202600061/3/R1.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Almere,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Almere,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Almere,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 29 december 2025 heeft het college de groenstrook aan de Daan Hoeksemastraat ter hoogte van de Flipjestraat in Almere, aangewezen voor het plaatsen van vier ondergrondse inzamelcontainers.
Bij tussenuitspraak van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3164, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van die tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 29 december 2025 te herstellen en een eventueel nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.
Bij brief van 9 juli 2026 heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak een aanvullende motivering gegeven.
[appellant sub 2A] en [appellant sub 1] en anderen hebben zienswijzen ingediend op de aanvullende motivering van het college.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Tussenuitspraak van 3 juni 2026
1. In overweging 9.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het college het besluit van 29 december 2025 onvoldoende heeft gemotiveerd waar het gaat om de vraag waarom de alternatieve locatie aan de Jochem Jofelstraat niet zodanig geschikter is dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie. De Afdeling heeft overwogen dat het college de verkeersintensiteit op beide locaties niet heeft onderzocht, waardoor niet kan worden uitgesloten dat de locatie aan de Jochem Jofelstraat zodanig geschikter is dat het college voor die locatie had moeten kiezen. Het college heeft volstaan met de motivering dat zes bewoners van het appartementencomplex de voorkeur zouden geven aan de aangewezen locatie, terwijl uit de richtlijnen niet volgt dat het college bij het aanwijzen van een locatie voor ondergrondse containers de voorkeur van omwonenden die het dichtst bij de mogelijke locaties wonen, moet laten prevaleren. Onder 4.1.2 van de richtlijnen staat juist als algemeen uitgangspunt dat het algemeen belang voor het individuele belang gaat. De Afdeling heeft het college opgedragen om het onder 9.3 geconstateerde gebrek te herstellen. Het college moest daarvoor met inachtneming van wat onder 9.3 is overwogen, zo mogelijk motiveren dat de alternatieve locatie niet zodanig geschikter is dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
Aanvullende motivering van het college
2. Het college heeft zich in de aanvullende motivering op het standpunt gesteld dat de alternatieve locatie niet zodanig geschikter is dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
Het college heeft onder verwijzing naar een e-mail van 15 juni 2026 van de adviseur Mobiliteit van de afdeling Stedelijk Beleid met informatie over de verkeerssituatie, toegelicht dat de verkeerssituatie op de alternatieve locatie niet veiliger is dan op de aangewezen locatie. In de e-mail staat dat de Daan Hoeksemastraat iets drukker zal zijn dan de Jochem Jofelstraat, maar dat beide wegen binnen een 30 km/uur woongebied liggen waarbij de verkeersintensiteit minder dan 3.000 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Het college wijst erop dat de alternatieve locatie bovendien langs een aanlooproute van schoolgaande kinderen ligt. Volgens het college bevindt zich hier tijdens de haal- en brengtijden van de nabijgelegen basisschool de grootste concentratie van voetgangers.
Verder heeft het college toegelicht dat onder 4.2.4 van de "Richtlijnen voor het plaatsen van ondergrondse inzamelcontainers Almere 2021" staat dat ondergrondse inzamelcontainers zoveel mogelijk buiten haakse zichtlijnen ten opzichte van een gevel met woningen worden geplaatst. Volgens het college ligt de alternatieve locatie direct binnen de haakse zichtlijn van meerdere appartementen aan de Daan Hoeksemastraat terwijl de aangewezen locatie niet direct binnen haakse zichtlijnen van woningen ligt. Het college stelt zich daarom op het standpunt dat de aangewezen locatie stedenbouwkundig en beleidsmatig gezien geschikter is dan de alternatieve locatie.
Zienswijze van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A]
3. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] betogen dat het door de Afdeling in de tussenuitspraak onder 9.3 geconstateerde gebrek niet is hersteld. Zij voeren daartoe aan dat het college geen verkeersonderzoek heeft gedaan waarbij de verkeersintensiteit op beide locaties is gemeten, maar heeft volstaan met de e-mail van 15 juni 2026 van de adviseur Mobiliteit. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] stelt het college ten onrechte dat de grootste verkeersconcentratie zich op de route via de Jochem Jofelstraat bevindt. Zij wijzen erop dat de door het college aangewezen route via de Jochem Jofelstraat en de onderdoorgang van het appartementencomplex niet wordt gebruikt, omdat de onderdoorgang privéterrein is. Verder wijzen zij erop dat twee van de drie ingangen van de basisschool zich aan de Flipjestraat bevinden. De derde ingang bevindt zich aan de andere kant langs het fietspad en de busbaan, waar geen autoweg loopt. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] is het gelet hierop in de Daan Hoeksemastraat aanzienlijk drukker.
