeling ziet in wat zij hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding om te onderzoeken of aan de bepalingen van de Kaderrichtlijn Water rechtstreekse werking toekomt. De Afdeling bespreekt deze beroepsgrond daarom aan de hand van het onder 19.1 besproken kader.

19.3. In paragraaf 4.10 van de plantoelichting wordt aandacht besteed aan het aspect "water". Hierin staat dat voor het bestemmingsplan een watertoets is gedaan. Verder staat in de plantoelichting dat is bekeken welke invloed het plan heeft op de waterhuishouding. Daarbij wordt verwezen naar het rapport "Waterparagraaf De Hem, Goutum" van Aeres milieu van 7 juni 2021. Dit rapport is als bijlage 9 bij de plantoelichting gevoegd.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het vaststellen van het plan onvoldoende aandacht heeft gehad voor waterkwaliteit. In het rapport zijn de mogelijke gevolgen van het plan voor watersystemen bekeken. Daarbij is aandacht besteed aan grond-, oppervlakte-, afval-, en hemelwater. Zowel in de plantoelichting als in het rapport staat verder dat er een gescheiden rioolstelsel komt. Op die manier wordt het vervuilde water dat afkomstig is van de nieuwe woningen, gescheiden gehouden van hemelwater. Het vervuilde water wordt ook niet geloosd op oppervlaktewateren, maar wordt geleid naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee voldoende onderzocht en gemotiveerd dat het plan niet leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van de in het in het plangebied aanwezige oppervlaktewateren.

Het betoog slaagt niet.

Waterhuishouding

20. It Fryske Gea en anderen betogen dat het plan onvoldoende borgt dat het plangebied geen last krijgt van wateroverlast. In het rapport van Aeres milieu van 7 juni 2021 wordt het realiseren van een kruipruimte in de nieuwe woningen afgeraden. In het plan is die mogelijkheid echter niet uitgesloten. Verder is in het rapport van Aeres milieu het uitgangspunt gehanteerd dat maximaal 80% van de woonkavels verhard wordt. Ook dat is niet geborgd in het plan. Verder staat in het rapport van Aeres milieu dat de netto hoeveelheid oppervlaktewater zal toenemen met zo’n 10.150 m² en dat een natte groene zone van zo’n 22.170 m² wordt gecreëerd tussen de Wurdumerfeart en de woningen. Dit is niet vastgelegd op de verbeelding en in de planregels. Verder wijzen It Fryske Gea en anderen erop dat het Wetterskip Fryslân stelt dat compensatie voor de verharding moet worden gerealiseerd, maar ook dat is niet geborgd in het plan. Dorpsbelang Goutum betoogt dat ten onrechte niet in de planregels is geborgd dat de toename van het verhard oppervlak wordt gecompenseerd. Daarbij wijst zij op de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:732.

Tot slot merken It Fryske Gea en anderen op dat er geen watervergunning is.

20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het met het oog op een goede ruimtelijke ordening niet nodig is de punten die appellanten noemen te borgen in het plan. In het Bouwbesluit staan namelijk al bouwtechnische eisen die zien op het voorkomen van vochtoverlast, waardoor er in het bestemmingsplan geen regeling hoeft te worden opgenomen die gaat over het al dan niet realiseren van een kruipruimte bij de nieuwe woningen.

De raad acht het verder niet nodig in het bestemmingsplan te borgen dat de verharding wordt gecompenseerd. Om te voorkomen dat een watervergunning moet worden aangevraagd vanwege de verharding van de gronden, moet er worden gecompenseerd. Hoeveel er daadwerkelijk moet worden gecompenseerd, wordt echter pas duidelijk bij de uiteindelijke invulling van het plan. De raad heeft verder toegelicht dat er wel rekening is gehouden met de compensatieverplichting. Binnen het hele plangebied is het mogelijk water te realiseren. Op die manier is geborgd dat binnen het plangebied voldoende ruimte is om aan de compensatieverplichting te voldoen.

