202505823/1/A2.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
Stichting Wijkraad Boxmeer Noord en Stichting Wijkraad Boxmeer West, beide gevestigd in Boxmeer, gemeente Land van Cuijk,
appellanten,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 23 september 2025 in zaken nrs. 24/3413 en 24/4402 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk.
Procesverloop
Op 30 augustus 2024 heeft het college verkeersbesluiten genomen over de herinrichting van de Rembrandt van Rijnstraat en de spoorzone/het Schilderspad en over de afsluiting voor fietsers van het Schilderspad in Boxmeer.
Bij mondelinge uitspraak van 23 september 2025 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben Stichting Wijkraad Boxmeer Noord en Stichting Wijkraad Boxmeer West hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, heeft gesloten.
Overwegingen
1. In artikel 6:13 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van deze wet, is bepaald dat geen hoger beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld.
2. Uit deze bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat hoger beroep alleen kan worden ingesteld door een belanghebbende die in elke formele fase van de procedure heeft meegedaan - in dit geval door het (tijdig) instellen van beroep bij de rechtbank - tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij een fase van de procedure heeft overgeslagen. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2459, onder 1.2.
3. De stichtingen zijn het niet eens met de uitspraak van 23 september 2025. Zij betogen dat de rechtbank de door [appellant] ingestelde beroepen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voeren aan dat uit het proces-verbaal van de uitspraak en de zittingsaantekeningen blijkt dat [appellant] ook namens hen bij de rechtbank het woord heeft gevoerd. Voor zover zij niet als eisers in beroep kunnen worden aangemerkt, betogen zij dat de rechtbank hen, gelet op de inhoud van het dossier en de uitlatingen op de zitting, op grond van artikel 8:26 van de Awb als partij tot het geding had moeten toelaten als belanghebbenden. De rechtbank heeft volgens hen ten onrechte uitsluitend de belanghebbendheid van [appellant] beoordeeld. Daardoor zijn zij in hun procesbelangen geschaad.
3.1. Voor zover de stichtingen zich op het standpunt stellen dat [appellant] het beroep mede namens hen heeft ingesteld en de rechtbank ten onrechte niet daarop heeft beslist, volgt de Afdeling de stichtingen hierin niet. [appellant] heeft in het beroepschrift van 26 september 2024 vermeld dat hij alleen voor zichzelf beroep instelt. De stichtingen zijn daarin niet als mede-indieners vermeld. Ook is niet gebleken dat [appellant] binnen de beroepstermijn kenbaar heeft gemaakt dat hij mede namens de stichtingen beroep heeft ingesteld. De e-mail van Stichting Wijkraad Boxmeer West van 31 juli 2025 en de later door [appellant] overgelegde ondersteuningsverklaring van Stichting Wijkraad Boxmeer Noord brengen daarin geen verandering. Deze stukken zijn na afloop van de beroepstermijn ingediend. Dat [appellant], naar de stichtingen stellen, op de zitting bij de rechtbank ook namens hen het woord heeft gevoerd, maakt dit niet anders.
3.2. Artikel 8:26, eerste lid, van de Awb strekt er niet toe belanghebbenden met een parallel belang alsnog de mogelijkheid te bieden deel te nemen aan een procedure waarin zij zelf tijdig beroep hadden kunnen instellen. De stichtingen streven, evenals [appellant], vernietiging van de verkeersbesluiten na en hebben daarom een parallel belang. Daargelaten of zij belanghebbenden bij de verkeersbesluiten zijn, hadden zij, als zij tegen deze besluiten wilden opkomen, zelf binnen de beroepstermijn beroep moeten instellen. De rechtbank was daarom niet gehouden de stichtingen op grond van artikel 8:26 van de Awb als partij tot het geding toe te laten. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8261, onder 2.4.1.
4. De stichtingen hebben niet (door het tijdig indienen van een beroepschrift) beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de verkeersbesluiten van 30 augustus 2024. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Dit leidt ertoe dat op grond van artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, voor de stichtingen geen hoger beroep openstaat.
5. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
452-1189