Daarnaast voeren [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] aan dat het college wat betreft zichtlijnen niet deugdelijk heeft onderbouwd dat de alternatieve locatie minder geschikt is dan de aangewezen locatie. Volgens [appellant sub 1] en anderen zijn er minder directe haakse zichtlijnen vanaf het appartementencomplex dan het college stelt, omdat het hoogbouw betreft.
Het oordeel van de Afdeling
4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college met de aanvullende motivering het gebrek voldoende hersteld. Hierover overweegt de Afdeling het volgende.
Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak geen verkeersonderzoek laten uitvoeren, maar heeft de verkeerssituatie op beide locaties laten beoordelen door een verkeersdeskundige. Uit de in de tussenuitspraak gegeven opdracht volgt niet dat het gebrek uitsluitend door middel van een verkeersonderzoek kon worden hersteld. Uit de e-mail van de verkeersdeskundige komt naar voren dat zowel de aangewezen locatie als de alternatieve locatie in een woongebied ligt waar een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt en waar de verkeersintensiteit minder dan 3.000 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. De verkeersdeskundige heeft daarmee voor beide locaties aangegeven dat sprake is van een relatief lage verkeersintensiteit. Hij heeft daarbij erkend dat het ter plaatse van de aangewezen locatie wellicht iets drukker zal zijn, maar dat het niet gaat om een hoge verkeersintensiteit. De Afdeling acht gelet hierop voldoende aannemelijk dat de verkeersintensiteit op de alternatieve locatie niet wezenlijk verschilt van die op de aangewezen locatie. Voor zover het college heeft toegelicht dat de alternatieve locatie ook langs een aanlooproute van schoolgaande kinderen ligt, overweegt de Afdeling het volgende. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] hebben op zich met juistheid gesteld dat twee van de drie ingangen van de basisschool aan de Flipjestraat liggen en dat de onderdoorgang van het appartementencomplex privéterrein is. Deze omstandigheden kunnen ertoe leiden dat het bij de alternatieve locatie wat betreft voetgangers iets rustiger zal zijn dan het college heeft ingeschat. Dit maakt echter niet dat de verkeerssituatie op de alternatieve locatie zodanig geschikter is dan de verkeerssituatie op de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie. Het verschil in de verkeerssituatie tussen beide locaties is onvoldoende om de alternatieve locatie wat betreft verkeer als wezenlijk geschikter aan te merken.
Bij de beoordeling van de geschiktheid van de alternatieve locatie acht de Afdeling ook van belang dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de alternatieve locatie minder geschikt is dan de aangewezen locatie, gelet op de haakse zichtlijnen. De beleidsregel onder 4.2.4 van de richtlijnen is kennelijk bedoeld om te voorkomen dat inzamelcontainers loodrecht ten opzichte van woningen worden geplaatst, waardoor omwonenden rechtstreeks zicht op de containers hebben. Op de alternatieve locatie zullen een aantal omwonenden rechtstreeks zicht op de containers hebben, zij het vanaf een hoger gelegen verdieping. Op de aangewezen locatie is dit niet het geval, omdat de containers haaks op de autoweg, de parkeerplaatsen en de groenstrook komen te liggen.
Gelet op het voorgaande is de alternatieve locatie naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig geschikter dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. De conclusie is dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. Gelet op wat in de tussenuitspraak onder 9.3 is overwogen, zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2A] tegen het besluit van 29 december 2025 gegrond. Dat besluit moet in zoverre vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd. Omdat het college met de aanvullende motivering het gebrek in het besluit van 29 december 2025 heeft hersteld, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Dit betekent dat de vier ondergrondse inzamelcontainers op de aangewezen locatie kunnen worden geplaatst.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden, omdat niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere van 29 december 2025 "Definitief besluit containerlocaties Stripheldenbuurt / 3T1" voor zover dat gaat over de locatie aan de Daan Hoeksemastraat ter hoogte van de Flipjestraat in Almere;
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover het is vernietigd, in stand blijven;
IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Almere aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 200,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Almere aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 200,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
195-1138