202503990/1/R2.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Valouwe Natuur, gevestigd in Harderwijk en Stichting Das en Boom, gevestigd in Ubbergen, gemeente Berg en Dal,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 juli 2025 in zaak nr. 24/5130 in het geding tussen:
de stichtingen
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland.
Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2024 heeft het college aan [partij] een ontheffing verleend van het verbod in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de das. De ontheffing is verleend ten behoeve van de realisatie van 15 villawoningen aan de Hunnenweg op landgoed Prinsenbosch in Voorthuizen (het projectgebied).
Bij uitspraak van 3 juli 2025 heeft de rechtbank het door de stichtingen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de stichtingen hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De stichtingen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak, samen met de zaak met zaaknummer 202504037/1/R2, op een zitting behandeld op 13 augustus 2026, waar de stichtingen, vertegenwoordigd door dr. ir. J.J. Schröder, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M. van Gerwen en J.H. Gunnink, zijn verschenen. Verder is op zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. J.J. van Doleweerd, advocaat in Amersfoort, vergezeld door [persoon], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht Invoeringswet Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een ontheffing is ingediend op 3 april 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [partij] wil 15 villawoningen bouwen op het landgoed Prinsenbosch in Voorthuizen. Het college heeft aan [partij] een ontheffing verleend voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de das ten behoeve van dit project. De stichtingen zijn het niet eens met de ontheffing, omdat volgens hen door het project essentieel foerageergebied verloren gaat dat wordt gebruikt door een dassenclan van de nabijgelegen hoofdburcht aan de Meeuwenveenseweg (de hoofdburcht Meeuwenveen). Het college heeft volgens de stichtingen onvoldoende maatregelen in de ontheffing opgenomen om hiervoor te compenseren.
De ontheffing
3. Het college heeft zich in het besluit tot het verlenen van de ontheffing van 19 juni 2024 gebaseerd op het rapport "Activiteitenplan ontwikkeling Landgoed Prinsenbosch" van 4 maart 2024 (het Activiteitenplan) en de notitie "Aanvulling onderbouwing foerageerafstanden tot hoofdburchten das" van 3 april 2024 (de notitie), beide opgesteld door Ecogroen. In het Activiteitenplan staat dat in het projectgebied twee bijburchten, drie vluchtpijpen en maximaal 4,7 ha grasland dat geschikt is als foerageergebied voor de das aanwezig zijn. Verder staat er in het Activiteitenplan dat het projectgebied in het territorium ligt van de dassenclan van de hoofdburcht Meeuwenveen, op ongeveer 100 m afstand.
Het college heeft in de ontheffing voorschriften opgenomen die aantasting van de bijburchten en de vluchtpijpen in het projectgebied voorkomen. Verder leidt het project weliswaar tot een verlies van maximaal 4,7 ha foerageergebied, maar hierdoor wordt volgens het college geen afbreuk gedaan aan het streven de populatie van de dassen in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Dit foerageergebied is namelijk niet essentieel, omdat er in de directe omgeving van de hoofdburcht Meeuwenveen voldoende geschikt foerageergebied aanwezig is.
Essentieel foerageergebied en compenserende maatregelen
4. De stichtingen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college geen compenserende maatregelen in de ontheffing op had hoeven nemen voor het verlies van 4,7 ha essentieel foerageergebied. Elk foerageergebied is volgens de stichtingen essentieel, omdat de grootte van het territorium van een dassenclan altijd is afgestemd op de behoefte van de clan en verlies van foerageergebied daarom altijd leidt tot aantasting van de functionaliteit van een vaste voortplantings- of rustplaats van de das. Aangezien Ecogroen dit in het Activiteitenplan en de notitie niet heeft onderkend, had de rechtbank volgens de stichtingen moeten oordelen dat het college de ontheffing niet op dit onderzoek mocht baseren. Bovendien overweegt de rechtbank ook dat het foerageergebied in het projectgebied essentieel is. Zij trekt hieruit echter ten onrechte niet de conclusie dat de maatregelen die nu in de ontheffing zijn opgenomen onvoldoende toereikend zijn om het verlies van essentieel foerageergebied te compenseren en dat het college daarom aanvullende compenserende maatregelen in de ontheffing had moeten opnemen.
4.1. De Afdeling stelt vast dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 14 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:177), onder 9.3, heeft geoordeeld dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de directe omgeving van de hoofdburcht Meeuwenveen voldoende alternatief foerageergebied is om het verlies van foerageergebied in het projectgebied op te vangen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter ook aandacht besteed aan de resultaten uit de ecologische rapportages uit het Activiteitenplan en de notitie, die het college aan het besluit ten grondslag heeft gelegd. De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
4.2. De Afdeling voegt hier het volgende aan toe over het oordeel van de rechtbank. Weliswaar heeft zij de 4,7 ha foerageergebied die als gevolg van het plan verloren gaat ten onrechte essentieel genoemd in overwegingen 7.3 en 7.5, maar dit doet er niet aan af dat zij terecht tot het oordeel is gekomen dat het college heeft kunnen besluiten dat de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaats van de das niet wordt aangetast. Uit het Activiteitenplan en de notitie blijkt namelijk dat het foerageergebied in het projectgebied niet essentieel is.
4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is een essentieel foerageergebied een gebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van een voortplantings- of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen. Van aantasting is sprake als dit gevolgen heeft voor het aantal dieren dat gebruik kan maken van de voortplantings- of rustplaats. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 7 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1457), onder 6.4 en 6.7. Dit betekent dat verlies van geschikt foerageergebied er niet zonder meer toe leidt dat ook essentieel foerageergebied verloren gaat.
4.4. Over het betoog van de stichtingen, dat Ecogroen had moeten onderkennen dat de grootte van het territorium van een clan altijd is afgestemd op haar behoefte en dat elk foerageergebied daarom essentieel is, oordeelt de Afdeling als volgt. In het Activiteitenplan en de notitie van Ecogroen staat dat de belangrijkste geschikte foerageergebieden voor de dassen van de hoofdburcht Meeuwenveen buiten het projectgebied liggen. Deze foerageergebieden worden door het project niet aangetast. De geschikte foerageergebieden zijn vooral ten westen van de Hunnenweg en ten noorden en zuiden van het projectgebied aanwezig. Met een GIS-analyse heeft Ecogroen inzichtelijk gemaakt dat de verwachte territoriumgrenzen van de hoofdburcht Meeuwenveen op 366 tot 1004 m afstand liggen. De territoriumgrootte is bepaald op 127 ha, waarbinnen minimaal 47 ha geschikt foerageergebied beschikbaar blijft. Op de zitting hebben de stichtingen bevestigd dat dit op zich voldoende geschikt foerageergebied is voor de dassen van hoofdburcht Meeuwenveen. Bovendien staat in het Activiteitenplan dat de toegankelijkheid van deze foerageergebieden verder wordt verbeterd door verschillende maatregelen.
Verder heeft Ecogroen in de notitie toegelicht dat zij bij het bepalen van de territoriumgrenzen de specifieke kenmerken van het gebied heeft meegenomen en aangegeven dat het bepalen van deze grenzen maatwerk is, afhankelijk van de ligging van de hoofdburcht, de toegankelijkheid van percelen, de geschiktheid van percelen en de ligging van andere territoria of hoofdburchten. Het is daarom volgens Ecogroen niet reëel om uit te gaan van een vaste straal van 500 meter rondom een hoofdburcht voor het bepalen van de territoriumgrenzen waarbinnen het foerageergebied van die burcht zich bevindt, zoals de stichtingen stellen.
4.5. De Afdeling ziet in het betoog dat de grootte van een territorium in zijn algemeenheid is afgestemd op de behoefte van een clan geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek van Ecogroen naar de ligging van de territoria van dassenclans in de omgeving van het projectgebied onvoldoende zorgvuldig is of onjuistheden bevat. Het college heeft op basis van het Activiteitenplan en de notitie geconcludeerd dat geen sprake is van essentieel foerageergebied dat verloren gaat, omdat er voldoende alternatieve foerageergebieden in de omgeving aanwezig zijn in het territorium van de hoofdburcht Meeuwenveen. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college kon concluderen dat de functionaliteit van de voortplantings- of rustplaats van de das niet wordt aangetast en dat het college niet verplicht is om te voorzien in compenserende maatregelen voor het verloren gegane foerageergebied.
Het betoog slaagt niet.
Monitoringsvoorschriften
5. De stichtingen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de juiste monitoringsvoorschriften heeft opgenomen. Hierover voeren de stichtingen aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de hoofdburcht Meeuwenveen onderdeel moet zijn van het monitoringsprogramma, omdat de burchtbezetting van deze burcht volgens hen gemonitord moet worden om te kunnen controleren of de mitigerende maatregelen die in de voorschriften bij de ontheffing zijn opgenomen voldoende zijn om de huidige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Er moet daarom een toestemming opgenomen worden in de ontheffing om het perceel waar de burcht ligt te betreden.
5.1. Zoals onder 4.5 is overwogen, heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat de functionaliteit van de hoofdburcht Meeuwenveen niet door het project wordt aangetast. Dit betekent dat de voorgeschreven monitoring in voorschrift 16 een proactieve maatregel is. Het college dient, met in achtneming van alle in aanmerking komende belangen, te motiveren waarom een bepaald monitoringsvoorschrift is opgelegd.
In dit geval vindt het college het voldoende om in de omgeving van de hoofdburcht Meeuwenveen te monitoren welke (nieuwe) verblijfsplaatsen potentie hebben als kraamburcht om de effectiviteit van de mitigerende maatregelen in beeld te brengen. Gelet op de aan het college toekomende beleidsruimte, heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht geoordeeld dat het college de monitoringsvoorschriften niet van verdere verplichtingen heeft hoeven voorzien.
Het betoog slaagt niet.
Vergunninghouderschap
6. De grond die de stichtingen over het vergunninghouderschap in hoger beroep hebben aangevoerd is een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. De stichtingen hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt hieraan toe dat wanneer de potentiële eigenaar of gebruiker van de kavels een ander is dan in voorschrift 5 genoemde aanvrager of de vergunninghouder, op grond van dat voorschrift in samenhang gelezen met voorschrift 6 en 7, de verplichtingen in de ontheffing jegens deze eigenaar of gebruiker handhaafbaar zijn.
Handhaving
7. Voor zover de stichtingen nog hebben aangevoerd dat een aantal van de voorgeschreven maatregelen, waaronder het inzaaien van de strook grasland en de aanplanting van de heg in het projectgebied, niet wordt nageleefd, overweegt de Afdeling dat dit gaat over handhaving van de voorschriften uit de ontheffing. Dit kan in deze procedure over de ontheffing zelf niet aan de orde komen. Dit geldt ook voor de kwestie over het raster waarmee potentiële toegangen tot het foerageergebied van de das worden afgesloten.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.
w.g. Ten Veen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pistoor
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
932-1192