20.2. Gelet op deze toelichting van de raad, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op het aspect waterhuishouding een gebrek bevat. Met hun betoog over de kruipruimte komen It Fryske Gea en anderen op voor de belangen van de nieuwe bewoners, die immers geconfronteerd zouden kunnen worden met vochtproblemen in hun kruipruimte. Nu It Fryske Gea en anderen niet opkomen voor hun eigen belangen, staat artikel 8:69a van de Awb in de weg aan een inhoudelijke behandeling van deze grond.

20.3. De raad heeft er naar het oordeel van de Afdeling, gelet op de onder 20.1 beschreven toelichting, voor kunnen kiezen in de planregels niet te borgen dat de verharding wordt gecompenseerd. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2022 geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Dat het in die zaak wel noodzakelijk werd geacht een en ander te borgen in het bestemmingsplan, komt omdat daar de te treffen maatregelen noodzakelijk waren om het plan ruimtelijk aanvaardbaar te achten. Dat is een andere situatie dan in deze zaak, waar de raad zich immers op het standpunt stelt dat het niet nodig is om de compensatie voor verharding te borgen om het bestemmingsplan ruimtelijk aanvaardbaar te kunnen achten. Dat de verharding moet worden gecompenseerd, volgt in dit geval uit de watertoets. Hoeveel compensatie uiteindelijk nodig is, staat nog niet vast, maar de raad heeft onweersproken gesteld dat de compensatie in het hele plangebied mogelijk is.

Dat er geen watervergunning is verleend, geeft ook geen aanleiding voor het oordeel dat een gebrek kleeft aan het bestemmingsplan. Zoals onder 19.1 al aan de orde is gekomen, kan de vraag of een watervergunning benodigd is aan de orde komen bij de vraag of een bestemmingsplan uitvoerbaar is. De enkele stelling van It Fryske Gea en anderen dat er geen watervergunning is verleend, geeft geen aanleiding het bestemmingsplan gebrekkig te achten. Het is niet nodig dat er al een watervergunning is verleend voordat het bestemmingsplan kan worden vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Milieueffectrapport (MER)

MER Zuidlanden

21. [appellant sub 2] betoogt dat verschillende gebreken kleven aan het MER dat voor het hele gebied "Zuidlanden" is opgesteld. Ten eerste is het MER te oud. Ten tweede is de ontwikkeling ten onrechte in delen opgeknipt zodat de MER niet van toepassing zou worden. Ten derde zijn in het deelplan Techum ruim 625 woningen gebouwd, terwijl de afspraak was dat daar maar 350 woningen zouden worden gebouwd.

21.1. Zoals in de inleiding al aan de orde is gekomen, maakt het bestemmingsplan onderdeel uit van het woningbouwproject "De Zuidlanden". In 2006 is een MER opgesteld voor het gehele gebied Zuidlanden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie overweging 2.3.5 van de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8871 en overweging 2.4.1 van de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5118, moeten de in rechte onaantastbare vrijstellingen van 17 oktober 2006 voor de bouw van woningen en het bouwrijp maken van een deel van het deelgebied Techum worden aangemerkt als het eerste besluit waaraan de verplichting tot het maken van het MER ten behoeve van het project De Zuidlanden is gekoppeld. Het bestemmingsplan dat hier aan de orde is, kan dus niet worden aangemerkt als het eerste besluit dat voorziet in een deel van de activiteit waarvoor een MER verplicht is. Dat betekent dat wat [appellant sub 2] inhoudelijk heeft aangevoerd over het MER, niet in deze procedure aan de orde kan komen.

Het betoog slaagt niet.

M.e.r.-beoordeling: stikstofemissies onderschat

22. It Fryske Gea en anderen betogen dat ten onrechte geen MER is opgesteld. Er treden namelijk wel relevante stikstofemissies op.

22.1. In paragraaf 4.12.2 van de plantoelichting staat dat er een vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgesteld. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is als bijlage 19 bij de plantoelichting gevoegd. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling staat dat uit het onderzoek naar stikstofdepositie is gebleken dat significante effecten op de Natura 2000-gebieden in de omgeving zijn uitgesloten. Zoals onder 13 t/m 14.6 is overwogen, heeft de Afdeling naar aanleiding van de beroepsgronden geen gebreken in het verrichte stikstofonderzoek vastgesteld. De Afdeling ziet dan ook niet in waarom in de m.e.r.-beoordeling niet het uitgangspunt kan worden gehanteerd dat significante gevolgen op de Natura 2000-gebieden in de omgeving zijn uitgesloten.

