202307145/1/R2.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Veghel, gemeente Meierijstad,
appellante,
en
de raad van Meierijstad,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2023 heeft de raad de aanvraag van [appellante] om het bestemmingsplan "Veghel West, Deelgebied Eikelkamp-Hoogeind" voor het perceel [locatie 1] (hierna: perceel) in Veghel te wijzigen afgewezen.
Bij besluit van 28 september 2023 heeft de raad het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 november 2025, waar de raad, vertegenwoordigd door C.M.M. van Houtum, is verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een wijzigingsplan vast te stellen is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om het bestemmingsplan te wijzigen is ingediend op 3 januari 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellante] was samen met haar echtgenoot eigenaar van het perceel [locatie 2] en van het perceel met daarop een voormalige garage, die behoorde bij [locatie 2]. In 1989 is onder bepaalde voorwaarden toestemming gegeven tot gebruik van die garage voor tijdelijke bewoning door de ouders van [appellante]. [appellante] is in 2013 gescheiden. Zij heeft toen haar echtgenoot uitgekocht, waarbij zij de volle eigendom verkreeg van [locatie 2]. Zij was in de veronderstelling dat zij daarmee ook de eigendom had verkregen van het perceel. De percelen bleken echter kadastraal te zijn gesplitst, als gevolg waarvan het perceel niet is genoemd in de eigendomsakte en niet in haar eigendom is overgegaan. Haar ex-echtgenoot is nog steeds mede-eigenaar van het perceel.
Bij de vaststelling van bestemmingsplan "Veghel West, Deelgebied Eikelkamp-Hoogeind in 2012" is aan de gronden ter plaatse van deze garage de bestemming "Wonen" toegekend met de bouwaanduiding "twee-aaneen". [appellante] wil dat de bestemming van deze gronden teruggebracht wordt naar garage/berging.
3. De raad heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het huidige bestemmingsplan het huidige gebruik van het pand als woning door de ouders van [appellante] niet in de weg staat. Op grond van de planregels van het huidige bestemmingsplan is ook het beëindigen van het gebruik als woning en het hervatten van het gebruik als garage toegestaan.
Bespreking van het beroep
4. [appellante] stelt dat zij destijds ten onrechte niet op de hoogte is gesteld van de bestemmingsplanwijziging. Daardoor heeft zij daartegen geen rechtsmiddelen kunnen aanvoeren.
4.1. De Afdeling overweegt dat de raad niet gehouden is iedere burger die betrokken is bij een bestemmingsplan afzonderlijk te informeren over een wijziging. Er is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de kennisgeving van de terinzagelegging. In de Wet ruimtelijke ordening of in een ander wettelijk voorschrift valt geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerpplan. Het ontwerp-bestemmingsplan is bekend gemaakt op 11 augustus 2010 en heeft ter inzage gelegen, zodat de gelegenheid is gegeven om zienswijzen in te dienen. De (gewijzigde) vaststelling van het plan is deugdelijk bekend gemaakt op 8 juni 2011, waarbij is gewezen op de mogelijkheid rechtsmiddelen in te stellen. Daarmee is voldaan aan de verplichting tot bekendmaking als bedoeld in artikel 3.8, derde en vierde lid van de Wet ruimtelijke ordening en was de vaststelling kenbaar voor [appellante]. Het betoog slaagt niet.
5. [appellante] betoogt dat het bestreden besluit genomen is in strijd met het motiveringsbeginsel omdat de raad voornamelijk verwijst naar het advies van de bezwaarcommissie en nalaat om zelf een gedegen motivering te geven.
5.1. Op grond van artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht kan ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. De Afdeling stelt vast dat het advies is meegestuurd met het bestreden besluit. Het advies zelf bevat een heldere onderbouwing van de geadviseerde beslissing. [appellante] heeft niet duidelijk gemaakt waarom dat advies niet deugdelijk gemotiveerd zou zijn. Het betoog slaagt niet.
6. [appellante] voert aan dat de wijziging niet in overeenstemming is met de brief van 1989 waarin de afspraak is gemaakt dat de bewoning door de ouders van [appellante] tijdelijk was en dat na afloop het gebruik weer zou moeten worden hersteld naar garage. Door de bestemmingswijzing kunnen derden de woning gaan bewonen. Dan kan de voorwaarde uit 1989 dat de garage enkel door de ouders van [appellante] tijdelijk mag worden bewoond niet langer worden nageleefd. Weigering is daarom in strijd met de rechtszekerheid.
6.1. De Afdeling overweegt dat de raad de destijds de woonbestemming heeft toegekend na een inventarisatie van het werkelijke gebruik. Met de wijzing naar wonen heeft de raad permanente bewoning mogelijk gemaakt, terwijl gelet op de artikelen 15.1 en 15.2.2 van de planregels het gebruik als garage ook mogelijk blijft. Volgens de planregels is bij de bestemming "wonen" gebruik als parkeervoorziening immers toegestaan. Dit betekent dat [appellante] niet meer gehouden is de afspraken uit 1989 na te komen. De weigering om de bestemming te wijzigen is dan ook niet in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt niet.
7. [appellante] betoogt dat de raad tijdens de hoorzitting in bezwaar bereid was tot aanpassing en daarmee zijn fout erkent. Door echter de eis te stellen dat alle eigenaren toestemming moeten geven voor de wijziging, is er geen oplossing gekomen, aangezien de ex-echtgenoot van appellante weigert toestemming te geven. Deze gang van zaken is onzorgvuldig en in strijd met het vertrouwensbeginsel.
7.1. De raad heeft toegelicht dat inderdaad is toegezegd dat de gevraagde wijziging kan worden meegenomen bij de volgende wijziging van het omgevingsplan. Daarbij is wel vermeld dat de aanvraag moet komen van alle eigenaren en grondgebruikers. Als namelijk een van hen niet mee wil werken ontstaat volgens de raad een evidente privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan planwijziging. De raad wijst er daarbij op dat het huidige bestemmingsplan geen belemmeringen opwerpt voor de gewenste gebruiksmogelijkheden en er in zoverre ook geen noodzaak is tot wijziging.
7.2. De Afdeling stelt vast dat uit de stukken blijkt dat de raad weliswaar bereidheid heeft getoond om de wijziging te realiseren, maar ook steeds heeft benoemd dat daarvoor wel nodig is dat alle rechthebbenden daarvoor hun toestemming geven. De Afdeling wijst op de e-mail van 14 december 2022, het besluit van 2 februari 2023 en de weergave van het besprokene op de hoorzitting in het advies van de bezwaarschriftencommissie. De raad heeft erop gewezen dat in de aanvraag zelf staat dat de ex-echtgenoot van [appellante] niet wil meewerken, en dat dat bevestigd is in een gesprek dat ambtenaren van de gemeente met hem hebben gehad. Onder die omstandigheden kon [appellante] er niet vanuit gaan dat de raad zonder meer zou meewerken aan wijziging. De raad heeft immers steeds het voorbehoud gemaakt dat alle rechthebbenden zouden instemmen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad die voorwaarde mogen stellen. Omdat die instemming er niet was, was de raad ook niet gehouden over te gaan tot wijziging. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van J.M. Rijsdijk, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026