202403879/1/A3.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 mei 2024 in zaak nr. 22/6003 in het geding tussen:
[appellante]
en
de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: de algemene raad).
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2022 heeft de raad van de Rotterdamse Orde van Advocaten (hierna: Rotterdamse Orde) het verzoek van [appellante] om afgifte van een stageverklaring afgewezen en het verzoek om verlenging van de stage ingewilligd.
Bij besluit van 1 november 2022 heeft de algemene raad het door [appellante] daartegen gemaakte administratief beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De algemene raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Rotterdamse Orde conformeert zich hieraan. Verder hebben [appellante], de algemene raad en de Rotterdamse Orde nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 december 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.E.S. Hanenberg, en de algemene raad, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Huizinga en mr. S.H.W. Stigter, advocaten te Den Haag, zijn verschenen. Verder is op de zitting de Rotterdamse Orde, vertegenwoordigd door mr. M.A.R.C. Padberg, advocaat te Rotterdam, als partij verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is op 8 juni 2018 beëdigd als advocaat en is dat jaar begonnen aan haar stage ten behoeve van de beroepsopleiding voor de advocatuur. De duur van de stage liep wegens haar werk in deeltijd tot 8 maart 2022. Zij heeft op 28 december 2021 verzocht om haar stage met 12 maanden te verlengen. De reden hiervoor is dat haar patroon niet kon verklaren dat [appellante] over voldoende praktijkervaring beschikt, gelet op de verschillende perioden van afwezigheid wegens ziekte, re-integratie, zwangerschaps- en bevallingsverlof en een eerdere overname van het patronaat. Omdat niet duidelijk was wanneer [appellante] haar werk zou kunnen hervatten en in welk tempo zij kon re-integreren, heeft zij op 8 januari 2022 haar verzoek in die zin gewijzigd dat zij vraagt om een verlenging van haar stage met 24 maanden. Het verzoek heeft zij op 11 januari 2022 opnieuw gewijzigd in die zin dat zij primair verzoekt om afgifte van een stageverklaring.
2. De Rotterdamse Orde heeft het verzoek om afgifte van de stageverklaring afgewezen, omdat de stage wegens vorenstaande omstandigheden bijna een derde van de totale stagetijd geschorst is geweest en [appellante] om die reden kwantitatief, maar waarschijnlijk ook kwalitatief niet voldoende praktijkervaring heeft opgedaan. Wel heeft de Rotterdamse Orde de stagetermijn verlengd met 24 maanden en [appellante] geadviseerd zich wegens haar ziekte te laten schrappen van het tableau, zodat zij zich na herstel opnieuw kan inschrijven en de stage zou kunnen afronden binnen de termijn en niet wordt geconfronteerd met de schrapping van het tableau van rechtswege omdat de maximale stageduur van 72 maanden is bereikt. De algemene raad heeft het daartegen door [appellante] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellante] heeft de praktijk gedurende 13 maanden en 21 dagen niet kunnen uitoefenen wegens ziekte en het ontbreken van een patroon en gedurende 3 maanden en 22 dagen niet wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof. De algemene raad begrijpt daarom dat is gekozen voor verlenging en is met de Rotterdamse Orde van oordeel dat [appellante] niet heeft voldaan aan de kwantitatieve voorwaarden voor het verstrekken van de stageverklaring en onvoldoende praktijkervaring heeft opgedaan.
3. Het wettelijk kader, zoals luidende ten tijde van belang, is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Rechtbankuitspraak
4. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellante] inmiddels geen procesbelang meer heeft bij de procedure. Zij heeft zich namelijk op 7 juli 2022 laten uitschrijven van het tableau. Zij is daardoor geen stagiaire meer en aan haar kan daarom geen stageverklaring worden afgegeven. De rechtbank heeft hierbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:955, onder 6. Ook bij de verlenging van de stage bestaat volgens de rechtbank geen belang, omdat van een stage geen sprake meer is. Het doel dat [appellante] voor ogen had met deze procedure is door de uitschrijving niet meer van feitelijke betekenis. Verder was het haar eigen keuze om zich uit te schrijven, zodat haar door dit oordeel niet een beroepsmogelijkheid wordt ontnomen. Dat zij zich genoodzaakt zag zich uit te schrijven omdat zij anders te lang ingeschreven zou staan zonder aan de voorwaarden voor de afgifte van een stageverklaring te kunnen voldoen, maakt dit niet anders. Ook betrekt de rechtbank dat [appellante] weer kan verzoeken zich in te schrijven zodra zij arbeidsgeschikt is en dan na het voorzetten en afronden van haar stage opnieuw kan proberen een stageverklaring te krijgen.
Hoger beroep
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen procesbelang heeft bij de procedure. Omdat zij op het moment van het afwijzende besluit nog ingeschreven stond op het tableau, zou het verkrijgen van de stageverklaring ertoe hebben geleid dat haar inschrijving onvoorwaardelijk werd. Zij zou zich dan vrijelijk kunnen laten in- en uitschrijven van het tableau, zonder opnieuw de stage te moeten voltooien. Dit is daarom ook van belang voor de toekomst, zodat de procedure voor haar nog feitelijke betekenis heeft en zij daarbij dus procesbelang heeft. Hoewel zij nog steeds volledig arbeidsongeschikt is, wil zij in de toekomst weer de advocatuur in. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij door de uitschrijving geen stageverklaring meer kon krijgen. Zij voert daartoe aan dat ingevolge artikel 9b van de Advocatenwet de verklaring wordt afgegeven op, en met terugwerkende kracht tot, het moment dat de stagiaire aan de eisen van de stage heeft voldaan. Volgens [appellante] is het ingeschreven staan als advocaat op het moment van het verkrijgen van de verklaring dan ook slechts een formaliteit, die geen enkel belang dient. Daarbij komt dat de redenering van de rechtbank meebrengt dat als zij zich voorafgaand aan de uitspraak van de rechtbank alsnog opnieuw had ingeschreven als advocaat, zij wel procesbelang had gehad. Tot slot betoogt [appellante] dat er met de door de rechtbank gevolgde interpretatie van de Advocatenwet en de Verordening op de advocatuur (hierna: Voda) een onrechtmatig onderscheid wordt gemaakt tussen advocaten en niet-advocaten dat in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en vrijheden en artikel 1 van het twaalfde protocol behorende bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Beoordeling hoger beroep
5.1. De rechtbank heeft uit de uitspraak van 30 maart 2022 ten onrechte afgeleid dat [appellante] geen procesbelang heeft. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de betrokkene, die zijn verzoek om een stageverklaring had gedaan toen hij al jarenlang niet meer stond ingeschreven als advocaat en daardoor ook geen stagiair meer was, gelet op de wettelijke systematiek geen stageverklaring kon krijgen en dat met zijn beroep dus evenmin kon bereiken, waardoor hij geen belang had bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Dit is anders wanneer het verzoek om een stageverklaring wordt gedaan door een op het tableau (voorwaardelijk) ingeschreven advocaat. Vergelijk de uitspraken van 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3399 en ECLI:NL:RVS:2022:3400. [appellante] heeft verzocht om een stageverklaring toen zij nog wel ingeschreven stond als advocaat en dus stagiair was. Zowel in administratief beroep als bij de rechtbank lag daarom de vraag voor of de afwijzing van het verzoek om afgifte van een stageverklaring rechtmatig was. De Afdeling ziet niet in - en dit volgt ook niet uit de Advocatenwet en de Voda - dat de stageverklaring niet alsnog feitelijk zou kunnen worden afgegeven indien door de algemene raad of de bestuursrechter wordt geconcludeerd dat de afwijzing onrechtmatig is en [appellante], die ten tijde van het verzoek stagiair was, recht had op afgifte van een stageverklaring. Dat in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet wordt gesproken over afgifte van de verklaring aan de stagiair staat daaraan in een geval als dit niet in de weg. De Afdeling wijst er ook op dat volgens artikel 9b, zesde lid, van de Advocatenwet niet een ‘stagiair’, maar een ‘belanghebbende’ administratief beroep kan instellen tegen de weigering een stageverklaring af te geven. Administratief beroep en een eventueel daaropvolgende bestuursrechtelijke procedure wordt betekenisloos als een stagiair door tijdsverloop, of een andere reden, van het tableau wordt geschrapt en daardoor de juistheid van de afwijzing van de stageverklaring niet in rechte aan de orde zou kunnen stellen. Dat kan niet de bedoeling zijn geweest van de wetgever door in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet te spreken over afgifte van de verklaring aan de stagiair en zou ook maken dat er in dergelijke geschillen voor een gewezen stagiair aan wie de afgifte van een stageverklaring is geweigerd geen effectieve rechtsbescherming bestaat. De afgifte van een stageverklaring is voor [appellante] bovendien nog altijd van feitelijke betekenis, omdat zij in dat geval bij een hernieuwde inschrijving niet opnieuw een patroon hoeft te zoeken, weer stage moet lopen, opnieuw om afgifte van een stageverklaring moet verzoeken en de eventueel daaropvolgende toetsing van die beslissing moet afwachten, zoals het geval zou zijn indien de redenering van de rechtbank en de algemene raad wordt gevolgd. Bij een alsnog afgegeven stageverklaring naar aanleiding van het onderhavige verzoek kan zij zich juist onvoorwaardelijk laten inschrijven. Hetzelfde geldt voor de verlenging. Het is van feitelijke betekenis of [appellante] bij hernieuwde inschrijving de stage mag vervolgen en ook is relevant om te weten hoe lang de duur van die stage dan nog is. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geconcludeerd dat [appellante] geen belang meer heeft bij de procedure.
5.2. Dat volgens de algemene raad een stage niet kan worden voltooid als de stage van rechtswege door ziekte is opgeschort is eveneens onvoldoende om aan te nemen dat er geen procesbelang is. Ook als de algemene raad een dergelijke redenering aan een afwijzend besluit ten grondslag legt, laat dat, wat er verder van zij, onverlet dat dit besluit en daarmee de juistheid van dat standpunt in algemene zin en in het concrete geval vervolgens in administratief beroep en door de bestuursrechter getoetst moet kunnen worden.
5.3. Het betoog slaagt.
Conclusie over hoger beroep
6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beoordeling beroep
7. [appellante] heeft in beroep aangevoerd dat de algemene raad in het besluit van 1 november 2022 ten onrechte niets heeft gevonden van de afwijzing van het verzoek om afgifte van een stageverklaring. Daardoor is ook niet beslist op haar betoog dat de Rotterdamse Orde op kwalitatieve wijze, met inachtneming van de verklaringen van haar (voormalige) patroons, had moeten beoordelen of zij voldoende praktijkervaring heeft als bedoeld in artikel 9b van de Advocatenwet en artikel 3.2 van de Voda. Ten onrechte en, zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX2120, zonder wettelijke grondslag, is bij de conclusie dat zij onvoldoende praktijkervaring heeft alleen gekeken naar de perioden dat zij door ziekte, het ontbreken van een patroon of zwangerschaps- of bevallingsverlof niet heeft kunnen werken, in plaats van dat kwalitatief is gekeken naar haar functioneren.
7.1. De algemene raad heeft inderdaad niet uitdrukkelijk iets gevonden van de afwijzing van het verzoek om afgifte van een stageverklaring omdat [appellante] niet over voldoende praktijkervaring beschikt. Wel valt uit zijn besluit af te leiden dat zij die afwijzing kan volgen, omdat een verlenging in dit geval volgens haar aangewezen is en een verlenging volgens artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet alleen mogelijk is als een stagiair nog niet over voldoende praktijkervaring beschikt.
7.2. De algemene raad heeft in dat verband geoordeeld dat hij met de Rotterdamse Orde van oordeel is dat [appellante] niet heeft voldaan aan de kwantitatieve voorwaarden voor het verstrekken van de stageverklaring en dat [appellante] onvoldoende praktijkervaring heeft opgedaan. De Rotterdamse Orde had echter vastgesteld dat [appellante] voldoet aan de termijn in de aanhef van artikel 3.2 van de Voda en aan het vereiste onder a. Ook heeft hij vastgesteld dat [appellante] voldoet aan het vereiste onder b, en dus voldoet aan de kwantitatieve vereisten voor de praktijkervaring die zijn neergelegd in artikel 3.9 en 3.10 van de Voda. Zie hierover ook de uitspraak van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1944, onder 5.1. Met zijn oordeel dat [appellante] niet heeft voldaan aan de kwantitatieve voorwaarden, moet de algemene raad dan ook doelen op het oordeel dat [appellante] nog 13 maanden en 21 dagen stage moet lopen voordat zij een stageverklaring kan aanvragen. Zoals [appellante] terecht heeft aangevoerd, is dit oordeel in strijd met de artikelen 9b, eerste lid, van de Advocatenwet en artikel 3.2 van de Voda. De Afdeling verwijst naar de hiervoor vermelde uitspraak van 17 mei 2006. Uit die uitspraak volgt dat de praktijkervaring inhoudelijk moet worden beoordeeld, ook als een stagiair door bijvoorbeeld zwangerschaps- en bevallingsverlof nog niet feitelijk drie jaar, of zoveel langer als dat gelet op de deeltijdfactor is aangewezen, de praktijk heeft uitgeoefend. Zoals verder ook op de zitting bij de Afdeling is besproken, heeft de algemene raad zijn oordeel dat [appellante] onvoldoende praktijkervaring heeft opgedaan verder niet gemotiveerd. Hij heeft dan ook niet daadwerkelijk beslist op het betoog van [appellante] dat de Rotterdamse Orde op kwalitatieve wijze, met inachtneming van onder meer de verklaringen van haar (voormalige) patroons en het ingevulde praktijkformulier, had moeten beoordelen of zij voldoende praktijkervaring heeft. Het besluit is om die reden niet deugdelijk gemotiveerd.
7.3. Het betoog slaagt.
Conclusie beroep
8. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 1 november 2022 wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de algemene raad, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op het administratief beroep moet beslissen.