Het betoog slaagt niet.

M.e.r.-beoordeling: criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn

23. Dorpsbelang Goutum betoogt dat het plan in strijd met paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer is vastgesteld. Er ontbreekt een toereikende integrale beoordeling van de mogelijke nadelige gevolgen van het project voor het milieu in relatie tot de criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. De vormvrije m.e.r.-beoordeling uit paragraaf 4.12.3 van de plantoelichting voldoet niet. Dorpsbelang Goutum wijst hierbij op overweging 7.5 van de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1372. Bovendien kan, gelet op wat is aangevoerd over weidevogels, stikstof en water, niet worden gesteld dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen op (kunnen) treden.

23.1. In de uitspraak van 5 april 2023 staat dat de raad bij de integrale beoordeling naar de mogelijk nadelige milieugevolgen van het project rekening moet houden met de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. In de motivering van het m.e.r.-beoordelingsbesluit moet de raad ook verwijzen naar deze relevante criteria. De raad heeft toegelicht dat deze motivering in dit geval is te vinden in de Aanmeldingsnotitie "Bestemmingsplan "Leeuwarden - De Zuidlanden, plandeel de Hem"" van BRO van 16 mei 2023. Deze aanmeldingsnotitie is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. De Afdeling stelt vast dat in hoofdstuk 2 van de aanmeldingsnotitie staat dat wordt getoetst of op basis van de criteria die zijn genoemd in bijlage III van de m.e.r.-richtlijn een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Vervolgens is in hoofdstuk 2 ook daadwerkelijk getoetst aan deze criteria. Dat betekent dat deze zaak niet vergelijkbaar is met de uitspraak waar Dorpsbelang Goutum op wijst. In overweging 7.5 van die uitspraak heeft de Afdeling namelijk overwogen dat het niet duidelijk is of de criteria uit bijlage III bij de beoordeling of een MER moet worden opgesteld, zijn betrokken. Deze onduidelijkheid speelt niet in deze zaak, gelet op de aanmeldingsnotitie.

23.2. Voor zover Dorpsbelang Goutum heeft gewezen op stikstof en water, merkt de Afdeling op dat uit bovenstaande overwegingen volgt dat die beroepsgronden geen mogelijke nadelige gevolgen van het project voor het milieu aan het licht hebben gebracht. Over weidevogels merkt de Afdeling op dat in de aanmeldingsnotitie staat dat de bufferzone is betrokken bij de beoordeling van de kenmerken van het potentiële effect van het plan. Gelet op het onder 18.2 geconstateerde gebrek, kan de Afdeling op dit moment nog geen oordeel geven over de door de raad getrokken conclusie dat kan worden uitgesloten dat het plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Waar dit toe leidt zal de Afdeling hierna onder 34 bespreken.

Verkeer

Maximale planologische mogelijkheden

24. Dorpsbelang Goutum betoogt dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar verkeer. Er is niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt. Ook is niet onderzocht of de Wergeasterdyk het verkeer aankan.

24.1. In paragraaf 4.1 van de plantoelichting staat dat de verkeersgeneratie voor het plangebied is berekend volgens de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". Daarbij wordt uitgegaan van de maximale kencijfers. Er is berekend dat de nieuwe woningen ongeveer 2.911 motorvoertuig-bewegingen per etmaal genereren voor een gemiddelde weekdag.

