202500626/1/V6.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2024 in zaak nr. 24/2328 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Participatie en Integratie (de staatssecretaris).
Procesverloop
Bij besluit van 27 oktober 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellant] een boete opgelegd van € 1.250,00, omdat zij niet op tijd heeft voldaan aan de inburgeringsplicht.
Bij besluit van 22 januari 2024 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2025, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. N. Fazli, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Met de brief van 19 februari 2018 heeft de staatssecretaris aan [appellant] laten weten dat zij inburgeringsplichtig is en dat haar inburgeringstermijn op 15 januari 2018 is gestart. De staatssecretaris heeft daarna de inburgeringstermijn een aantal keer verlengd. [appellant] moest uiterlijk op 28 juli 2023 aan haar inburgeringsplicht voldoen. Omdat [appellant] niet op tijd aan deze plicht heeft voldaan, heeft de staatssecretaris haar een boete van € 1.250,00 opgelegd. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit terecht is en dat er geen reden is om de boete te matigen. Inmiddels is [appellant] alsnog ingeburgerd.
2. Op dit geding is de Wet inburgering van toepassing zoals die wet luidde tot 1 januari 2022.
Zitting bij de rechtbank
3. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte de zitting niet heeft uitgesteld en uitspraak heeft gedaan op haar beroep. Zij had de rechtbank namelijk meegedeeld dat zij niet bij de zitting aanwezig kon zijn.
3.1. Deze hogerberoepsgrond slaagt niet. Op de dag van de zitting heeft [appellant] de rechtbank een bericht gestuurd dat zij wegens kiespijn niet bij de zitting zal zijn. [appellant] heeft hierbij niet verzocht om uitstel van de zitting. De rechtbank hoefde in dit bericht redelijkerwijs geen reden te zien om de zitting uit te stellen.
Boete
4. [appellant] voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het haar niet of maar beperkt te verwijten valt dat zij niet op tijd is ingeburgerd. Zij heeft zich ingespannen om op tijd aan de inburgeringsplicht te voldoen door taallessen te volgen. Ook zijn tijdens de inburgeringsperiode haar twee kinderen geboren. Daarnaast was haar partner ziek en is diens bedrijf failliet gegaan. De staatssecretaris had volgens [appellant] dus moeten afzien van het opleggen van een boete of deze moeten matigen.
4.1. De hogerberoepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris niet hoefde af te zien van het opleggen van de boete en deze terecht niet heeft gematigd. [appellant] heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het haar niet of verminderd te verwijten valt dat zij te laat is ingeburgerd. [appellant] heeft alleen gesteld maar niet met stukken onderbouwd dat zij taallessen heeft gevolgd en dat haar partner ziek was. Met de zwangerschappen heeft de staatssecretaris al rekening gehouden door de inburgeringstermijn te verlengen. Dit zijn daarom geen redenen waardoor het [appellant] niet of verminderd te verwijten valt dat zij niet op tijd is ingeburgerd. [appellant] is overigens ook niet naar de zitting bij de Afdeling gekomen om haar persoonlijke situatie nader toe te lichten.
4.2. [appellant] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat zij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. [appellant] heeft namelijk geen stukken overgelegd om haar financiële situatie en het gestelde faillissement van het bedrijf van haar partner te onderbouwen. Verder wijst de Afdeling erop dat de staatssecretaris tijdens de zitting heeft toegelicht dat [appellant] bij de invordering van de boete om een betalingsregeling kan vragen, zodat zij de boete niet in één keer maar in termijnen kan betalen.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat de staatssecretaris [appellant] terecht een boete van € 1.250,00 heeft opgelegd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Ruijter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
887-1127