202602162/1/A2.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de HZ University of Applied Sciences (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 12 maart 2026 heeft de examencommissie het verzoek van [appellant] om te mogen deelnemen aan de graduation internschip afgewezen.
Bij beslissing van 4 juni 2026 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 september 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. C. Bijlsma, H. Moelker en D. van der Staal, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] volgt de bacheloropleiding International Business aan de HZ University of Applied Sciences (HZ). In het derde studiejaar van deze bacheloropleiding moet in het buitenland een minor met een studielast van 30 ECTS worden gevolgd. Het was de bedoeling van [appellant] om vanaf september 2024 een minor te volgen aan CTU Prague. Vanwege een storm is zijn geplande vlucht naar Praag geannuleerd. [appellant] is ook daarna niet afgereisd naar Praag en hij heeft de minor niet gevolgd.
2. Om aan de graduation internship in het vierde studiejaar van de bacheloropleiding te beginnen, moet de minor uit het derde studiejaar zijn afgerond. [appellant] heeft de examencommissie verzocht om de graduation internship te mogen starten, ondanks dat hij de minor niet heeft afgerond. Hij heeft daarbij een beroep gedaan op de hardheidsclausule. De toepassing van de instroomvoorwaarden voor de graduation internship leidt volgens [appellant] in zijn geval tot onevenredige studievertraging.
3. De examencommissie heeft het verzoek van [appellant] afgewezen, omdat hij niet aan de voorwaarden heeft voldaan om aan de graduation internship te mogen starten. Het CBE heeft de afwijzing van het gehandhaafd. Volgens het CBE is de situatie van [appellant] geen uitzonderlijke situatie in de zin van de hardheidsclausule. Daarbij is relevant dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij in studiejaar 2024-2025 door handelen van de HZ niet aan de minor heeft kunnen deelnemen.
Beroep en de beoordeling daarvan
4. [appellant] betoogt dat het CBE ten onrechte heeft geconcludeerd dat toepassing van de instroomvoorwaarden voor de graduation internship in zijn geval niet onevenredig is. Het CBE heeft de oorzaak van zijn studievertraging onvoldoende meegewogen. Het is aan de HZ te wijten dat hij in 2024 zijn minor in Praag niet succesvol heeft kunnen afronden. De CTU Prague was een nieuwe partnerinstelling. De HZ heeft hem onvoldoende begeleid en onvoldoende informatie verschaft over het studieprogramma aan CTU Prague. Daardoor was het voor hem onzeker of hij wel een volledig studieprogramma kon samenstellen. Daarbij komt dat de gevolgen van de studievertraging voor hem financieel significant zijn, aldus [appellant].
4.1. Het CBE heeft toegelicht dat een student aan een aantal voorwaarden moet voldoen om aan de afstudeerfase van de opleiding te mogen beginnen. Dit staat in artikel 2.2.11 van de uitvoeringsregeling voor de bachelor International Business 2025-2026. Eén van de voorwaarden is dat de student de studielast van 60 ECTS van het derde studiejaar heeft behaald. Dit betekent dat een student de minor die hij in het derde jaar moet volgen succesvol moet hebben afgerond.
In artikel 9.1 van het Onderwijs- en Examenreglement voltijd 2025-2026 (OER) is bepaald dat als de toepassing van deze OER en de uitvoeringsregelingen zou leiden tot een onbillijkheid van zwaarwegende aard, of tot situaties die niet in deze regelingen zijn voorzien, dit door een belanghebbende schriftelijk aan het bestuur of (als dat tot haar bevoegdheid behoort) de examencommissie kan worden voorgelegd. Het moet gaan om schrijnende, uitzonderlijke situaties.
4.2. Het CBE heeft terecht geconcludeerd dat de afwijzing van het verzoek van [appellant] om aan de graduation internship deel te nemen geen schrijnende, uitzonderlijke situatie oplevert die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. De Afdeling volgt niet het betoog dat het feit dat [appellant] niet naar Praag is afgereisd het gevolg is van de voorlichting over het studieprogramma door HZ. Het CBE heeft toegelicht dat zowel HZ als de CTU Prague [appellant] er in de maanden voorafgaand aan de minor en op verschillende momenten op hebben gewezen dat hij in september naar Praag moest afreizen, om daar zijn inschrijving en studieprogramma definitief te maken. [appellant] is in de maanden voorafgaand aan de minor hierover voldoende voorgelicht. Het is de eigen keuze van [appellant] geweest om niet naar Praag af te reizen om daar zijn inschrijving en studieprogramma definitief te maken. Het enkele feit dat [appellant] studievertraging oploopt en daardoor extra kosten moet maken, is ook onvoldoende voor toepassing van de hardheidsclausule. Het CBE heeft op de zitting naar voren gebracht dat het vaker voorkomt dat studenten, om uiteenlopende redenen, de minor niet afronden. [appellant] heeft verder niet onderbouwd dat zijn situatie schrijnend of uitzonderlijk is. Dat hij een buitenlandse student is die in Nederland studeert, is daarvoor onvoldoende.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J.Q. Oskam, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oskam
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
1067