24.2. De Afdeling stelt aan de hand van tabel 4.1 vast dat bij de berekening van de verkeersgeneratie uit is gegaan van een bepaalde verdeling van de woningtypen. Er is bijvoorbeeld gerekend met 20 middenhuurwoningen en 90 middenkoopwoningen. Het bestemmingsplan schrijft echter niet voor welke typen woningen er moeten worden gerealiseerd. Dat betekent dat het plan er niet aan in de weg staat dat alle 395 woningen het woningtype met de hoogste verkeersgeneratie worden. Dat is het woningtype "Exclusieve koop". Daar is in de berekening niet vanuit gegaan. In zoverre wijst Dorpsbelang Goutum er terecht op dat de raad bij de berekening van de verkeersgeneratie niet uit is gegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Dat levert naar het oordeel van de Afdeling echter geen gebrek op. Onder omstandigheden mag worden gekozen voor een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat alle nieuw te bouwen woningen binnen het woningtype "Exclusieve koop" zullen vallen. Daarom heeft de raad ervoor kunnen kiezen de verkeersgeneratie te bepalen aan de hand van een representatieve invulling van het toekomstige woningaanbod.

Zoals ook onder 14.6 is besproken, heeft de raad over de Weargasterdyk toegelicht dat die weg niet als ontsluitingsweg voor autoverkeer zal worden gebruikt, maar als fietsstraat. Sudertrimdielsdyk wordt de ontsluitingsweg voor autoverkeer.

Het betoog slaagt niet.

Fietsontsluiting

25. [appellant sub 2] betoogt dat de raad er ten onrechte voor heeft gekozen vanuit De Hem twee fietsontsluitingen mogelijk te maken op de Wergeasterdyk. Gelet op het al drukke verkeer, veroorzaakt dit een gevaarlijke situatie.

25.1. De raad heeft toegelicht dat geen verkeersonveilige situatie zal ontstaan door het plan. Het plan biedt de mogelijkheid om verschillende fietsroutes aan te leggen. Daardoor wordt het aantal fietsers gespreid. Dat op enig moment fietsers op een weg uit zullen komen waar ook andere soorten weggebruikers gebruik van maken, maakt niet dat sprake is van een verkeersonveilige situatie.

Gelet op deze toelichting van de raad, ziet de Afdeling geen aanleiding op dit punt een gebrek in het plan vast te stellen.

Het betoog slaagt niet.

Woongenot

26. [appellant sub 2] betoogt dat het plan zijn woongenot onaanvaardbaar aantast. Er zijn al veel woningen gebouwd in de Zuidlanden, wat zijn woongenot al aanzienlijk heeft beperkt. Het nu voorliggend plan maakt dit alleen maar erger. [appellant sub 2] vreest geen rust meer te hebben door alle fietsers, wandelaars, hondenbezitters en het verkeer dat ontstaat door bezoekers van het crematorium en uitvaartcentrum "DELA Middelzee". Ook verdwijnt het zicht op de kerk in Goutum.

26.1. De raad erkent dat de woonsituatie van [appellant sub 2] door het plan verandert. De komst van meer woningen leidt ertoe dat het drukker zal worden in zijn omgeving. De raad stelt zich op het standpunt dat deze drukte niet zodanig zal zijn dat dit leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2]. Over het zicht op de kerk heeft de raad toegelicht dat de nieuwe woningen niet in de zichtlijn mogen worden gebouwd.

26.2. De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure het bestemmingsplan "Leeuwarden - De Zuidlanden, plandeel De Hem" voorligt. Dat betekent dat geen oordeel kan worden gegeven over andere plannen in Zuidlanden of over het crematorium en uitvaartcentrum.

Gelet op de toelichting van de raad ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het plan geen onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] veroorzaakt.

Het betoog slaagt niet.

Strijd met het gelijkheidsbeginsel

27. [appellant sub 2] betoogt dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. Zijn aanvraag om vier levensloopwoningen te bouwen is afgewezen omdat dat het landschap zou verstoren. Vervolgens is wel het bestreden bestemmingsplan vastgesteld.

27.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van gelijke gevallen. De locatie waar [appellant sub 2] woningen wil bouwen, ligt in de buurt van het plangebied, maar het is niet dezelfde locatie. Het verzoek van [appellant sub 2] is op haar eigen merites beoordeeld. Tot nu toe zijn de plannen nog niet stedenbouwkundig wenselijk bevonden. [appellant sub 2] heeft nog geen omgevingsvergunning aangevraagd en ook geen verzoek gedaan om ten behoeve van zijn initiatief het bestemmingsplan (nu: het omgevingsplan) te wijzigen.

