ECLI:NL:RVS:2026:6093

ECLI:NL:RVS:2026:6093

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 202601622/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij beslissing van 16 december 2025 heeft de directeur van het Instituut voor Recht van de Hogeschool Utrecht het verzoek van [appellante] om verlaging van het instellingscollegegeldtarief afgewezen. [appellante] heeft in april 2025 de bacheloropleiding HBO-Rechten aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen afgerond. In september 2025 heeft zij zich ingeschreven voor de bacheloropleiding HBO-Rechten aan de Hogeschool Utrecht (HU), omdat zij de afstudeerrichting kandidaat-gerechtsdeurwaarder wil volgen. Door haar eerdere opleiding hoeft zij niet de volledige opleiding van in totaal 240 ECTS te volgen. Om de opleiding aan de HU met de afstudeerrichting kandidaat-gerechtsdeurwaarder af te ronden, moet zij in totaal 120 ECTS halen. Het college van bestuur van de Hogeschool Utrecht heeft in de beslissing van 16 april 2026 geconcludeerd dat het besluit van 16 december 2025 ten onrechte door de directeur van het Instituut voor Recht is genomen.

Uitspraak

202601622/1/A2.

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

en

het college van bestuur van de Hogeschool Utrecht (CvB),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 16 december 2025 heeft de directeur van het Instituut voor Recht van de Hogeschool Utrecht het verzoek van [appellante] om verlaging van het instellingscollegegeldtarief afgewezen.

Bij beslissing van 16 april 2026 heeft het CvB het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de beslissing van 16 december 2025 vernietigd. Het CvB heeft het verzoek van [appellante] vervolgens afgewezen.

Tegen deze beslissing heeft [appellante] met instemming van het CvB rechtstreeks beroep ingesteld.

Het CvB heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 september 2026, waar [appellante] en het CvB, vertegenwoordigd door mr. J. Kroon, M. van Engelen en mr. A.C. Stam, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] heeft in april 2025 de bacheloropleiding HBO-Rechten aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen afgerond. In september 2025 heeft zij zich ingeschreven voor de bacheloropleiding HBO-Rechten aan de Hogeschool Utrecht (HU), omdat zij de afstudeerrichting kandidaat-gerechtsdeurwaarder wil volgen. Door haar eerdere opleiding hoeft zij niet de volledige opleiding van in totaal 240 ECTS te volgen. Om de opleiding aan de HU met de afstudeerrichting kandidaat-gerechtsdeurwaarder af te ronden, moet zij in totaal 120 ECTS halen.

2. Het CvB heeft in de beslissing van 16 april 2026 geconcludeerd dat het besluit van 16 december 2025 ten onrechte door de directeur van het Instituut voor Recht is genomen. Het CvB is bevoegd tot het vaststellen van het instellingscollegegeld en tot het nemen van besluiten over afwijkende tarieven. Aan de afwijzing van het verzoek om verlaging van het instellingscollegegeldtarief heeft het CvB ten grondslag gelegd dat [appellante] een bacheloropleiding heeft afgerond. Daardoor voldoet zij niet aan de voorwaarden van artikel 7.45a, eerste, tweede of zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 7.46, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Beroep en oordeel van de Afdeling

4. [appellante] betoogt dat het door het CvB gehanteerde uniforme instellingscollegegeld van € 10.372,00 per studiejaar in haar geval onvoldoende is gemotiveerd. Zij volgt door haar eerder afgeronde bacheloropleiding HBO-Rechten een verkort traject met vrijstellingen, beperkte contacturen en een sterke praktijkcomponent. Het CvB heeft ondeugdelijk gemotiveerd hoe het bedrag dat zij moet betalen tot stand is gekomen. Verder betoogt [appellante] dat het CvB onvoldoende heeft onderbouwd waarom het niet onevenredig is dat zij het volledige instellingscollegegeldtarief moet betalen. Zij volgt een uitzonderlijk verkort traject binnen de bacheloropleiding HBO-Rechten. Ook heeft zij geen reëel alternatief om de opleiding tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder te volgen, aldus [appellante].

4.1. Vooropstaat dat [appellante] niet in aanmerking komt voor het wettelijk collegegeldtarief, als bedoeld in artikel 7.45a van de WHW, omdat zij al een bacheloropleiding heeft afgerond. [appellante] komt ook niet in aanmerking voor vrijstelling en vermindering van het collegegeld, als bedoeld in artikel 24 van de Inschrijvingsregeling HU 2025-2026. Dit betekent dat zij het instellingscollegegeld is verschuldigd, als bedoeld in artikel 7.46, eerste lid, van de WHW. Dit wordt door [appellante] ook niet betwist.

4.2. Op grond van artikel 7.46, tweede lid, van de WHW wordt de hoogte van het instellingscollegegeld door het instellingsbestuur vastgesteld. Het instellingsbestuur kan per opleiding of groep van opleidingen of per groep of groepen studenten een verschillend instellingscollegegeld vaststellen. Gelet op het vijfde lid van deze bepaling, stelt het instellingsbestuur regels vast met betrekking tot de toepassing van deze bepaling.

4.3. De Afdeling is van oordeel dat het CvB voldoende heeft gemotiveerd hoe de hoogte van het instellingscollegegeldtarief voor het studiejaar 2025-2026 tot stand is gekomen. Het instellingscollegegeldtarief wordt jaarlijks door het CvB in overleg met de Hogeschoolraad vastgesteld. Het CvB heeft uiteengezet dat de hoogte van het instellingscollegegeldtarief wordt berekend op basis van een uniform tarief voor alle studenten die instellingscollegegeld betalen. Dit tarief is gebaseerd op de rijksbijdrage voor bekostigde studenten, het vereiste dat tarieven minimaal kostendekkend zijn en het feit dat de HU geen bekostiging ontvangt voor studenten die instellingscollegegeld betalen. Voor deze berekening wordt verder een gewogen gemiddelde gehanteerd van verschillende bekostigingsprofielen (laag, midden, hoog) waarin het aantal studenten per profielcategorie wordt meegenomen. In wat [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het CvB de totstandkoming van het tarief hiermee ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het CvB heeft bewust gekozen voor een uniform tarief voor alle studenten die het instellingscollegegeld moeten betalen en is niet gehouden om per opleiding of groep van opleidingen of per groep of groepen studenten een verschillend instellingscollegegeldtarief vast te stellen. Er is geen grond voor het oordeel dat het CvB geen uniform tarief had mogen vaststellen.

4.4. De toepassing van het instellingscollegegeldtarief is in het geval van [appellante] ook niet onevenredig is. Het is haar eigen keuze om na afronding van een eerdere bachelor HBO-Rechten, die zij tegen het wettelijk collegegeldtarief heeft gevolgd, nog een tweede bachelor HBO-Rechten met een andere afstudeerrichting te volgen. In dit verband is van belang dat [appellante] de reguliere bacheloropleiding HBO-rechten aan de HU volgt, waarvoor zij 60 ECTS per studiejaar kan halen. Dat zij een verkort traject volgt, doet daaraan niet af. Daarbij komt dat [appellante] door de vrijstellingen die zij door haar eerdere opleiding heeft gekregen niet de volle vier jaar over de opleiding hoeft te doen. Zoals zij op de zitting van de Afdeling ook heeft bevestigd, kan zij de opleiding in twee jaar afronden als zij in beide jaren de voorgeschreven 60 ECTS behaald. Het verkort traject is daarop ook ingericht.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond.

6. Het CvB hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J.Q. Oskam, griffier.

w.g. Blomberg

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Oskam

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

1067

BIJLAGE

WETTELIJK KADER

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Artikel 7.45a

1. Het wettelijk collegegeld is verschuldigd door een student die tot één van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 behoort of die de Surinaamse nationaliteit bezit. Voor een inschrijving aan een associate degree-opleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Associate degree, een graad Bachelor of een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald. Voor een inschrijving aan een bacheloropleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Bachelor als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald. Voor een inschrijving aan een masteropleiding geldt als aanvullende voorwaarde, dat de student blijkens het register onderwijsdeelnemers sedert 1 september 1991 niet eerder bij een bekostigde instelling in verband met het volgen van initieel onderwijs een graad Master als bedoeld in artikel 7.10a heeft behaald.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan de categorie studenten, bedoeld in het eerste lid, worden uitgebreid.

[…].

6. Indien een student als bedoeld in het eerste en tweede lid meer dan één opleiding volgt en de opleiding waarvoor hij het eerst is ingeschreven met goed gevolg afrondt, is deze student het wettelijk collegegeld verschuldigd voor het resterende deel van het studiejaar. Het verschuldigde bedrag wordt in dat geval berekend naar rato van het aantal resterende maanden van het desbetreffende studiejaar.

Artikel 7.46

1. Een student die niet voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7.45a, eerste, tweede en zesde lid, en niet is ingeschreven voor een onderwijseenheid bij de Open Universiteit, is het instellingscollegegeld verschuldigd.

2. De hoogte van het instellingscollegegeld wordt door het instellingsbestuur vastgesteld. Het instellingsbestuur kan per opleiding of groep van opleidingen of per groep of groepen studenten een verschillend instellingscollegegeld vaststellen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand