202503719/1/A3.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Spaarndam, gemeente Haarlemmermeer,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordÂ-Holland van 19 mei 2025 in zaak nr. 24/3780 in het geding tussen:
[appellante] en [partij A]
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.
Procesverloop
Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen overschrijding van de afstandsgrens door het woonschip van [partij B], afgewezen.
Bij besluit van 28 mei 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 mei 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd mr. E. Aslan, advocaat in Haarlem, bijgestaan door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. V. van Toledo zijn verschenen. Ook is op zitting [partij B] als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] woont op het woonschip "[naam]" op het adres [locatie 1] in Spaarndam. Op het adres [locatie 2], in zuidwestelijke richting ten opzichte van [locatie 1], ligt het woonschip van [partij B]. [appellante] heeft bij brief van 29 januari 2023 een verzoek om handhaving gedaan bij het college omdat volgens haar het woonschip op [locatie 2] te dicht op haar woonschip ligt. Het college heeft het verzoek afgewezen, omdat er geen overtreding is vastgesteld. In de vergunning van het woonschip van [partij B] op [locatie 2] is een afstandsgrens van 2 meter opgenomen ten opzichte van het in noordoostelijke richting gelegen woonschip van [appellante]. Naar aanleiding van het verzoek van [appellante] hebben toezichthouders van het college het constateringsrapport van 1 maart 2023 opgesteld. Hieruit volgt dat de afstand tussen deze woonschepen 2,15 meter bedraagt. Daarmee is de afstandsgrens uit de vergunning van het woonschip van [partij B] op [locatie 2] niet overschreden. Het college heeft het besluit in bezwaar gehandhaafd. [appellante] is het hier niet mee eens.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het college gevolgd in het standpunt dat er geen wettelijk voorschrift in algemene zin bestaat waar uit volgt dat (al dan niet in het kader van brandveiligheid) tussen woonschepen een bepaalde minimumafstand in acht moet worden genomen. Volgens de rechtbank worden de eisen in verband met de brandveiligheid wellicht strenger naarmate woonschepen dichter bij elkaar liggen, maar heeft [appellante] niet gevraagd om handhaving van de brandveiligheidseisen. Houders van een ligplaatsvergunning moeten zich houden aan de voorschriften als opgenomen in die vergunningen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet tot nadere regelgeving verplicht is en ook niet verplicht (of bevoegd) is om regelgeving van andere gemeenten toe te passen. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een overtreding van de afstandsgrens van 2 meter die is opgenomen in de ligplaatsvergunning van het woonschip op [locatie 2]. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de stelling van [appellante], dat er volgens de afstanden uit de vergunning voor haar woonschip aan [locatie 1] wel sprake is van overschrijding van de afstandsgrens, niet kan leiden tot de conclusie dat het college ten onrechte heeft afgezien van handhavend optreden. Naleving van de in de vergunning van [appellante] opgenomen afstanden kan, als die al als voorschrift hebben te gelden, alleen verlangd worden van de vergunninghouders, en niet van derden.
Beoordeling van het hoger beroep
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een overtreding. De rechtbank heeft volgens haar miskend dat de afstandsgrens uit de vergunning voor haar woonschip weldegelijk wordt overschreden door het woonschip op [locatie 2] en daarom moet worden gehandhaafd. Volgens [appellante] heeft de rechtbank daarnaast ten onrechte niet aan de brandveiligheidsvoorschriften uit het Bouwbesluit 2012 getoetst. Dit had zij ambtshalve moeten doen. De overweging van de rechtbank hierover is tegenstrijdig.
3.1. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7.1 tot en met 10, 12 en 13 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat [appellante] met de brief van 29 januari 2023 het college heeft verzocht om handhaving van de ligplaatsvergunning omdat volgens haar het woonschip aan [locatie 2] te dicht op haar woonschip ligt. Dit verzoek om handhaving staat in deze procedure centraal. De eigenaar van dat woonschip moet zich houden aan de voorschriften als opgenomen in de voor dat woonschip afgegeven vergunning en deze voorschriften zijn niet overtreden. Er is geen verzoek gedaan om handhaving van voorschriften uit het Bouwbesluit. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het Bouwbesluit 2012 in het kader van deze procedure niet aan de orde komt. Zij heeft ook geen aanleiding hoeven zien om ambtshalve aan deze voorschriften te toetsen.
Het betoog slaagt niet.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
85-1166