Naar het oordeel van de Afdeling is, gelet op de toelichting van de raad, geen sprake van gelijke gevallen. Daardoor kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

Het betoog slaagt niet.

Uitvoerbaarheid

Soortenbescherming

Borging voorwaarden

28. It Fryske Gea en anderen wijzen erop dat het rapport "Bezoekverslag Leeuwarden, De Hem" van JM Ecologie van 21 maart 2023, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, bepaalde omstandigheden als uitgangspunt neemt. Zo staat in het rapport dat in het inrichtingsplan voorwaarden worden opgenomen om lichtverstoring voor de meervleermuis en watervleermuis te voorkomen. Ook staat in het rapport dat werkzaamheden in de watergangen moeten worden uitgevoerd tussen september en februari en niet bij vorst of temperaturen hoger dan 25 graden. Sterfte onder amfibieën en vissen kan dan namelijk hoger zijn. It Fryske Gea en anderen stellen dat navolging van die voorwaarden niet is geborgd in het plan. Daarom hadden deze omstandigheden ook niet als uitgangspunt in het rapport mogen worden genomen.

Dorpsbelang Goutum betoogt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van negatieve effecten op vleermuizen. Vleermuizen kunnen worden gehinderd op hun vliegroute door licht. De raad stelt weliswaar dat dit is uitgesloten door in de buurt van de Wirdumervaart bebouwing hoger dan drie meter niet toe te staan, maar ook bebouwing tot drie meter kan lichthinder veroorzaken.

[appellant sub 2] betoogt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van het plan voor in het plangebied aanwezige beschermde diersoorten. [appellant sub 2] wijst op de aanwezigheid van vleermuizen, onder meer in de kerk, weidevogels en boerenzwaluwen.

28.1. In paragraaf 4.6 van de plantoelichting staat dat er twee quickscans zijn uitgevoerd door Altenburg & Wymenga. Vervolgens heeft JM Ecologie in februari 2023 geïnventariseerd of de quickscans nog actueel zijn. De bevindingen van JM Ecologie staan in het rapport "Bezoekverslag Leeuwarden, De Hem" van JM Ecologie van 21 maart 2023.

Over soortenbescherming staat verder in de plantoelichting dat ten aanzien van vissen en amfibieën de zorgplicht in acht moet worden genomen. Daarom wordt geadviseerd om bij dempen zo veel mogelijk te werken in een rustig tempo en richting een open einde van een waterloop, zodat dieren de mogelijkheid krijgen om te ontsnappen. Daarnaast wordt geadviseerd om niet te dempen in de periode van het voortplantingsseizoen en gedurende perioden van vorst in het winterseizoen. Het voortplantingsseizoen van vissen en amfibieën loopt van maart t/m augustus.

Ten aanzien van vogels wordt verder opgemerkt dat geen conflict met de Wnb zal ontstaan, als het verstoren van broedende vogels en hun nesten wordt voorkomen.

Over de meervleermuis en de watervleermuis staat in de plantoelichting dat de Wurdumerfeart mogelijk dienstdoet als vliegroute. Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring. Mede om te voorkomen dat de Wurdumerfeart wordt verstoord door licht, is er aan de oostzijde, tussen het beoogde woongebied en de Wurdumerfeart, een brede strook bestemd voor groen. Deze bestemming voorkomt dat in de nabijheid van de Wurdumerfeart bebouwing hoger dan drie meter is toegestaan. Lichthinder is hiermee dan ook uitgesloten. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten op vliegroutes van vleermuizen, aldus de plantoelichting.

28.2. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voldoende gemotiveerd dat het wettelijke soortenbeschermingsregime niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. It Fryske Gea en anderen wijzen er terecht op dat in het rapport van JM Ecologie enkele maatregelen worden genoemd. Omdat dit grotendeels gaat om maatregelen die kunnen worden genomen in de uitvoeringsfase, ziet de Afdeling geen reden dat de raad dit had moeten borgen in het bestemmingsplan. De Afdeling stelt verder vast dat in geen van de ecologische onderzoeken de aanwezigheid van een (boeren)zwaluw wordt genoemd. Tot slot ziet de Afdeling ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met vleermuizen, waarmee dat op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De Afdeling betrekt daarbij dat de raad op de zitting heeft toegelicht dat de bestemming "Groen" juist is gekozen om het hinderen van vleermuizen te voorkomen en dat hij zich bij de invulling van die gronden daar dan ook de rekenschap van zal geven. Daarnaast heeft de raad op de zitting toegelicht dat hij eigenaar is van deze gronden, zodat hij in de fase waarin het plan wordt uitgevoerd de benodigde maatregelen kan en zal treffen om bij de uiteindelijke uitvoering eventuele nadelige effecten te voorkomen, zoals het uitsluitend naar beneden richten van de lichtbundels en het aanpassen van de kleur van het licht.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog slaagt niet.

Didamarrest

29. [appellant sub 2] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met het arrest van 26 november 2021 van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2021:1778 (Didam). Bij de overdracht van agrarische gronden in 2008 van de toenmalige eigenaar Interheem aan de gemeente, is bedongen dat Interheem 140 bouwrijpe kavels terugkrijgt. Daarnaast is niet duidelijk of de geplande sociale huurwoningen aan meerdere woningbouwverenigingen zijn aangeboden of alleen aan WoonFriesland.

29.1. In het Didamarrest heeft de Hoge Raad overwogen dat uit het gelijkheidsbeginsel voortvloeit dat:

"[E]en overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn. In dat geval zal het overheidslichaam met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte criteria moeten opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Deze criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn. Het gelijkheidsbeginsel brengt ook mee dat het overheidslichaam, teneinde gelijke kansen te realiseren, een passende mate van openbaarheid moet verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen."

29.2. In het Didam II-arrest van 5 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661, heeft de Hoge Raad onder 3.1.2 overwogen dat de Didam-regels ook van toepassing zijn op handelen van een overheidslichaam dat heeft plaatsgevonden voorafgaande aan het Didam-arrest. Verder heeft de Hoge Raad onder 3.2.3 van het Didam II-arrest overwogen dat de Didam-regels zijn gebaseerd op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De Didam-regels hebben niet de strekking om de geldigheid van daarmee strijdige rechtshandelingen met nietigheid of vernietigbaarheid te treffen. Een koopovereenkomst die in strijd met de Didam-regels is gesloten, is dan ook niet op die grond nietig of vernietigbaar. Onder 3.4.2 heeft de Hoge Raad overwogen dat een overheidslichaam dat in strijd met de Didam-regels overgaat tot verkoop van een onroerende zaak, in beginsel onrechtmatig handelt jegens een (potentiële) gegadigde die bij die verkoop ten onrechte geen gelijke kans heeft gekregen. Dat overheidslichaam kan op die grond schadeplichtig zijn jegens de gegadigde. Verder heeft de Hoge Raad overwogen dat zolang er geen overeenkomst is gesloten die het overheidslichaam verplicht tot levering of zolang de levering aan een ander nog niet heeft plaatsgevonden, onder omstandigheden ook aanleiding kan bestaan om op vordering van de gegadigde het overheidslichaam op die grond te verbieden om tot verkoop of tot levering aan een ander over te gaan.

29.3. Daargelaten of uit wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd zonder meer kan worden geconcludeerd dat niet aan de Didam-regels is voldaan, betekenen de onder 29.2 genoemde mogelijke gevolgen niet op voorhand dat het plan als zodanig niet uitvoerbaar is. Wat betreft een eventueel verbod om tot levering van de gronden over te gaan, is van belang dat een bestemmingplan niet regelt door welke gegadigde het plan moet worden uitgevoerd. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad redelijkerwijs op voorhand had moeten inzien dat het bestemmingplan niet kan worden uitgevoerd.

Het betoog slaagt niet.

Planschade

30. [appellant sub 2] betoogt dat hij recht heeft op planschade.

