202400460/1/R1.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], wonend in Brouwershaven, gemeente Schouwen-Duiveland, en [appellant B], wonend in Brouwershaven, gemeente Schouwen-Duiveland, handelend onder de naam [camping],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 december 2023 in zaak nr. 23/905 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.
Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2022 heeft het college aan [VOF] omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van containers voor opslag, een kantoor en een toiletunit voor de exploitatie van een voedselbos op het perceel [locatie 1] in Brouwershaven.
Bij besluit van 20 december 2022 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 20 juli 2022 met een aanvullende motivering gehandhaafd.
Bij uitspraak van 8 december 2023 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A] en [appellant B] hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 juli 2026, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr M.J.J. de Winter, advocaat in Tholen, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.P. Koster-Braad, zijn verschenen. Voorts is op de zitting [VOF], vertegenwoordigd door [persoon], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant A] en [appellant B] wonen op het perceel [locatie 2] in Brouwershaven en exploiteren op datzelfde adres een camping onder de naam [camping]. Dit perceel ligt naast het perceel waar de omgevingsvergunning op ziet. [appellant A] en [appellant B] vinden het voedselbosconcept ten behoeve waarvan de bebouwing is aangevraagd alsook de bebouwing zelf niet passen binnen de omgeving en vrezen een aantrekkende werking van het voedselbos met negatieve ruimtelijke gevolgen.
3. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Schouwen-Duiveland" de bestemming "Agrarisch". Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag in overeenstemming is met de ingevolge het bestemmingsplan op het perceel rustende bestemming, maar in strijd is met de bouwregels van dit bestemmingsplan, omdat het niet voorziet in een bouwvlak op het perceel en alleen ter plaatse van een bouwvlak gebouwen mogen worden gebouwd. Het college is op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht afgeweken van dit bestemmingsplan en heeft een tijdelijke omgevingsvergunning verleend. Voor gebruikmaking van die bevoegdheid heeft het college de "Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden 2016" (beleidsregels) vastgesteld. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag in overeenstemming is met de beleidsregels.
4. De relevante wettelijke bepalingen en regelgeving zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Hoger beroep [appellant A] en [appellant B]
Advies bezwaarschriftencommissie
5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte en ongemotiveerd van het advies van de bezwaarschriftencommissie is afgeweken. Zij wijzen erop dat in het advies van de bezwaarschriftencommissie is opgenomen dat het besluit nog niet voldoende duidelijk is. Volgens de commissie bieden onder meer de genoemde afmetingen onvoldoende zekerheid en ontbreekt een omschrijving van de wijze waarop het college heeft beoordeeld dat de voorgenomen activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het besluit op bezwaar is met betrekking tot de bouwwerken onduidelijk en ook is het aspect van een goede ruimtelijke ordening niet onderzocht en deugdelijk onderbouwd door het college.
5.1. Er is geen grond voor het oordeel dat het college ongemotiveerd van het advies van de bezwaarschriftencommissie is afgeweken. In het advies van de commissie bezwaarschriften van 17 oktober 2022 is het volgende vermeld:
"Op grond van artikel 2.1 lid. 1c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.(Wabo) is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. In artikel 2.12 Wabo.is bepaald dat een omgevingsvergunning -kan worden verleend indien het gebruik niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn gevallen omschreven waarbij een omgevingsvergunning verleend kan worden. In artikel 4 lid 11 van bijlage II behorend bij het Bor is bepaald dat voor het tijdelijk gebruik van gronden of bouwwerken een omgevingsvergunning verstrekt kan worden. Dat tijdelijk gebruik mag maximaal 10 jaar duren.
Om van deze vrijstelling gebruik te kunnen maken, mag deze activiteit niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Om te beoordelen of daar sprake van is, heeft verweerder de Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden vastgesteld. In het besluit staat vermeld dat verweerder daaraan heeft getoetst, maar de wijze waarop deze toetsing heeft plaats gevonden staat niet vermeld. De commissie constateert dat dit bij het bestreden besluit ontbreekt. Het bezwaar is gelet daarop dan ook gegrond. Zoals vermeld, heeft de commissie na afloop van de hoorzitting alsnog deze toetsing ontvangen. Hiermee is voldaan aan het vereiste in artikel 2 12 lid 1 Wabo.
Het besluit is naar het oordeel van de commissie nog niet voldoende duidelijk. Zo is gebleken dat de perceelaanduidingen niet correct zijn. Verder bieden de genoemde afmetingen van toegestaande bebouwing onvoldoende zekerheid en ontbreekt, zoals hierboven vermeld, een omschrijving van de wijze waarop verweerder heeft beoordeeld dat de voorgenomen activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening."
In het besluit op bezwaar heeft het college aangegeven dat een nieuw aanvraagformulier is aangeleverd met daarin het juiste kadastrale nummer en de juiste inhoud en dat deze als bijlage is bijgevoegd. Verder heeft het college een aanvullende motivering gegeven met betrekking tot de toetsing aan het algemeen afwegingskader in artikel 15 van de beleidsregels. [appellant A] en [appellant B] hebben niet gemotiveerd waarom met dit nieuwe aanvraagformulier nog onduidelijkheden bestonden over de afmetingen van de bouwwerken. Het college heeft in het besluit op bezwaar verder een nadere motivering gegeven met betrekking tot het afwijken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 15 van de beleidsregels. Het college heeft hiermee de door de bezwaarschriftencommissie omschreven gebreken in het besluit van 20 juli 2022 hersteld.
Het betoog slaagt niet.
Omvang strijd bestemmingsplan
6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag in strijd is met de op het perceel rustende agrarische bestemming. Het college heeft volgens [appellant A] en [appellant B] onvoldoende onderzoek gedaan en heeft geen volledige ruimtelijke afweging gemaakt met betrekking tot alle activiteiten waar de aanvraag op ziet. Volgens hen is de rechtbank niet van de juiste omvang van de aanvraag uitgegaan. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat de aanvraag ook de ontwikkeling en verkoop van ecologische producten en een kantoor omvat en dat ter zake onvoldoende onderzoek is gedaan en geen ruimtelijke afweging is gemaakt. Verder is onvoldoende komen vast te staan wat er onder een voedselbosconcept moet worden begrepen en of dit in overeenstemming is met de agrarische bestemming. [appellant A] en [appellant B] wijzen er op dat uit onder meer de website van [VOF] blijkt dat er allerhande activiteiten zullen plaatsvinden. [appellant A] en [appellant B] wijzen er verder op dat de aanvraag ook de oogst van vruchten omvat terwijl in artikel 3.4, onder v, van de planregels is bepaald dat fruitteelt ter plaatse van gronden die liggen binnen een afstand van 50 m van woningen van derden, of terreinen bestemd voor verblijfsrecreatie (minicampings daaronder inbegrepen) niet is toegestaan.
6.1. Het door [appellant A] en [appellant B] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanvraag niet in strijd is met de op het perceel rustende agrarische bestemming.
In de aanvraag is het project omschreven als:
"Het realiseren van een voedselbosconcept. Naast het oogsten van vruchten, zaden en paddenstoelen worden er ecologische producten ontwikkeld en verkocht. Hiertoe hebben we een opslagruimte en een mobiele unit nodig."
Op de plattegrond bij de aanvraag zijn naast een gebouw voor opslag ook een kantoorunit en wc ingetekend. In het besluit van 20 juli 2022 is vervolgens omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van containers voor opslag, kantoor en een toiletunit ten behoeve van een voedselbos. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een voedselbos onder de omschrijving valt van een grondgebonden agrarisch bedrijf, dat ter plaatse is toegestaan, en om die reden alleen een omgevingsvergunning voor de opslagcontainers, het kantoor en de toiletunit is verleend. Op de zitting heeft het college toegelicht dat de aanvraag zo is opgevat dat het voedselbos uitsluitend ziet op het telen en oogsten van vruchten, zaden en paddenstoelen en heeft het desgevraagd bevestigd dat de aanvraag niet ziet op ander gebruik zoals het organiseren van evenementen of verkoop ter plaatse. De containers dienen volgens het college uitsluitend ter ondersteuning van het gebruik dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Voor zover de aanvraag ziet op een kantoorunit is dit bedoeld voor administratieve werkzaamheden en het pauzeren door medewerkers, aldus het college.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat de aanvraag voor zover dit ziet op een voedselbos past in de bestemming "Agrarisch". De definitie van voedselbos in de Van Dale is: "aangeplant bos met vrucht en notenbomen, bessenstruiken e.d.". Het college heeft in de schriftelijke uiteenzetting ook verwezen naar de definitie in het Algemeen Nederlands Woordenboek waarin een voedselbos is omschreven als "door de mens ontworpen bos dat bedoeld is voor voedselproductie, meerdere lagen van begroeiing heeft en waarin bijvoorbeeld fruitbomen en notenbomen staan". Nu het college op de zitting opnieuw heeft bevestigd dat de aanvraag, en daarmee de omgevingsvergunning, wat het gebruik betreft uitsluitend ziet op het telen van bomen en planten en het oogsten van de opbrengst en, anders dan [appellant A] en [appellant B] betogen, niet ziet op andere activiteiten zoals het organiseren van evenementen of verkoop ter plaatse, is er geen grond voor het oordeel dat de aanvraag in zoverre in strijd is met de bestemming "Agrarisch".
Voor zover door [appellant A] en [appellant B] is gewezen op de aangevraagde kantoorunit, is anders dan zij betogen niet gebleken dat het college niet heeft onderkend dat de aanvraag daar ook op ziet en het college ter zake geen juiste beoordeling heeft gemaakt. Er is expliciet omgevingsvergunning verleend voor een kantoor. Het college heeft toegelicht dat dit kantoor dient ten behoeve van de medewerkers van het voedselbos, dat, zoals hiervoor is overwogen, in overeenstemming is met het bestemmingsplan.
Voor zover door [appellant A] en [appellant B] is gewezen op artikel 3.4, aanhef en onder v, van de planregels waaruit volgt dat fruitteelt ter plaatse van gronden die zijn gelegen binnen een afstand van 50 meter van woningen van derden, of terreinen bestemd voor verblijfsrecreatie (minicampings daaronder inbegrepen) niet is toegestaan, wordt overwogen dat de aanvraag niet ziet op fruitteelt binnen een afstand van 50 meter van de woning van [appellant A] en [appellant B] of de camping. Ter zitting heeft [VOF] ook bevestigd dat geen fruitteelt plaats zal vinden binnen een afstand van 50 meter van de woning van [appellant A] en [appellant B] of de camping.
Het betoog slaagt niet.
Tijdelijkheid
7. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om met toepassing van 4, aanhef en onderdeel 11, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning te verlenen. De aangevraagde activiteit kan volgens hen niet als tijdelijk worden aangemerkt. De bebouwing zal in de loop van de tijd omgeven worden door het voedselbos, hetgeen in de weg staat aan verwijdering. Ook de aard van het voedselbos maakt dat de bebouwingsbehoefte permanent is.
7.1. Het door [appellant A] en [appellant B] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat niet aannemelijk is dat de aangevraagde bouwwerken tijdelijk aanwezig zullen zijn en het college geen tijdelijke omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Het is niet gebleken dat de bouwwerken, zoals zij stellen, niet verwijderd kunnen worden na de 10 jaar. Dat volgt niet uit de enkele omstandigheid dat het voedselbos naar gesteld niet tijdelijk is. De Afdeling wijst erop dat [appellant A] en [appellant B], als de containers over 10 jaar niet verwijderd zijn, een handhavingsverzoek kunnen indienen.
Het betoog slaagt niet.
Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden 2016 en goede ruimtelijke ordening
8. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet met toepassing van artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Volgens hen is de aanvraag in strijd met een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo. Zij wijzen er in dit kader op dat in het bestemmingsplan is bepaald dat buiten bouwvlakken geen bebouwing is toegestaan, niet permanent maar ook niet tijdelijk. Dat dient het uitgangspunt te zijn. [appellant A] en [appellant B] wijzen ook op de ruimtelijke uitstraling van de containers die niet passen in de omgeving die gekenmerkt moet worden als kwetsbaar buitengebied. Volgens [appellant A] en [appellant B] is de aanvraag onduidelijk met betrekking tot de maatvoering en de ligging ten opzichte van de perceelsgrenzen zodat de ruimtelijke gevolgen niet kunnen worden beoordeeld en is niet voldaan aan de indieningsvereisten uit de Regeling omgevingsrecht.
8.1. Het college heeft gebruik gemaakt van de bevoegdheid om een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen, als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II van het Bor. Voor de bevoegdheid als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II van het Bor geven de beleidsregels geen specifieke beleidsregels betreffende de wijze waarop van die bevoegdheid om een tijdelijke afwijkingsvergunning te verlenen gebruik moet worden gemaakt. De voorliggende aanvraag om omgevingsvergunning heeft dus betrekking op een geval dat niet vermeld wordt in, zoals artikel 15 dat formuleert, "de bovengenoemde specifieke beleidsregels". Daarvan uitgaande heeft het college, anders dan de rechtbank heeft overwogen, terecht het "algemene afwegingskader" van artikel 15 toegepast.
Het college heeft met betrekking tot de toetsing aan artikel 15 van de beleidsregels aangegeven dat geen nieuw bestemmingsplan in voorbereiding is voor dit gebied waarop geanticipeerd zou moeten worden (criterium 1 van artikel 15). Verder heeft het college met betrekking tot het bestaande ruimtelijk beleid (criterium 2) toegelicht dat in het buitengebied in principe alleen bebouwing is toegestaan binnen een bouwstede of bouwvlak maar dat in dit geval akkoord wordt gegaan met een tijdelijke bebouwing tot maximaal 60 m² in verband met de opstartfase van het voedselbos. Het college heeft verder met betrekking tot de waarborging van de ruimtelijke kwaliteit (criterium 3) aangegeven dat de bebouwing wordt geïntegreerd in het voedselbos en daarom nauwelijks zichtbaar is vanaf de weg en dat de bebouwing geclusterd wordt op het perceel. Ten aanzien van de afweging van de individuele en algemene belangen (criterium 4) heeft het college zich op het standpunt gesteld dat vooral het individueel belang van de aanvrager een grote rol speelt en er geen algemene belangen zijn die geschaad worden. Met betrekking tot de aspecten rechtszekerheid en rechtsgelijkheid (criterium 5) heeft het college aangegeven dat er geen nabijgelegen woningen zijn die zicht krijgen op de bebouwing en de bebouwing bovendien op den duur midden tussen beplanting zal staan en minder goed zal opvallen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college met de afweging in het besluit op bezwaar voldoende gemotiveerd waarom het, met toepassing van artikel 15 van de beleidsregels, van het bestemmingsplan wenst af te wijken en geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals hiervoor is overwogen onder 6.1 de aanvraag niet in strijd met de op het perceel rustende agrarische bestemming, maar deze uitsluitend in strijd is met het bestemmingsplan omdat de bouwwerken niet binnen een bouwvlak zijn voorzien. Bij de vraag of de bouwwerken in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening zijn dan ook uitsluitend de ruimtelijke gevolgen van deze bouwwerken relevant. De enkele omstandigheid dat wordt gebouwd op een locatie zonder bouwvlak maakt niet dat de aanvraag in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het is niet gebleken dat de ruimtelijke uitstraling van de containers zodanig zal zijn dat deze, zoals [appellant A] en [appellant B] betogen, niet passen in de omgeving. Daarbij is mede van belang dat de bouwwerken worden geïntegreerd in het voedselbos en daarom op den duur steeds minder zichtbaar zullen zijn vanaf de weg. Bovendien gaat het om een tijdelijke omgevingsvergunning, zodat de ruimtelijke gevolgen ook in dat opzicht beperkt zijn. [appellant A] en [appellant B] hebben voorts, zoals hiervoor is overwogen onder 5.1, niet gemotiveerd welke gegevens ontbreken met betrekking tot de maatvoering van de containers en de toiletunit om een beoordeling te kunnen maken van de ruimtelijke gevolgen van deze bouwwerken. Bij de aanvraag hoort verder een situatietekening zodat de ligging ten opzichte van het perceel van [appellant A] en [appellant B] duidelijk is.
Het betoog slaagt niet.
Het incidenteel hoger beroep van het college
9. Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] gegrond is. Nu het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B], gelet op het voorgaande, ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van het college vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan kan derhalve niet worden toegekomen.
Conclusie
10. Het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] is ongegrond. Het door het college ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is daarmee vervallen. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
580
BIJLAGE
Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht
Artikel 4
"Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
[..]
11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar."
Bestemmingsplan "Buitengebied Schouwen-Duiveland"
Artikel 1.5
"agrarisch bedrijf
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en / of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:
a. grondgebonden agrarisch bedrijf:
1. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt;
2. bollenteelt: de teelt van bloembollen al dan niet in samenhang met de teelt van bolbloemen;
3. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;
4. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond waarvoor in de bedrijfsvoering de weidegang essentieel is;
5. paardenfokkerij: het fokken van paarden en het houden van paarden ten behoeve van de vlees- en / of melkproductie;
6. sierteelt: de teelt van siergewassen op open grond al dan niet gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten;
[..]"
Artikel 1.41
"extensieve dagrecreatie
kleinschalige extensieve recreatieve activiteiten gericht op de beleving van het buitengebied, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, kanoën, vissen, zwemmen en natuurobservatie."
Artikel 3.1
" Bestemmingsomschrijving
De op de plankaart voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. grondgebonden agrarische bedrijven;
[..]
c. aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende recreatieve fiets- en wandelpaden en voorzieningen;
[..].
Artikel 3.2
"Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels.
3.2.1. Bouwregels voor bouwstedes en bouwvlakken
a. ter plaatse van de aanduidingen 'bouwstede' en 'bouwvlak' mogen gebouwen en bouwwer ken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
[..]
3.2.2 Bouwregels voor gronden buiten bouwstedes en bouwvlakken
Buiten een bouwvlak of bouwstede mogen slechts worden gebouwd:
a. kuilvoerplaten en sleufsilo's, direct aansluitend op bouwstedes en bouwvlakken;
b. terreinafscheidingen;
c. ter plaatse van de aanduidingen 'randzone', 'uitbreiding natuur' en 'natuurwaarden' zijn geen gebouwen en overkappingen toegestaan.
[..]"
Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden 2016
Artikel 15 Algemeen afwegingskader
Indien een aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op een geval dat niet vermeld wordt in of voldoet aan de bovengenoemde specifieke beleidsregels, of voor gevallen die getoetst worden aan bovengenoemde beleidsregels, waarbij een nadere afweging dient te worden gemaakt, dan kunnen burgemeester en wethouders in afwijking van een bestemmingsplan een omgevingsvergunning verlenen nadat getoetst is aan de volgende criteria:
1.Anticiperen nieuw bestemmingsplan
Bij iedere aanvraag om omgevingsvergunning die in strijd is met het geldende bestemmingsplan en valt onderde categorieën van gevallen genoemd in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht wordt onderzocht of er een herziening wordt voorbereid en in welk stadium dit plan zich bevindt. In de afweging wordt meegenomen of het verzoek zal passen binnen het nieuwe bestemmingsplan en er geanticipeerd kan worden op de nieuwe situatie. Op het moment dat het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan ter inzage is gelegd kan in de motivering van de omgevingsvergunning daarnaar worden verwezen.
2.Bestaand ruimtelijk beleid
De aanvraag om omgevingsvergunning wordt getoetst aan het van toepassing zijnde vastgestelde beleid. Bij strijdigheid met vastgesteld beleid zal in principe géén medewerking worden verleend. Zijn er specifieke omstandigheden die afwijking rechtvaardigen dan geldt bij de besluitvorming een zwaardere motiveringseis, tenzij verwezen kan worden naar in ontwikkeling zijnd beleid dat al op schrift is gesteld en waarvan aannemelijk is dat het zo vastgesteld gaat worden.
3.Waarborging ruimtelijke kwaliteit
In alle gevallen zal er sprake moeten zijn van een verantwoord stedenbouwkundige nieuwe situatie. Hiervan is onder andere sprake indien:· het afwijken niet tot gevolg heeft dat het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld wordt aangetast en;· door het afwijken de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast. Hiertoe kan iedere aanvraag om omgevingsvergunning met ruimtelijke consequenties ter goedkeuring aan de welstands- en monumentencommissie , en indien relevant, aan een stedenbouwkundige worden voorgelegd. Bovendien wordt getoetst of verschillende functies significante hinder van elkaar zullen ondervinden en of bestaande toegestane functies belemmerd zullen worden in hun doelmatig gebruik. Bij strijdigheid met een van deze elementen kan in principe géén medewerking worden verleend aan de omgevingsvergunning, tenzij strikte randvoorwaarden worden verbonden aan de vergunning ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit.
4.Afweging individueel en algemeen belang
Bij iedere aanvraag om omgevingsvergunning wordt onderzocht hoe het individuele belang van de aanvrager zich verhoudt tot het door de gemeente te bewaken algemene belang. In dat geval kunnen aspecten als openbare orde, veiligheid (waaronder brandveiligheid, sociale veiligheid, verkeersveiligheid),landschapsschoon, natuur een rol spelen.
5.Rechtszekerheid en rechtsgelijkheid
Bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning moet rekening worden gehouden met de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Juist omdat het bij een omgevingsvergunning om een individuele concrete situatie in tegenstelling tot de integrale ruimtelijke benadering bij een herziening van een bestemmingsplan dient nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het verzoek voor de omgeving en omwonenden. De effecten voor de aangrenzende percelen dienen voor zover mogelijk in beeld te worden gebracht".