ECLI:NL:RVS:2026:6202

ECLI:NL:RVS:2026:6202

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 21-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer 202504037/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 19 juni 2024 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan Nijhuis Bouw B.V. een ontheffing verleend van het verbod in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet natuurbescherming voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de das. De ontheffing is verleend ten behoeve van de realisatie van 15 villawoningen aan de Hunnenweg op landgoed Prinsenbosch in Voorthuizen (het projectgebied). Nijhuis Bouw B.V. wil 15 villawoningen bouwen op het landgoed Prinsenbosch in Voorthuizen. Het college heeft aan Nijhuis Bouw B.V. een ontheffing verleend voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de das ten behoeve van dit project. De stichting is het niet eens met de ontheffing. Het onderzoek dat aan de ontheffing ten grondslag ligt is volgens haar namelijk onzorgvuldig en er is onvoldoende onderbouwd dat er geen andere bevredigende oplossing dan de ontheffing is.

Uitspraak

202504037/1/R2.

Datum uitspraak: 21 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Behoud Veluwsch Landschap, gevestigd in Voorthuizen, gemeente Barneveld,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 juni 2025 in zaak nr. 24/5212 in het geding tussen:

de stichting

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2024 heeft het college aan [partij] een ontheffing verleend van het verbod in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet natuurbescherming (de Wnb) voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de das. De ontheffing is verleend ten behoeve van de realisatie van 15 villawoningen aan de Hunnenweg op landgoed Prinsenbosch in Voorthuizen (het projectgebied).

Bij uitspraak van 3 juni 2025 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, samen met de zaak met zaaknummer 202503990/1/R2 op een zitting behandeld op 13 augustus 2026, waar de stichting, vertegenwoordigd door [persoon A] en [persoon B], bijgestaan door mr. D. Delibes-Vermeulen, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M. van Gerwen en J.H. Gunnink, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. J.J. van Doleweerd, advocaat in Amersfoort, vergezeld door [persoon], gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht Invoeringswet Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

De aanvraag om een ontheffing is ingediend op 3 april 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [partij] wil 15 villawoningen bouwen op het landgoed Prinsenbosch in Voorthuizen. Het college heeft aan [partij] een ontheffing verleend voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de das ten behoeve van dit project. De stichting is het niet eens met de ontheffing. Het onderzoek dat aan de ontheffing ten grondslag ligt is volgens haar namelijk onzorgvuldig en er is onvoldoende onderbouwd dat er geen andere bevredigende oplossing dan de ontheffing is.

De ontheffing

3. Het college heeft zich in het besluit tot het verlenen van de ontheffing van 19 juni 2024 gebaseerd op het rapport "Activiteitenplan ontwikkeling Landgoed Prinsenbosch" van 4 maart 2024 (het Activiteitenplan) en de notitie "Aanvulling onderbouwing foerageerafstanden tot hoofdburchten das" van 3 april 2024 (de notitie), beide opgesteld door Ecogroen. In het Activiteitenplan staat dat in het projectgebied twee bijburchten, drie vluchtpijpen en maximaal 4,7 ha grasland dat geschikt is als foerageergebied voor de das aanwezig zijn. Verder staat er in het Activiteitenplan dat het projectgebied in het territorium ligt van de dassenclan van een nabijgelegen hoofdburcht aan de Meeuwenveenseweg (hoofdburcht Meeuwenveen), op ongeveer 100 m afstand.

Het college heeft in de ontheffing voorschriften opgenomen die aantasting van de bijburchten en de vluchtpijpen in het projectgebied voorkomen. Verder leidt het project weliswaar tot een verlies van maximaal 4,7 ha foerageergebied, maar hierdoor wordt volgens het college geen afbreuk gedaan aan het streven de populatie van de dassen in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Dit foerageergebied is namelijk niet essentieel, omdat er in de directe omgeving van de hoofdburcht Meeuwenveen voldoende geschikt foerageergebied aanwezig is.

Zorgvuldigheid onderzoek

4. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college aan de vergewisplicht uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft voldaan. Hierover voert de stichting aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de onderzoeken van Ecogroen onvoldoende zorgvuldig zijn. De inhoud van het onderzoek is weliswaar aangepast naar aanleiding van de zienswijzen tegen het ontwerpbesluit tot het verlenen van de ontheffing en Ecogroen heeft onderkend dat er meer hoofdburchten in de omgeving van het projectgebied zijn dan aanvankelijk verondersteld, maar deze aanpassingen hebben volgens de stichting ten onrechte niet geleid tot een andersluidende conclusie, namelijk dat het project leidt tot een verlies van essentieel foerageergebied voor de dassenclan in de hoofdburcht Meeuwenveen. De stichting wijst hiervoor ook op de contra-expertise van adviesbureau De Slijpkruik, de zienswijze van Stichting Valouwe Natuur en de door Ecogroen eerder gemaakte fouten in de procedure. Ook is Ecogroen volgens de stichting niet consistent in haar schrijven, omdat zij volgens de stichting erkent dat binnen een zone van 500 m rondom een hoofdburcht vaak essentieel foerageergebied van de das ligt, maar dit uitgangspunt niet toepast in deze zaak terwijl het projectgebied binnen de zone van 500 m van de hoofdburcht Meeuwenveen ligt.

Daarnaast is de rechtbank er ten onrechte aan voorbijgegaan dat volgens de stichting een geluids- en effectenanalyse uitgevoerd had moeten worden om de effecten van de werkzaamheden en de ingebruikname van de villawoningen op de dassenactiviteit te onderzoeken. Om deze redenen moest de rechtbank volgens de stichting oordelen dat het college nader had moeten onderbouwen waarom hij van het onderzoek van Ecogroen uit mocht gaan, omdat er volgens de stichting aanleiding bestaat voor het oordeel dat het onderzoek ondeugdelijk is.

4.1. Een bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat de stichting over het advies heeft aangevoerd.

4.2. Hoewel de stichting terecht aanvoert dat Ecogroen in haar eerste rapport "Activiteitenplan ontwikkeling Landgoed Prinsenbosch, Voorthuizen" van 9 juni 2023 vijf hoofdburchten in de omgeving van het projectgebied heeft gemist, ligt dit rapport niet ten grondslag aan de ontheffing. Ecogroen heeft naar aanleiding van de zienswijze van Stichting Valouwe Natuur tegen de ontwerp-ontheffing opnieuw onderzoek gedaan naar de gevolgen van het project. Dit heeft geresulteerd in het Activiteitenplan van 4 maart 2024 en de notitie van 3 april 2024, waarop het college de ontheffing heeft gebaseerd. Aangezien eerdere onderzoeken naar de dassenactiviteit in het projectgebied niet aan de ontheffing ten grondslag liggen, kunnen fouten in deze onderzoeken de rechtmatigheid van de ontheffing ook niet aantasten.

4.3. De Afdeling ziet in wat de stichting aanvoert ook geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank had moeten onderkennen dat er aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het Activiteitenplan of de notitie waarop het besluit tot het verlenen van de ontheffing is gebaseerd. Dat de contra-expertises uit de zienswijze van Stichting Valouwe Natuur en adviesbureau De Slijpkruik op basis van dezelfde gegevens tot een andere conclusie komen, betekent nog niet dat de conclusie van Ecogroen in het Activiteitenplan en de notitie onjuist is. Verder heeft Ecogroen, anders dan de stichting heeft aangevoerd, niet gesteld dat essentieel foerageergebied zich altijd binnen 500 m van een hoofdburcht bevindt. In 4.3.1 van het Activiteitenplan staat dat het foerageergebied van een das kan liggen tot ongeveer 1,5 tot 12 km van een burcht en dat er voldoende foerageergebied moet liggen binnen 500 m tot enkele kilometers van de burcht. In de notitie is hieraan toegevoegd dat er geen harde afstandsgrens is waarbinnen foerageergebied van de das per definitie aan te merken is als essentieel, maar dat altijd naar de omgeving moet worden gekeken. Ecogroen heeft met een GIS-analyse inzichtelijk gemaakt dat in dit specifieke geval de verwachte territoriumgrenzen van de hoofdburcht Meeuwenveen op 366 tot 1004 m afstand liggen. De territoriumgrootte is bepaald op 127 ha, waarbinnen minimaal 47 ha geschikt foerageergebied beschikbaar blijft. De geschikte foerageergebieden zijn vooral ten westen van de Hunnenweg en ten noorden en zuiden van het projectgebied aanwezig. Volgens Ecogroen moet er tenminste 30 ha geschikt foerageergebied in het dassenterritorium aanwezig zijn. Er resteert daarom voldoende geschikt foerageergebied binnen het territorium van de dassenclan die gebruik maakt van de hoofdburcht Meeuwenveen, zo volgt uit het Activiteitenplan en de notitie. Gelet hierop zijn de gronden in het projectgebied geen essentieel foerageergebied, ondanks dat deze wel geschikt zijn. De stichting heeft deze onderbouwing van Ecogroen niet gemotiveerd bestreden. De enkele verwijzing van de stichting naar de stukken in het gelijktijdig behandelde hoger beroep van Stichting Valouwe Natuur en Stichting Das & Boom in het nadere stuk van 30 juli 2026, is hiervoor onvoldoende. De Afdeling ziet in het betoog van de stichting dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het Activiteitenplan en de notitie onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