30.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 2] betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

Einduitspraak

31. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Voor hem is deze uitspraak een einduitspraak.

32. De raad hoeft geen proceskosten van [appellant sub 2] te vergoeden.

Tussenuitspraak

33. Op grond van artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

34. Met het oog op een finale geschilbeslechting zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak het hierboven onder 18.2 vermelde gebrek in het besluit van 21 juni 2023 te herstellen. De raad kan dat doen door alsnog te onderzoeken en te motiveren of de gronden die de bestemming "Groen" hebben gekregen en als bufferzone dienen tussen de toekomstige woningen en het gebied waar weidevogels leven, voldoende breed is om als bufferzone dienst te kunnen doen, dan wel, als de raad dat nodig acht, de verbeelding en/of de regels van het plan aan te passen. Ook moet de raad onderzoeken en motiveren of het nodig is de inrichting van het gebied te borgen in de regels van het plan, dan wel, als de raad dat nodig acht, de verbeelding en/of de regels van het plan dienaangaande aan te passen. De Afdeling wijst er verder op dat uit overweging 23.2 volgt dat de raad de conclusie dat het plan geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu aan de hand van de wijze waarop de lusopdracht wordt uitgevoerd dient te heroverwegen en nader dient te motiveren.

35. De raad moet de Afdeling en Dorpsbelang Goutum en It Fryske Gea en anderen de uitkomst meedelen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

36. In de einduitspraak wordt voor Dorpsbelang Goutum en It Fryske Gea en anderen beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

II. draagt de raad van de gemeente Leeuwarden op;

- binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van wat onder 34 is overwogen, de gebreken in het besluit van 21 juni 2023 te herstellen;

- de Afdeling, Dorpsbelang Goutum, en It Fryske Gea en anderen de uitkomst mee te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Perlot, griffier.

w.g. Knol

voorzitter

w.g. Perlot

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

952

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3.11:

"1 Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage, met uitzondering van stukken waarvoor bij wettelijk voorschrift mededeling op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze is voorgeschreven.

2 Artikel 5.1 van de Wet open overheid is van overeenkomstige toepassing. Indien op grond daarvan bepaalde stukken niet ter inzage worden gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.

3 De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn."

Artikel 8:1:

"Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."

Artikel 8:51d:

"Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde lid, en 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d, zijn van toepassing."

Artikel 8:69a:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 3.1.6, tweede lid:

" De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

Bouwbesluit 2012

Artikel 3.21:

"1 Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

2 Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het kunnen binnendringen van vocht in het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

3 Een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, voor zover die scheidingsconstructie niet grenst aan een ander verblijfsgebied, een andere toiletruimte of een andere badruimte, is, bepaald volgens NEN 2778, waterdicht.

4 Een constructie die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied, een toiletruimte of een badruimte, en een kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op de specifieke luchtvolumestroom naar het verblijfsgebied, de toiletruimte of de badruimte, heeft een volgens NEN 2690 bepaalde, specifieke luchtvolumestroom van ten hoogste 20.10-6 m3 /(m².s)."

Verordening Romte Fryslân 2014

Artikel 3.1.1:

"1. Een ruimtelijk plan kan mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft.

2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een woningbouwproject bevatten dat niet is opgenomen in een woonplan, indien:

a. het woningbouwproject niet meer dan 3 woningen bevat dan wel, voor zover gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, niet meer dan 11 woningen bevat, en

b. in de plantoelichting is gemotiveerd dat en op welke wijze overschrijding van het woningbouwprogramma van het woonplan kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten."

Artikel 1.103:

"een door de gemeenteraad vastgesteld, gemeentelijk dan wel intergemeentelijk plan waarin de behoefte, fasering, aanleg, aantallen woningen en kwaliteit van woningen van woningbouwlocaties voor een bepaalde periode binnen de gemeente of meerdere gemeenten is aangegeven inclusief de relatie met herstructurering van de bestaande woningvoorraad, dat - met uitzondering van de Waddeneilanden - tot stand is gekomen in onderlinge afstemming met gemeenten in de woningbouwregio."

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand