202602084/1/A2.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam (CvB),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 15 januari 2026 heeft de decaan van de Faculteit Gedrags- en Bewegingswetenschappen (de decaan) voor [appellant] de toegang beperkt tot het MF-gebouw van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) voor de duur van studiejaar 2025-2026.
Bij beslissing van 17 juni 2026 heeft het CvB het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard voor zover dit ziet op het bevoegdheidsgebrek.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CvB heeft een verweerschrift ingediend.
Het CvB heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 september 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CvB, vertegenwoordigd door mr. F. Donner, zijn verschenen. Ook is namens het CvB dr. M.W. van Tulder verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellant] volgt de masteropleidingen Cognitive Neuropsychology en Work and Organisational Psychology aan de Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen aan de VU. Deze procedure gaat over de vraag of het CvB terecht de toegang van [appellant] tot het MF-gebouw heeft beperkt.
Beslissing van de decaan
3. De decaan heeft [appellant] per 13 januari 2026 de toegang tot het MF-gebouw van de VU ontzegd, met uitzondering van de momenten dat hij daar moet zijn voor onderwijsactiviteiten. Hierbij is een marge gehanteerd van 15 minuten aanwezigheid voor aanvang en na het einde van een onderwijsactiviteit of daaraan gerelateerde gesprekken met docenten. De decaan heeft aan deze ordemaatregel ten grondslag gelegd dat medewerkers van de VU eerder hebben aangegeven dat de wijze waarop [appellant] hen heeft benaderd een gevoel van onveiligheid bezorgt. Daarop is hij ook al eerder is aangesproken, waarna is afgesproken dat hij geen contact meer met hen zou opnemen. Toch heeft [appellant] wederom contact met een medewerker gezocht.
Beslissing van het CvB
4. Het CvB heeft, onder overname van het advies van de Geschillenadviescommissie, het bezwaar gegrond verklaard voor zover dit ziet op het bevoegdheidsgebrek. De bevoegdheid tot het beperken van de toegang tot gebouwen en terreinen voor langer dan vier weken komt op grond van artikel 7.57h van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) toe aan het CvB en niet aan de decaan.
4.1. Het CvB heeft het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Het CvB heeft op grond van artikel 7.57h, eerste lid, van de Whw de toegang van [appellant] tot het MF-gebouw beperkt voor de duur van studiejaar 2025-2026. Hierbij is wederom een marge gehanteerd van 15 minuten aanwezigheid voor aanvang en na het einde van een onderwijsactiviteit of daaraan gerelateerde gesprekken met docenten. Volgens het CvB heeft [appellant] de huis- en gedragsregels uit het Studentenstatuut 2025-2026 (het Studentenstatuut) overtreden. Gebleken is dat hij medewerkers van de VU stelselmatig lastig heeft gevallen. Volgens het CvB blijkt uit e-mails en gespreksverslagen dat hij zich daarin intimiderend heeft uitgelaten. Dit heeft geleid tot een inbreuk op een veilige werkomgeving. [appellant] heeft vervolgens nagelaten zich aan de gedragsaanwijzing gehouden, ondanks een toezegging daartoe. Gelet daarop heeft het CvB ter waarborging van een veilige werkomgeving het noodzakelijk geacht de toegang tot het MF-gebouw te beperken. Deze beperking gaat volgens het CvB niet verder dan noodzakelijk. [appellant] kan het onderwijs blijven volgen en in bijzondere gevallen toestemming krijgen voor toegang tot het MF-gebouw voor activiteiten die daar plaatsvinden. Na afloop van studiejaar 2025-2026 wordt bezien of verdere maatregelen nodig zijn, aldus het CvB.
Beroep en de beoordeling daarvan
Is het bevoegdheidsgebrek hersteld?
5. [appellant] betoogt dat het CvB ten onrechte niet de beslissing van de decaan heeft herroepen. Ook heeft het CvB die beslissing niet bekrachtigd. Het bevoegdheidsgebrek is dus niet hersteld.
5.1. Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt op grondslag van het bezwaar een heroverweging plaats van het bestreden besluit. Gebleken is dat het CvB, nadat advies is gegeven door de Geschillenadviescommissie, in de beslissing op bezwaar dezelfde ordemaatregel heeft opgelegd als de decaan. De uitkomst van de beslissing van de decaan is met de beslissing van het CvB dus niet gewijzigd. [appellant] heeft niet gesteld dat de door het CvB uitgevoerde heroverweging in strijd is met voornoemde bepaling. De Afdeling volgt [appellant] daarom niet het betoog dat het bevoegdheidsgebrek niet is hersteld. Het betoog slaagt niet.
Mocht het CvB de ordemaatregel opleggen?
6. [appellant] betoogt dat het beperken van de toegang tot het MF-gebouw niet steunt op een deugdelijke wettelijke grondslag. Voor zover de ordemaatregel is gebaseerd op artikel 10.2.2 van de Huisregels, had hij eerst moeten worden gehoord. Verder heeft het CvB niet de bevoegdheid de toegang tot gebouwen voor meer dan vier weken te beperken. Daarbij komt dat voor het beperken van de toegang tot gebouwen voor meer dan vier weken sprake moet zijn van ‘ernstig wangedrag of herhaald overtreden van de gedragsregels’. Weliswaar is eerder aangegeven dat hij geen contact mocht zoeken met de medewerker, maar het sturen van een enkel kaartje mag niet leiden tot deze zwaarwegende maatregel. Niet is gemotiveerd waarom een zwaardere maatregel is opgelegd.
6.1. Artikel 7.57h, eerste lid, van de Whw kent aan het instellingsbestuur de bevoegdheid toe om voorschriften te geven en maatregelen te nemen met betrekking tot de goede gang van zaken in gebouwen en terreinen van de instelling. Het instellingsbestuur heeft deze maatregelen uitgewerkt in artikel 10.2.2. van het Studentenstatuut. Daarin staat onder meer dat het faculteitsbestuur de student voor maximaal vier weken kan verwijderen uit de gebouwen en terreinen van de VU. Het CvB kan de maatregel verlengen of uitbreiden.
6.2. De Afdeling overweegt dat de toegangsbeperking tot het MF-gebouw voor de duur van studiejaar 2025-2026 een maatregel is als bedoeld in artikel 10.2.2, onder 2.1, sub e, van het Studentenstatuut. Uit een redelijke uitleg van die bepaling volgt dat ook een minder vergaande toegangsbeperking tot gebouwen en terreinen daaronder kan worden begrepen, zoals in dit geval een toegangsbeperking tot alleen het MF-gebouw. Daarnaast was het CvB bevoegd de maatregel voor de duur van studiejaar 2025-2026 op te leggen. Zowel artikel 7.57h, eerste lid, van de Whw als het Studentenstatuut kennen aan het CvB de bevoegdheid toe de toegangsbeperking op te leggen voor langer dan vier weken tot maximaal een jaar. Verder hoeft voor het beperken van de toegang tot gebouwen en terreinen geen sprake te zijn van ‘ernstig wangedrag of herhaald overtreden van de gedragsregels’. Dit is noodzakelijk als een student wordt verwijderd van de universiteit, waartoe artikel 10.2.2., onder 2.1, sub f, van het Studentenstatuut strekt. Ook is niet gebleken dat [appellant] niet door het CvB is gehoord. Hij heeft zijn standpunten tijdens de hoorzitting bij de Geschillenadviescommissie naar voren kunnen brengen. Uit het voorgaande volgt dat de ordemaatregel steunt op een deugdelijke wettelijke grondslag en dat het CvB bevoegd was deze op te leggen. Het betoog slaagt in zoverre niet.
6.3. Het betoog dat het CvB de maatregel niet mocht opleggen, omdat deze niet proportioneel is, slaagt evenmin. De decaan heeft [appellant] bij e-mail van 8 en 25 september 2025 gewezen op de impact van zijn gedrag op medewerkers van de universiteit, waarbij hem is verzocht geen contact meer met hen op te nemen. Hoewel [appellant] daarmee heeft ingestemd, heeft hij zich niet aan die afspraak gehouden door op het kantoor van een medewerker een kaartje achter te laten. De decaan heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat medewerkers zich daardoor niet meer veilig voelen op hun werkplek en dat dit nog steeds het geval is. Het CvB heeft gemotiveerd dat de opgelegde maatregel gelet daarop geschikt en noodzakelijk is. [appellant] heeft zich niet aan de gemaakte afspraak gehouden en met de toegangsbeperking wordt voorkomen dat de medewerkers met hem in contact kunnen komen. De medewerkers die kenbaar hebben gemaakt zich onveilig te voelen door het gedrag van [appellant] houden namelijk kantoor in het MF-gebouw. In dit verband is de maatregel ook evenwichtig, omdat de toegangsbeperking alleen strekt tot het gebouw waar de medewerkers werkzaam zijn. Daarbij komt dat [appellant] niet is beperkt in het volgen van onderwijs. Hij kan deelnemen aan de onderwijsgroepen, besprekingen met docenten en gebruik maken van de universiteitsbibliotheek om te studeren, zij het dat hij niet langer dan noodzakelijk in het MF-gebouw mag zijn.
6.4. Uit het voorgaande volgt dat het CvB de toegang van [appellant] tot het MF-gebouw voor de duur van studiejaar 2025-2026 mocht beperken.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Het CvB hoeft niet de proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
Griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.57h. Huisregels en ordemaatregelen
1. Het instellingsbestuur kan voorschriften geven en maatregelen nemen met betrekking tot de goede gang van zaken in de gebouwen en terreinen van de instelling. Die maatregelen kunnen inhouden dat aan degene die de bedoelde voorschriften heeft overtreden, de toegang tot die gebouwen en terreinen geheel of gedeeltelijk voor de tijd van ten hoogste een jaar wordt ontzegd, of de inschrijving gedurende eenzelfde periode wordt beëindigd.
[…].
Studentenstatuut 2025-2026
10.2 Reglement Huisregels en ordemaatregelen
[…].
10.2.2. Regels voor studenten
[…].
2. Maatregelen
1. Als een student de goede gang van zaken verstoort, dreigt te verstoren of handelt in strijd met deze huisregels en ordemaatregelen kunnen één of meer van de volgende maatregelen worden genomen:
[…].
e. Verwijdering voor maximaal vier weken uit de gebouwen en terreinen van de VU door het faculteitsbestuur. Het CvB wordt op de hoogte gesteld en kan de maatregel verlengen of uitbreiden.
f. Verwijdering voor maximaal één jaar van de universiteit door het CvB bij ernstig wangedrag of herhaald overtreden van de gedragsregels.
2. In de gevallen genoemd in het eerste lid onder c, d en e wordt de betrokken student gehoord door of namens het faculteitsbestuur, voordat de maatregel wordt toegepast. In een acute situatie kan het horen plaatsvinden nadat de maatregel is ingegaan. In de gevallen genoemd in het eerste lid onder f en g wordt de betrokken student gehoord door of namens het CvB, voordat de maatregel wordt vastgesteld. Indien het volgens het CvB noodzakelijk is om de maatregel te verlengen, dan wel uit te breiden, wordt de betrokken student gehoord door of namens het CvB, voordat de maatregel wordt verlengd of uitgebreid. In een acute situatie kan het horen plaatsvinden nadat de maatregel is ingegaan. De zwaarte van de maatregel moet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de overtreding.
Herhaling van dezelfde feiten kan leiden tot zwaardere maatregelen. Dit wordt beoordeeld door het faculteitsbestuur of het CvB.
[…].