4.4. Tenslotte heeft de stichting niet onderbouwd waarom het noodzakelijk is om de gevolgen van de werkzaamheden en ingebruikname van de woningen voor de dassen te onderzoeken met een geluid- en effectenanalyse. In dit niet onderbouwde standpunt van de stichting, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college het Activiteitenplan en de notitie ten grondslag kon leggen aan het besluit tot verlening van de ontheffing.

4.5. Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat het Activiteitenplan en de notitie zorgvuldig tot stand zijn gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de conclusies op deze redenering aansluiten en daarom deze onderzoeken ten grondslag mocht leggen aan het besluit tot verlening van de ontheffing

Het betoog slaagt niet.

Gunstige staat van instandhouding

5. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college heeft kunnen besluiten dat de ontheffing geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte alleen overwogen dat niet is gebleken dat de landelijke of provinciale staat van instandhouding wordt aangetast. Bij de beoordeling dient het college volgens de stichting namelijk de lokale staat van instandhouding als vertrekpunt te nemen om te beoordelen of deze aantasting zich voordoet. De stichting vindt hiervoor steun in de Richtsnoeren inzake de strikte bescherming van diersoorten van communautair belang uit hoofde van de habitatrichtlijn van de Europese Commissie (de Richtsnoeren). De rechtbank heeft dit niet onderkend en ten onrechte overwogen dat de Richtsnoeren niet van toepassing zijn, omdat de Habitatrichtlijn niet van toepassing is.

Het betoog slaagt niet.

5.1. Anders dan de stichting veronderstelt, heeft de rechtbank in overweging 10.2 niet overwogen dat het college heeft kunnen volstaan met het beoordelen of het project afbreuk doet aan de landelijke of provinciale staat van instandhouding van de das. In overweging 10.1 begint de rechtbank met haar oordeel door te overwegen dat in de ontheffing staat dat de lokale staat van instandhouding van de das blijft gewaarborgd door het nemen van de voorgeschreven maatregelen en dat die conclusie is toegelicht met de motivering dat de functionaliteit van de das niet in het geding is en daarom geen afbreuk wordt gedaan aan de staat van instandhouding. Aanvullend overweegt de rechtbank in overweging 10.2 dat het college heeft kunnen besluiten dat geen afbreuk wordt gedaan aan de provinciale en landelijke staat van instandhouding. Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank de motivering van het college volgt dat het project geen afbreuk doet aan de lokale, provinciale of landelijke staat van instandhouding van de das. Tegen dat oordeel heeft de stichting, anders dan de betogen die hierboven zijn behandeld, geen verder onderbouwde betogen aangevoerd. Wat de rechtbank daarna onder 10.2 overweegt over de toepasselijkheid van de Habitatrichtlijn en Richtsnoeren, is niet dragend voor haar oordeel. Dit is alleen een reactie op het standpunt van de stichting dat de Habitatrichtlijn en de Richtsnoeren van toepassing zijn en deze reactie kan niet afdoen aan het bovenstaande.

