202602043/1/A2.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Groningen,
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Rijksuniversiteit Groningen (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 4 november 2025 heeft de examinator het door [appellant] gemaakte tentamen Inleiding Criminologie met het cijfer 6 beoordeeld.
Bij beslissing van 26 mei 2026 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
Het CBE en [appellant] hebben nader stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 september 2026, waar [appellant] en het CBE, vertegenwoordigd door mr. W. Geelhoed en mr. M.E.A. Donkersloot, allen via een videoverbinding, zijn verschenen. Verder is [persoon], examinator, op de zitting verschenen, eveneens via een videoverbinding.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] volgt de masteropleiding Nederlands recht, specialisatie strafrecht, aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is het niet eens met zijn cijfer voor het vak Inleiding Criminologie en het verloop van de nabespreking van het tentamen voor dit vak. Het CBE heeft de beoordeling in stand gelaten en geconcludeerd dat de inzage en nabespreking van het tentamen voldoende zorgvuldig is verlopen.
Beroep en oordeel van de Afdeling
Nabespreking van het tentamen
2. [appellant] betoogt, in de kern weergegeven, dat het CBE niet heeft onderkend dat hij recht heeft op een individuele bespreking van het door hem gemaakte tentamen en dat die bespreking moet zijn gericht op het duidelijk maken van onjuistheden of gebreken in de gegeven antwoorden. Hoewel er een individuele bespreking is georganiseerd, was die bespreking niet gericht op het duidelijk maken van onjuistheden of gebreken in de gegeven antwoorden. Het CBE heeft ook niet onderkend dat de examinator uitgewerkte modelantwoorden beschikbaar had moeten stellen. Verder is het CBE ten onrechte voorbijgegaan aan zijn stelling dat de individuele nabespreking maar heel kort heeft geduurd, aldus [appellant].
2.1. In artikel 5.12, derde lid, van de Onderwijs- en Examenregeling Nederlandstalige masteropleidingen Rechtsgeleerdheid voor het studiejaar 2025-2026 (OER) staat dat de examinator tijdstip en plaats vaststelt waarop hetzij (a) het gemaakte tentamen aan de deelnemer ter inzage wordt gegeven en een algemene bespreking van het tentamen plaatsvindt, hetzij (b) het gemaakte tentamen met standaardantwoorden aan de deelnemer ter inzage wordt gegeven. Deze bepaling geeft de examinator dus een keuze voor de vorm van de nabespreking. De examinator heeft er in dit geval voor gekozen om de gemaakte tentamens Inleiding Criminologie ter inzage te geven en een klassikale, algemene nabespreking te organiseren. Tijdens deze klassikale bespreking heeft de examinator de antwoordrichting voor de tentamenvragen aan de hand van steekwoorden weergegeven op een PowerPointpresentatie. Aan [appellant] kan worden toegegeven dat de steekwoorden niet hetzelfde zijn als uitgewerkte standaardantwoorden die met het tentamen ter inzage kunnen worden gegeven. Omdat de examinator ervoor heeft gekozen om een algemene nabespreking te organiseren, was zij op grond van de OER echter niet gehouden om uitgewerkte modelantwoorden ter beschikking te stellen.
2.2. In artikel 5.12, zesde en achtste lid, van de OER is bepaald dat de examinator verder ook de mogelijkheid biedt voor individuele bespreking van het gemaakte tentamen. De bespreking moet gericht zijn op het duidelijk maken van onjuistheden of gebreken in een door de student gegeven antwoord. De Afdeling stelt vast dat op 26 november 2025 een inzage en nabespreking van het tentamen van het vak Inleiding Criminologie heeft plaatsgevonden. Het CBE heeft terecht geconcludeerd dat de manier waarop invulling is gegeven aan het inzage- en nabesprekingsmoment voldoet aan de norm van artikel 5.12 van de OER. Het tentamen is zowel klassikaal als individueel met [appellant] nabesproken. Na de klassikale bespreking was er gelegenheid om het gemaakte tentamen individueel te bespreken. [appellant] heeft van deze gelegenheid ook gebruik gemaakt. Hoewel [appellant] en de examinator van mening verschillen over de duur van de individuele nabespreking, doet dit er niet aan af dat de examinator hem de mogelijkheid heeft geboden voor individuele nabespreking van het tentamen Inleiding Criminologie. Dat [appellant] de sfeer tijdens de nabespreking onprettig vond en ontevreden is over de antwoorden die de examinator hem tijdens de individuele bespreking heeft gegeven, en ter ondersteuning daarvan verklaringen van medestudenten heeft overgelegd, betekent niet zonder meer dat de inzage en nabespreking onzorgvuldig is geweest en niet was gericht op het duidelijk maken van onjuistheden of gebreken in de door hem gegeven antwoorden. [appellant] heeft verder geen feiten of omstandigheden aangedragen die tot deze conclusie leiden.
2.3. Het betoog slaagt niet.
(On)zorgvuldige procedure
3. [appellant] betoogt verder dat de procedure bij het CBE onzorgvuldig is verlopen, omdat de examinator niet in persoon bij de hoorzitting is verschenen. Ook is de procedure onzorgvuldig geweest omdat het CBE de vraag of het nakijkinstrument waarmee de examinator het tentamen heeft nagekeken voldoende aansluit op wat tijdens het tentamen is gevraagd niet heeft behandeld, aldus [appellant].
3.1. De examinator heeft zich tijdens de hoorzitting bij het CBE laten vertegenwoordigen door de voorzitter en ambtelijk secretaris van de examencommissie. Er is geen rechtsregel die de examinator verplicht om in persoon te verschijnen.
3.2. Het CBE heeft het betoog van [appellant] dat het nakijkinstrument onvoldoende aansluit op de tentamenvragen terecht niet inhoudelijk besproken. Het CBE kan zich niet inhoudelijk uitspreken over het antwoordmodel of over de verhouding tussen het antwoordmodel en de vraagstelling van het tentamen. Dit valt, gelet op het voorgeschreven toetsingskader van artikel 7:61, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, buiten de reikwijdte van de toetsing in administratief beroep (vergelijk de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1296, onder 5.4). [appellant] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat bij de beoordeling van het tentamen voorschriften van procedurele aard zijn geschonden. In dat verband is van belang dat de examinator naar aanleiding van het administratief beroepschrift heeft toegelicht dat het vak Inleiding Criminologie wordt getoetst met een essaytentamen waarin ook nuance van taal en goed gebruik van jargon wordt verwacht. Het behoort tot de expertise van de docent om een dergelijk tentamen na te kijken.
3.3. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond.
5. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J.Q. Oskam, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oskam
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
1067