202502066/1/A2.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], kantoorhoudend in [plaats],
appellante,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 februari 2025 in zaak nr. 24/2282 in het geding tussen:
[appellante]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (de raad)
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2023 heeft de raad aan [appellante] voor door haar verleende rechtsbijstand een vergoeding van € 1.163,54 toegekend.
Bij besluit, verzonden op 9 april 2024, heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 18 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. [appellante] heeft als advocaat [persoon] bijgestaan in zijn asielprocedure. De raad heeft voor de asielprocedure aan hem bij besluit van 16 februari 2023 een toevoeging verleend (V060 AA-procedure). Bij besluit van 2 augustus 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan hem een verblijfsvergunning asiel verleend. In het kader van de behandeling van de aanvraag van [persoon] hebben een aanmeldgehoor en een nader gehoor plaatsgevonden. Ten aanzien van beide gehoren zijn correcties en aanvullingen naar voren gebracht.
2. De raad heeft in zijn besluit van 18 december 2023 bepaald dat hij geen toeslag verlengde asielprocedure toekent. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat er geen aanvullende (onderzoeks)handelingen zijn verricht en/of dat niet is gebleken van doorzending naar de verlengde asielprocedure.
In het besluit op bezwaar, verzonden op 9 april 2024, heeft de raad het bezwaar van [appellante] opgevat als dat zij zegt dat zij vanaf 5 juli 2022 voorkeursadvocaat is, dus voor de wijziging van het beleid per 1 september 2022 waardoor zij niet in aanmerking komt voor een toeslag verlengde asielprocedure, en dat zij daarom meent dat zij op grond van het oude beleid nog in aanmerking komt voor die toeslag. De raad heeft zich in dat besluit op het standpunt gesteld dat [appellante] geen aanvraag om voorkeursmachtiging heeft ingediend en dat voorkeursmachtigingen pas vanaf 1 januari 2023 direct, dus zonder concrete aanvraag, worden afgegeven. De raad heeft op grond daarvan geen aanleiding gezien om zijn oude beleid toe te passen.
3. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] in feite een beroep doet op het overgangsrecht ten aanzien van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr). Dit besluit is met ingang van 1 september 2022 gewijzigd. Op grond van artikel IV van het wijzigingsbesluit blijft het Bvr, zoals het luidde op de dag vóór de datum van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit, van toepassing op toevoegingen die zijn aangevraagd vóór de datum van inwerkingintreding van het wijzigingsbesluit. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellante] geen aanvraag heeft gedaan vóór 1 september 2022.
De rechtbank heeft verder overwogen dat de raad pas vanaf 1 januari 2023 de praktijk voert om zonder concrete aanvraag direct toevoegingen te verlenen bij voorkeursmachtigingen. Het direct koppelen van een advocaat met onmiddellijke verlening van een toevoeging zou tot rust voor de asielzoeker kunnen leiden. Daarbij is van belang dat de advocaat dan ook daadwerkelijk tot kennismaking met de rechtzoekende overgaat en dat er dus werk wordt verricht. Dat [appellante] al voor 1 september 2022 daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht, is gesteld noch gebleken.
4. De rechtbank is gemotiveerd op de beroepsgronden van [appellante] ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. Verder heeft zij haar grond niet toegelicht waarom die motivering onbegrijpelijk zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 12 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
488-1175