Geen andere bevredigende oplossing

6. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college heeft kunnen besluiten dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat voor de ontheffing. Zij had volgens de stichting namelijk moeten oordelen dat het college alternatieve locaties, of een alternatieve opzet van het project had moeten meewegen om het foerageergebied in het projectgebied te behouden. Dit volgt volgens de stichting ook uit de Richtsnoeren, waarin staat dat alternatieve locaties een oplossing kunnen bieden die moet worden getoetst om te beoordelen of er geen andere bevredigende oplossing bestaat voor de ontheffing. Daarnaast volgt uit de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 17 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1614), dat aanpassingen in het project, zoals verkleining van de percelen, ook een mogelijke bevredigende oplossing kunnen bieden voor de ontheffing. Bovendien is het afwegen van alternatieven volgens de stichting nodig, omdat er geen zekerheid bestaat dat de maatregelen in de ontheffing voldoende effectief zijn om een gunstige staat van instandhouding te behouden. Verder merkt de stichting op dat uit de door de rechtbank aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 8 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1491), onder 2.2, en van 6 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1006), onder 5.2, volgt dat, zelfs wanneer een alternatievenafweging in het kader van een bestemmingsplan is gemaakt, deze ook nog moet plaatsvinden voor het besluit over het verlenen van de ontheffing. In dit geval is de alternatievenafweging volgens de stichting zowel niet bij de vaststelling van het bestemmingsplan als in het besluit tot het verlenen van de ontheffing gemaakt. De rechtbank had daarom volgens de stichting moeten oordelen dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat er geen bevredigende oplossing voor de ontheffing bestaat.

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen moet de vraag of geen andere bevredigende oplossing bestaat worden afgezet tegen het doel van de ingreep. Dit volgt niet alleen uit de door de rechtbank en de stichting aangehaalde uitspraken, maar bijvoorbeeld ook uit de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:335), onder 9.2.1. Voor de motivering dat geen andere bevredigende oplossing bestaat kan een bestuursorgaan gebruik maken van de beoordelingen en afwegingen die in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan zijn gemaakt.

6.2. De Afdeling ziet in wat de stichting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college terecht tot de conclusie is gekomen dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De rechtbank mocht deze vraag beoordelen in het licht van het doel van het project. In het Activiteitenplan staat dat het doel van het project is om 15 villawoningen op Landgoed Prinsenbosch te realiseren. Dit doel is locatiegebonden. Weliswaar is voor dit doel verwezen naar het bestemmingsplan, maar in het Activiteitenplan is ook een afweging gemaakt over de inrichting van het project. Hieruit blijkt dat er bij de inrichting van het landgoed rekening is gehouden met de aanwezigheid van de das door de verblijfplaatsen in te passen en te kiezen voor een inrichting die ruimtelijk zo goed mogelijk is afgestemd op het behoud van de foerageermogelijkheden voor de das. Het college heeft hier in de ontheffing ook naar verwezen. De stichting heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de mitigerende maatregelen in de ontheffing onvoldoende effectief zijn, waardoor de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen.

Het betoog slaagt niet.

Kleinschalige bouwactiviteit

7. Het betoog van de stichting dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college heeft kunnen besluiten dat de ontheffing nodig is in het kader van kleinschalige bouwactiviteiten, volgt de Afdeling niet. De door de stichting opgeworpen vraag of hierbij voldoende is meegewogen of de realisatie op een alternatieve manier mogelijk is, is daarbij niet relevant. Het college heeft onderbouwd dat het hier gaat om een kleinschalige bouwactiviteit in de zin van artikel 3.10, tweede lid, onder a, van de Wnb. De stichting heeft ook niet nader onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank, dat het college terecht tot de conclusie is gekomen dat de ontheffing nodig is in het kader van een kleinschalige bouwactiviteit, onjuist is. De enkele stelling dat dit type woningen niet bijdraagt aan het verminderen van het woningtekort, is hiervoor onvoldoende.

Het betoog slaagt niet.

Aanwezigheid steenuil en handhaving

8. Voor zover de stichting wijst op de aanwezigheid van de steenuil in de omgeving van het projectgebied en het handhavingsverzoek dat zij hierover heeft ingediend, merkt de Afdeling nog op dat de ontheffing alleen gaat over de das en geen betrekking heeft op de steenuil. Dit kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen, omdat wat hierover is aangevoerd de rechtmatigheid van het besluit tot het verlenen van de ontheffing niet kan aantasten. Waar de stichting aanvoert dat voorschriften uit de ontheffing niet worden nageleefd, geldt eveneens dat dit de rechtmatigheid van het besluit tot het verlenen van de ontheffing niet aan kan tasten en dat dit daarom niet in deze procedure aan de orde kan komen.

Conclusie

9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.

w.g. Ten Veen

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Pistoor

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026

932-1192

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.J. Pistoor

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand