202407880/1/R2.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante] en anderen, gevestigd dan wel wonend in Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank OostBrabant (de rechtbank) van 15 november 2024 in zaak nr. 24/2060 in het geding tussen:
[appellante] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Bernheze.
Procesverloop
Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college aan [partij], handelend onder de naam [paardenhouderij] (vergunninghoudster), een omgevingsvergunning verleend voor een bedrijfswoning met bijgebouw aan het adres [locatie 1] in Heeswijk-Dinther.
Bij uitspraak van 15 november 2024 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [appellante] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de omgevingsvergunning voor de bedrijfswoning en het bijgebouw vernietigd. De rechtbank heeft bepaald dat het college binnen twintig weken na verzending van de uitspraak opnieuw op de aanvraag van vergunninghoudster moet beslissen.
Tegen deze uitspraak hebben [appellante] en anderen incidenteel hoger beroep ingesteld nadat vergunninghoudster hoger beroep had ingesteld. Het hoger beroep van vergunninghoudster is later ingetrokken.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 1 april 2025 heeft het college opnieuw aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor een bedrijfswoning met bijgebouw aan het adres [locatie 1] in Heeswijk-Dinther.
[appellante] en anderen hebben gronden ingediend tegen het besluit van 1 april 2025.
Vergunninghoudster heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 juni 2026, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.H.D. Elings, advocaat in Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door M. Hultermans, zijn verschenen. Verder is op de zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en [persoon], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 juli 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Vergunninghoudster heeft een paardenhouderij aan de [locatie 1]. Zij wil ten behoeve van haar bedrijf op het perceel een bedrijfswoning met bijgebouw bouwen. Het college heeft daarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening verleend. Omdat het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze 2012-1" geen mogelijkheden biedt om de bedrijfswoning met bijgebouw mogelijk te maken, heeft het college de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo verleend.
De uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de bedrijfswoning en het bijgebouw gegrond verklaard en deze omgevingsvergunning vernietigd. Volgens de rechtbank is de noodzaak voor een bedrijfswoning op het perceel als bedoeld in artikel 3.70, eerste lid, van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) niet aangetoond. Uit de stukken kan de rechtbank niet opmaken of het bedrijf van vergunninghoudster losstaat van het naastgelegen bedrijf van haar vader aan de [locatie 2]. Alleen als er een zelfstandig bedrijf is gevestigd op het perceel van vergunninghoudster, kan aanleiding bestaan voor het toevoegen van een bedrijfswoning. Volgens de rechtbank kan op grond van de stukken evengoed tot de conclusie worden gekomen dat het bedrijf van vergunninghoudster als bedrijfstak van het bedrijf van haar vader moet worden aangemerkt. In dat geval is er geen noodzaak voor een bedrijfswoning, aangezien de noodzaak per agrarisch bedrijf moet worden beoordeeld en op de percelen van de vader van vergunninghoudster al twee bedrijfswoningen aanwezig zijn. Om de noodzaak aan te tonen zou het college volgens de rechtbank opnieuw advies moeten vragen aan de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB).
Bij dit oordeel is het volgens de rechtbank niet van belang of op de percelen aan de [locatie 3] of [locatie 2] een bedrijfswoning is afgestoten, want het gaat om het perceel van vergunningshoudster zelf.
3.1. Verder is de rechtbank van oordeel dat het college door het opnemen van voorschriften over driftreducerende maatregelen in de omgevingsvergunning zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het perceel van [appellante] en anderen niet in de weg staat aan verlening van de omgevingsvergunning voor de bedrijfswoning.
Het incidenteel hoger beroep
Eerder afgestoten bedrijfswoning
4. [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank had moeten onderkennen dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 3.70, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV is verleend. Zij voeren daarover aan dat er weldegelijk sprake is van het afstoten van een eerder aanwezige bedrijfswoning op het perceel van vergunninghoudster. Bij de privaatrechtelijke splitsing van het perceel [locatie 1] van het bestaande bedrijf van de vader van vergunninghoudster op het perceel [locatie 2] is de uitdrukkelijke keuze gemaakt om geen van de drie bedrijfswoningen van de vader van vergunninghoudster toe te delen aan het perceel [locatie 1]. Hierdoor hebben vergunninghoudster en haar vader zelf bewust de noodzaak gecreëerd voor een bedrijfswoning op het perceel [locatie 1].
4.1. Op grond van artikel 3.68, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV zijn in het landelijk gebied alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen toegestaan. Op grond van artikel 3.70, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV kan de nieuwbouw van één bedrijfswoning binnen het bouwperceel van een toegelaten bedrijf worden toegestaan als de noodzaak van deze nieuwbouw niet het gevolg is van een eerder aanwezige, inmiddels afgestoten bedrijfswoning.
4.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de omgevingsvergunning niet in strijd met artikel 3.70, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV is verleend. Er moet worden beoordeeld of op het perceel van vergunninghoudster eerder een bedrijfswoning is afgestoten. Dit is naar het oordeel van de Afdeling niet het geval. De omstandigheid dat er voor de splitsing van de percelen [locatie 2] en [locatie 1] bedrijfswoningen op andere percelen beschikbaar waren maakt namelijk niet dat deze percelen onderdeel zijn geworden van de locatie van het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. De andere bedrijfswoningen horen bij andere percelen, gelegen aan de [locatie 3] en [locatie 2]. De noodzaak voor een bedrijfswoning vloeit daarom voort uit de oprichting van de paardenhouderij van vergunninghoudster op het perceel [locatie 1], en niet, zoals [appellante] en anderen betogen, uit het afstoten van de bedrijfswoningen op de percelen van de vader van vergunninghoudster.
Het betoog slaagt niet.
Spuitzones
5. Verder betogen [appellante] en anderen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de afstand van 25 meter tussen de beoogde bedrijfswoning en hun landbouwgronden acceptabel mocht achten. Zij voeren daarover aan dat op hun landbouwgronden gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Volgens vaste rechtspraak kan slechts onder bijzondere omstandigheden worden afgeweken van een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies, zoals een bedrijfswoning, en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Deze bijzondere omstandigheden dienen deugdelijk te worden gemotiveerd met een locatiespecifiek onderzoek.
In het door vergunninghoudster ingediende onderzoek wordt volgens [appellante] en anderen uitgegaan van een onjuiste representatieve invulling van de bedrijfsvoering. Het onderzoek gaat namelijk uit van een feitelijke invulling, terwijl zou moeten worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Ook heeft het onderzoek de feitelijke situatie onjuist weergegeven, aangezien er naast snijmais ook suikerbieten en consumptieaardappelen op het perceel van [appellante] en anderen worden geteeld.
Verder voeren [appellante] en anderen aan dat in het onderzoek nergens wordt onderbouwd dat de wintergroene haag van drie meter hoog en één meter breed afdoende bescherming biedt voor een gevoelige bestemming. Ook wordt in het onderzoek niet ingegaan op de optische dichtheid die de haag in kwestie moet hebben.
5.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Het is toegestaan deze afstand te verkleinen als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. In eerdere uitspraken heeft de Afdeling overwogen dat een kortere afstand kan worden gemotiveerd aan de hand van een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. De Afdeling verwijst bij wijze van voorbeeld naar haar uitspraak van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855, onder 7.
5.2. Vergunninghoudster heeft pas in hoger beroep een onderzoek ingediend. De rechtbank had moeten onderkennen dat ten tijde van het besluit van 14 maart 2024 een dergelijk onderzoek nodig was. De Afdeling zal eerst de gronden van [appellante] en anderen over dit onderzoek bespreken. Daarna zal de Afdeling de gevolgen hiervan bespreken.
Het betoog slaagt in zoverre.
5.3. Niet ter discussie staat dat de beoogde bedrijfswoning op 25 meter afstand van het perceel van [appellante] en anderen is voorzien. Verder staat niet ter discussie dat op het perceel van [appellante] en anderen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Ter beoordeling van de afstand tussen het perceel van [appellante] en anderen en de beoogde bedrijfswoning heeft vergunninghoudster op 22 mei 2026 een onderzoek laten uitvoeren door Landas. In wat [appellante] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in dit onderzoek geen rekening is gehouden met de representatieve bedrijfsvoering. Weliswaar is in paragraaf 4.2 van het onderzoek het feitelijke gebruik van het perceel beschreven, maar in paragraaf 4.3 van het onderzoek wordt vervolgens ingegaan op de maximale planologische mogelijkheden van het perceel. Om inzicht te krijgen in de spuitbelasting is in het onderzoek gekeken naar een representatieve bedrijfsvoering. Voor de representatieve bedrijfsvoering is gekeken naar de diverse soorten teelt in de omgeving en hoe vaak deze voorkomen. De hoogste spuitbelasting waarmee bezien vanuit de representatieve bedrijfsvoering rekening moet worden gehouden is gemiddeld (tabel spuitbelasting uit hoofdstuk 2.2.van het onderzoek). De teelsoorten in de omgeving die een lage tot gemiddelde spuitbelasting kennen betreffen 86% van de omliggende gronden. Teeltsoorten met een hoge spuitbelasting vinden slechts plaats op 5% van de omliggende gronden. De Afdeling ziet geen reden voor het oordeel dat deze bevindingen uit het onderzoek onjuist zijn of geen deugdelijke motivering zijn voor het hanteren van een kortere afstand dan 50 meter. Een onjuiste weergave van de feitelijke werkzaamheden ten tijde van het onderzoek, wat daarvan verder zij, maakt verder ook niet dat het onderzoek uitgaat van een onjuiste representatieve bedrijfsvoering, aangezien een enkel verschil in de feitelijke invulling van een gebruikte teeltsoort in de omgeving geen gevolgen heeft voor de representatieve bedrijfsvoering in het geheel.
5.4. Over het afschermde groen wordt in paragraaf 4.7 van het onderzoek aangegeven dat driftreducerende maatregelen kunnen worden overwogen, maar dat deze, gelet op de representatieve bedrijfsvoering zoals in het onderzoek is vastgesteld, niet noodzakelijk zijn. In het onderzoek worden suggesties gegeven die in overweging kunnen worden genomen, waaronder de wintergroene haag. Alleen al hierom kan niet worden geoordeeld dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de vraag of de wintergroene haag voldoende driftreducerend is. Deze wintergroene haag biedt vervolgens voldoende afscherming wanneer, al ligt dat niet in de lijn der verwachting, toch in de omgeving met een teeltsoort met een hoge spuitbelasting wordt gewerkt (bijvoorbeeld fruitteelt).
5.5. Dit betekent dat het onderzoek kan worden aangemerkt als een deugdelijke motivering op grond van zorgvuldig onderzoek voor het aanhouden van een afstand van 25 meter tussen het perceel van [appellante] en anderen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en de beoogde bedrijfswoning.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
Conclusie incidenteel hoger beroep
6. Het incidenteel hoger beroep is gegrond, omdat de rechtbank had moeten onderkennen dat er een onderzoek had moeten zijn als deugdelijke motivering voor het aanhouden van een kortere afstand dan 50 meter tussen het perceel van [appellante] en anderen en de beoogde bedrijfswoning. Omdat het overkoepelende oordeel van de rechtbank dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het perceel van [appellante] en anderen niet in de weg staat aan verlening van de omgevingsvergunning voor de bedrijfswoning, juist is, heeft dit dan ook geen gevolgen voor de uitspraak van de rechtbank .
Het besluit van 1 april 2025
7. In het besluit van 1 april 2025 heeft het college opnieuw aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening ten behoeve van een bedrijfswoning en een bijgebouw op het perceel [locatie 1] in Heeswijk-Dinther. Op 23 januari 2025 heeft het college een herzien advies ontvangen van de AAB. De AAB komt in dit advies tot de conclusie dat de levende have (paarden) op het bedrijf ook buiten de gebruikelijke werktijden toezicht nodig hebben en dat ook werkzaamheden buiten de reguliere werktijden moeten worden verricht ten behoeve van de vruchtbaarheidsbegeleiding van de levende have. Ook komt de AAB tot de conclusie dat het bedrijf van vergunninghoudster de arbeidsomvang van een volwaardige arbeidskracht heeft. Op grond van de aard van de bedrijfsvoering kan de noodzaak van een bedrijfswoning worden onderschreven. Het advies van de AAB van 23 januari 2025 is aan het besluit van 1 april 2025 ten grondslag gelegd.
8. Het besluit van 1 april 2025 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
Noodzaak bedrijfswoning
9. [appellante] en anderen betogen dat geen sprake is van een noodzaak voor een bedrijfswoning en de omgevingsvergunning daarom in strijd met artikel 3.70, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV is verleend. Zij voeren daarover aan dat de noodzaak in het advies van de AAB met name wordt gezocht in het reguliere toezicht op de levende have en de vruchtbaarheidsbegeleiding daarvan, maar het toezicht wordt voornamelijk uitgevoerd door de vader van vergunninghoudster en niet door vergunninghoudster en haar partner zelf. Het bedrijf van vergunninghoudster moet daarom worden aangemerkt als een bedrijfstak van het bedrijf van haar vader. De bedrijfsvoeringen zijn immers gelijk aan elkaar en het aantal paarden is sterk gegroeid, wat ook wijst op een bedrijfstak die sterk leunt op de middelen van het bedrijf van de vader van vergunninghoudster. Het advies van de AAB gaat hier ten onrechte niet op in en is daarmee onzorgvuldig tot stand gekomen. [appellante] en anderen hebben de Afdeling verzocht de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) in te schakelen voor een advies over de bedrijfsactiviteiten op het perceel van vergunninghoudster.
9.1. Op grond van artikel 3.70, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV kan binnen het bouwperceel van een toegelaten bedrijf een bedrijfswoning worden toegestaan wanneer de noodzaak voor deze bedrijfswoning vanwege de aard van de bedrijfsvoering aanwezig is.
9.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is voor de vraag naar de noodzaak van een bedrijfswoning van belang of de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht opeisen, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat dat belang bestaat. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1697.
9.3. De Afdeling is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de bedrijfsprocessen in dit geval zoveel tijd en aandacht opeisen dat er op grond daarvan een redelijk belang is om op het perceel te wonen. In het herziene advies van de AAB wordt ingegaan op de bedrijfsvoering en wordt beschreven dat de bedrijfsvoering primair is gericht op het verhuren van draagmerries voor het voortbrengen van veulens. De embryo’s worden op het terrein van vergunninghoudster in de draagmerries ingezet en na gebleken drachtigheid worden de draagmerries na 50 dagen verplaatst naar het perceel van de klant. Er is gevraagd naar de mening van onder meer een dierenarts. Uit het advies volgt dat de geraadpleegden van mening zijn dat de draagmerries rondom het plaatsen van de embryo’s en tijdens de eerste 50 dagen van de dracht continu toezicht nodig hebben. Gelet op het voorgaande is de noodzaak voor een bedrijfswoning vanwege de aard van de bedrijfsvoering naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk.
9.4. De Afdeling is verder van oordeel dat de zelfstandigheid van het bedrijf van vergunninghoudster aannemelijk is. Uit het herziene advies van de AAB blijkt dat de afgelopen jaren op het perceel van vergunninghoudster een bedrijfsvoering in de paardenhouderij tot ontwikkeling is gekomen. Door vergunninghoudster is aan de AAB inzicht verschaft in de administratie over het aantal draagmerries en de financiële administratie van het bedrijf. Hieruit concludeert de AAB dat de paardenhouderij van vergunninghoudster de arbeidsomvang van een volwaardige arbeidskracht heeft en dat het van zo’n bedrijfsomvang is dat de continuïteit ook op de lange termijn in voldoende mate is gewaarborgd. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling de zelfstandigheid van het bedrijf van vergunninghoudster vast komen te staan. Wat [appellante] en anderen aanvoeren over de betrokkenheid van de vader van vergunninghoudster, zaait onvoldoende twijfel over de juistheid van het deskundigenstandpunt van de AAB. De groei van het aantal paarden op het perceel van vergunninghoudster maakt juist duidelijk dat het bedrijf van vergunninghoudster zich heeft ontwikkeld tot een zelfstandig bedrijf. Daarbij is niet vast komen te staan dat de vader van vergunninghoudster structureel en op vaste basis werkzaamheden verricht in het bedrijf van vergunninghoudster.
9.5. Gelet op het voorgaande is de noodzaak voor een bedrijfswoning op het perceel aannemelijk. De omgevingsvergunning is dan ook niet in strijd met artikel 3.70, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV verleend. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om de STAB in te schakelen.
Het betoog slaagt niet.
Eerder afgestoten bedrijfswoning en spuitzones
10. Verder betogen [appellante] en anderen dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 3.70, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV is verleend, omdat sprake is van een eerder afgestoten bedrijfswoning. Ook betogen zij dat niet voldoende is onderbouwd waarom een afstand van 25 meter kan worden aangehouden tussen de bedrijfswoning en hun bedrijf waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Gelet op wat zij daarover in incidenteel hoger beroep hebben aangevoerd, zijn zij het op deze punten ook niet eens met het besluit van 1 april 2025.
11. Het besluit van 1 april 2025 is voor wat betreft de onderbouwing van de noodzaak in verband met een eerder aanwezige, inmiddels afgestoten bedrijfswoning en de motivering voor wat betreft de spuitzones niet gewijzigd ten opzichte van het vernietigde besluit van 14 maart 2024 en daarover heeft de Afdeling hierboven al een oordeel gegeven.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie beroep
12. Het beroep tegen het besluit van 1 april 2025 is ongegrond.
Proceskosten
13. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het incidenteel hoger beroep gegrond;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 1 april 2025 ongegrond;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bernheze tot vergoeding van bij [appellante] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graaff-Haasnoot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
531-1167