202407192/1/A2.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2024 in zaak nr. 23/2309 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd twee private schulden van [appellante] over te nemen.
Bij besluit van 21 februari 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigden], is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister gevraagd om, voor zover hier van belang, een schuld ter hoogte van € 1.000,00 die voortkomt uit een privé-schuld en een schuld van € 4.790,89 die voortkomt uit een doorlopend krediet bij ABN/AMRO, over te nemen.
2. De minister heeft geweigerd om de schuld van € 4.790,89 over te nemen, omdat deze niet voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. De schuld van € 1.000,00 heeft de minister geweigerd over te nemen omdat dit een informele schuld is die niet is vastgelegd in een notariële akte.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, overwogen dat de minister zich, gelet de toepasselijke bepalingen van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij de schulden van [appellante] niet hoeft over te nemen.
Ten aanzien van het betoog van [appellante] dat het vereiste van een notariële akte onredelijk is, heeft de rechtbank overwogen dat de vereisten uit artikel 4.1, derde lid van de Wht in beginsel niet aan het evenredigheidsbeginsel of algemene rechtsbeginselen getoetst mogen worden, omdat de Wht een wet in formele zin is. Artikel 120 van de Grondwet staat daaraan in de weg. Er kan aanleiding zijn om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe de toepassing van die wettelijke bepaling leidt, als er sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet geheel in die afweging van de wetgever zijn verdisconteerd. Daar is in dit geval geen sprake van. De wetgever heeft in de wettelijke regeling bewust gekozen voor het behouden van de eis van een notariële akte voor het overnemen van een informele schuld.
Voor wat betreft de eis van opeisbaarheid blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wht dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen om alleen opeisbare schulden of betalingsachterstanden onder de regeling te laten vallen. De eis dat het moet gaan om opeisbare schulden behoort dan ook tot de kern van de regeling en is een steeds terugkerend uitgangspunt. De uiterlijke datum van opeisbaarheid heeft de wetgever op 1 juni 2021 bepaald, omdat de regeling toen bekend werd gemaakt en de wetgever wilde voorkomen dat op de regeling kon worden geanticipeerd, bijvoorbeeld door met de wetenschap van het bestaan van de regeling nieuwe schulden aan te gaan.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister ten aanzien van beide schulden geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.
Hoger beroep
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het vasthouden aan de vereisten van een notariële akte en van opeisbaarheid bij privaatrechtelijke of informele schulden, onrechtvaardig is en in strijd met het herstelproces van de gedupeerde ouders. De rechtbank had daarom deze vereisten die de Wht stelt wél moeten toetsen aan algemene rechtsbeginselen of de Wht al dan niet gedeeltelijk buiten toepassing moeten laten.
4.1. Dit betoog is een herhaling van wat [appellante] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is op dit betoog gemotiveerd ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9.1 en 10.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling wijst in aanvulling op de door de rechtbank genoemde uitspraak van 15 mei 2024 ook op wat zij heeft overwogen in de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5101, onder 7, over het vereiste van opeisbaarheid in de zin van de Wht.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
488-1112