Proceskosten
9. De algemene raad moet de proceskosten vergoeden. Daarbij gaat de Afdeling ervan uit dat mr. Hanenberg, anders dan in beroep, beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. Hoewel zij en [appellante] op dit moment ook collega’s zijn, wordt de rechtsbijstand in hoger beroep niet kosteloos geboden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 mei 2024 in zaak nr. 22/6003;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 1 november 2022, kenmerk 202569;
V. veroordeelt de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00 volledig toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten aan [appellante] het door haar haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 463,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
802-1114
BIJLAGE
Advocatenwet
Artikel 1
1 De advocaten worden ingeschreven op het tableau van de Nederlandse orde van advocaten.
2 De inschrijving als advocaat geschiedt onvoorwaardelijk.
3 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid geschiedt de inschrijving voorwaardelijk indien de verzoeker niet in het bezit is van een verklaring als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, of niet beschikt over een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties of over een document als bedoeld in artikel 2a, eerste lid. Wordt een verklaring of erkenning als bedoeld in de eerste volzin nadien alsnog overlegd, dan wordt van rechtswege het voorwaardelijk karakter aan de inschrijving ontnomen.
Artikel 9b
1 Elke advocaat, met uitzondering van de advocaat die beschikt over een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties alsmede met uitzondering van de advocaat, die overeenkomstig artikel 2a is ingeschreven is verplicht gedurende de eerste drie jaar waarin hij als zodanig is ingeschreven als stagiaire de praktijk uit te oefenen onder begeleiding van een andere advocaat - hierna te noemen de patroon - en bij deze kantoor te houden.
2 Voor stagiaires die in deeltijd werkzaam zijn wordt de duur van de stage naar evenredigheid verlengd. Voorts kan de duur van de stage met ten hoogste drie jaar worden verlengd indien de raad van de orde in het arrondissement van oordeel is dat de stagiaire nog niet over voldoende praktijkervaring beschikt. De duur van de stage kan door de raad, met goedkeuring van de algemene raad, op verzoek van de stagiaire worden verkort.
(…)
5 Van het met gunstig gevolg voltooien van de stage wordt door de raad van de orde in het arrondissement een verklaring aan de stagiaire verstrekt.
6 Tegen het verlengen van de duur van de stage, het weigeren of intrekken van een vrijstelling op voet van het bepaalde in het derde lid, de aanwijzing van een patroon met toepassing van het vierde lid, of de weigering van zulk een aanwijzing, dan wel de weigering om een verklaring als bedoeld in het vijfde lid te verstrekken kan een belanghebbende administratief beroep instellen bij de algemene raad.
Verordening op de advocatuur
Artikel 1.1. Definities
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
advocaat: de in Nederland ingeschreven advocaat;
(…)
stage: de uitoefening van de praktijk door een advocaat onder begeleiding van een patroon;
stagiaire: een advocaat die verplicht is zijn praktijk uit te oefenen onder begeleiding van een patroon;
Artikel 3.2. Voltooide stage
De stagiaire krijgt de verklaring, bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet, op het moment waarop de termijn, bedoeld in artikel 9b, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de Advocatenwet, is verstreken en:
a. de stagiaire beschikt over het certificaat beroepsopleiding;
b. de stagiaire voldoet aan het bepaalde in artikel 3.9 en artikel 3.10, eerste lid; en
c. de raad van de orde, gehoord de patroon en de stagiaire, oordeelt dat de stagiaire over voldoende praktijkervaring beschikt, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet.
Artikel 3.9. Praktijkervaring stagiaire
De stagiaire is aan het eind van de stage in staat zelfstandig en naar behoren de praktijk uit te oefenen en heeft gedurende de stage ten minste de volgende praktijkervaring opgedaan:
a. hij is vijf keer in rechte opgetreden in procedures op tegenspraak en de patroon heeft ten minste één mondelinge behandeling bijgewoond;
b. hij heeft tien stukken, waaronder ten minste zeven processtukken, vervaardigd;
c. hij heeft op twee van de drie rechtsgebieden burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht, bestuursrecht en bestuursprocesrecht of strafrecht en strafprocesrecht ervaring opgedaan of, indien dat niet mogelijk is, op meerdere sub-rechtsgebieden binnen een van deze rechtsgebieden.
Artikel 3.10. Activiteiten in het arrondissement
1 Aan het eind van de stage heeft de stagiaire tien opleidingspunten behaald voor activiteiten die de raad van de orde voor stagiaires aanbiedt of laat aanbieden en een voldoende behaald voor de pleitoefening.
2 De raad van de orde draagt er zorg voor dat de in het eerste lid bedoelde activiteiten en de pleitoefening bijdragen aan de professionele vorming en de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiaire.
3 De raad van de orde kent een punt per uur toe aan de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, niet zijnde de pleitoefening.
4 Bij de overgang naar een ander arrondissement worden de opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid, en de voldoende voor de pleitoefening meegenomen.