202601610/1/A2.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 1 oktober 2025 heeft de examencommissie van de faculteit der Tandheelkunde van de Vrije Universiteit het verzoek van [appellante] om de geldigheidsduur van de resultaten van haar bacheloropleiding Tandheelkunde te verlengen afgewezen.
Bij beslissing van 9 januari 2026 heeft de examencommissie het verzoek van [appellante] om vrijstelling van onderwijseenheden toegewezen voor de eerder vervallen verklaarde onderwijseenheden Onderzoeksmethoden en statistiek uit leerjaar 1 en Parodontitis I uit leerjaar 2 en het verzoek om vrijstelling van de onderwijseenheden Directe restauraties, Microbiologie in de tandheelkunde en Orale biologie en cariologie uit leerjaar 1 afgewezen.
Bij beslissing van 16 april 2026 heeft het CBE het door [appellante] tegen het besluit van 1 oktober 2025 ingestelde administratief beroep gegrond verklaard, deze beslissing vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen hiervan in stand kunnen blijven. Het CBE heeft het administratief beroep tegen de beslissing van 9 januari 2025 ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 september 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. N. Saidi, advocaat in Amsterdam, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. S.A. Snoeren, vergezeld door A. Wytzes, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is in 2013 aan de Vrije Universiteit begonnen aan de bacheloropleiding Tandheelkunde. Tot en met 2015 heeft zij twee praktische vakken afgerond. In studiejaar 2018-2019 heeft [appellante] de studie opnieuw opgepakt. Door persoonlijke omstandigheden heeft zij vanaf 2021 geen resultaten meer behaald. Zij heeft op 25 september 2025 de examencommissie verzocht om de geldigheid van de door haar tot 2021 behaalde resultaten te verlengen.
2. De examencommissie heeft het verzoek van [appellante] afgewezen, omdat vrijwel alle resultaten die [appellante] heeft behaald door tijdsverloop zijn vervallen. [appellante] moet de vakken daarom over doen, zoals is bepaald in de vastgestelde overgangsregeling. De resultaten voor de onderwijsonderdelen Cellen en weefsels, Introductie, Orgaansystemen en Wetenschappelijke stage kunnen worden verlengd of vrijgesteld, omdat de inhoud van deze vakken niet veel veranderd is.
3. Naar aanleiding van het administratief beroep heeft het CBE gevraagd of een minnelijke schikking mogelijk is. Naar aanleiding van het schikkingsgesprek heeft de examencommissie beoordeeld of [appellante] voor (een deel van) de vakken kon worden vrijgesteld. Dit heeft geleid tot de beslissing van 9 januari 2026.
Beslissing van het CBE
4. Het CBE heeft geconcludeerd dat de examencommissie over de vrijstelling voor de theoretische vakken voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd dat vrijstelling slechts mogelijk is wanneer de eerdere onderdelen uit het oude curriculum volledig zijn afgerond en nog geldend zijn. De examencommissie heeft per vak beoordeeld in hoeverre de oude resultaten aansluiten bij de inhoud en normen van de nieuwe vakken. Daarbij heeft de examencommissie vastgesteld dat sommige onderdelen kunnen worden verlengd, andere onderdelen inhoudelijk niet meer dekken wat het nieuwe vak vereist en dat voor bepaalde vakken geen vrijstelling kan worden verleend omdat de eerder onderwezen lesstof aantoonbaar is verouderd. De resultaten voor de praktische vakken die [appellante] heeft gehaald zijn vervallen door overschrijding van de termijn van vier jaar, zoals bedoeld in artikel 9.2 van de Onderwijs- en Examenregeling Bacheloropleiding Tandheelkunde 2025-2026 (OER). De door [appellante] gestelde persoonlijke omstandigheden kunnen niet worden betrokken bij de vraag of de examencommissie al dan niet mocht besluiten om een vrijstelling te verlenen. Voor de beoordeling van die vraag zijn uitsluitend de geldigheid van de verworven kennis en vaardigheden, en de aansluiting daarvan bij de vereiste competenties van het huidige curriculum, relevant. De motivering van de examencommissie in de beslissing van 1 oktober 2025 was onvoldoende. Omdat zij de afwijzing van het verzoek om vrijstelling in de beslissing van 9 januari 2026 nader heeft gemotiveerd en deze motivering de beslissing kan dragen, blijven de rechtsgevolgen van de beslissing van 1 oktober 2025 in stand.
Beroep en de beoordeling daarvan
5. [appellante] betoogt dat het CBE ten onrechte geen inhoudelijke vergelijking heeft gemaakt tussen de leerdoelen van de door haar behaalde vakken en de leerdoelen van de huidige vakken. Het CBE heeft alleen maar gekeken of de inhoud van de vakken overeenkomt. Ook heeft het CBE onvoldoende gemotiveerd waarom in haar geval maatwerk niet mogelijk is, zoals een aanvullende toets of een andere minder belastende oplossing. [appellante] betoogt verder dat het CBE niet heeft onderkend dat de beslissing van de examencommissie onevenredige gevolgen voor haar heeft. Het CBE heeft onvoldoende rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden die de studievertraging hebben veroorzaakt. Zij heeft tijdig contact gezocht met de studieadviseur om deze omstandigheden te bespreken, maar zij is nooit gewaarschuwd dat behaalde resultaten kunnen vervallen. Door de beslissing moet zij onderwijsonderdelen opnieuw volgen die zij eerder succesvol heeft afgerond en dat is onevenredig, aldus [appellante].
5.1. De bevoegdheid tot het beperken van de geldigheidsduur van tentamenresultaten is vastgelegd in artikel 7.10, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Deze bevoegdheid is uitgewerkt in artikel 9.2 van de OER.
In artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de OER staat dat de geldigheidsduur van praktische oefeningen waaronder de (pre)klinische toetsen is beperkt tot een periode van vier jaar volgend op het studiejaar waarin het desbetreffende onderdeel met goed gevolg is afgelegd.
In artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de OER staat dat de geldigheidsduur van tentamens is beperkt tot een periode van vier jaar volgend op het studiejaar waarin het desbetreffende onderdeel met goed gevolg is afgelegd, indien de kennis die is getoetst en/of onderwezen in het onderwijsonderdeel aantoonbaar is veranderd of vernieuwd.
Op grond van artikel 9.2, tweede lid, van de OER kan de examencommissie een verzoek om verlenging van de geldigheidsduur van een tentamen afwijzen als de getentamineerde kennis of het getentamineerde inzicht aantoonbaar verouderd is.
5.2. Het CBE heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de examencommissie het verzoek van [appellante] om de geldigheidsduur van de tentamenresultaten te verlengen mocht afwijzen. Vrijstelling voor theoretische vakken is alleen mogelijk als de eerdere onderdelen uit het curriculum volledig zijn afgerond en nog geldend zijn. De examencommissie heeft de resultaten van [appellante] per vak beoordeeld en daarbij gekeken in hoeverre de door haar behaalde resultaten aansluiten bij de inhoud en leerdoelen van de nieuwe vakken waarvoor zij om vrijstelling heeft verzocht. De vakken Microbiologie in de tandheelkunde en Directe restauraties bevatten onderdelen van vakken die [appellante] niet eerder heeft gehaald. Het vak Orale biologie en cariologie is weliswaar gebaseerd op vakken die [appellante] eerder heeft behaald, maar de inhoud en de werkvormen zijn in de nieuwe opzet van het vak wezenlijk veranderd. Daarbij komt dat dit vak een ingangseis is voor praktijkonderwijs, zodat het van extra belang is dat de kennis van de leerdoelen van dit vak up to date is. Zoals het CBE op de zitting heeft toegelicht, kan een leerdoel na verloop van tijd door ontwikkelingen in het vakgebied inhoudelijk een andere invulling krijgen. Het CBE heeft verder voldoende toegelicht dat maatwerk in de vorm van een aanvullende toets of andere, minder belastende oplossing in dit geval niet mogelijk is. De onderdelen van de vakken die [appellante] niet beheerst zijn te omvangrijk om effectief met een maatwerkoplossing op te vangen. Bovendien zijn de vakken qua werkvormen dusdanig veranderd dat het niet mogelijk is om de onderdelen die zij nog niet heeft behaald afzonderlijk te toetsen.
5.3. Over de verlenging van de resultaten van de preklinische en klinische onderdelen uit het tweede jaar van de bachelor heeft het CBE terecht geconcludeerd dat de resultaten, gelet op artikel 9.2, eerste lid, van de OER wegens overschrijding van de termijn van vier jaar zijn vervallen. In dat verband is van belang dat met de beperking van de geldigheidsduur van de resultaten wordt gewaarborgd dat studenten die het diploma ontvangen op dat moment in het bezit zijn van actuele kennis, inzichten en vaardigheden. Daarbij heeft het CBE toegelicht dat voor de geldigheidsduur is aangesloten bij de systematiek van de BIG-registratie van tandartsen, waarbij kennis en vaardigheden periodiek moeten worden onderhouden.
5.4. De afgelopen jaren zijn voor [appellante], zoals zij heeft toegelicht, pittig geweest. Toch is de Afdeling van oordeel dat het CBE zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de afwijzing van het verzoek om de geldigheidsduur van de studieresultaten te verlengen niet onevenredig is. Dat hierdoor het merendeel van de door [appellante] behaalde studiepunten is vervallen, maakt niet dat zij door deze beslissing onevenredig wordt benadeeld. Het CBE heeft het maatschappelijke belang dat het diploma garant staat voor actuele kennis, inzichten en vaardigheden zwaarder mogen laten wegen dan het nadeel dat [appellante] ondervindt als gevolg van deze beslissing.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J.Q. Oskam, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oskam
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
1067