202503753/1/R1.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Melderslo, gemeente Horst aan de Maas,
appellant,
en
de raad van de gemeente Horst aan de Maas,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2025 heeft de raad geweigerd het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2], Lottum" vast te stellen.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 augustus 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Sahin, advocaat in Nieuwegein, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.J.H. Pijpers, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] was ten tijde van het besluit eigenaar van het perceel [locatie 1] en [locatie 2] in Lottum. [locatie 1] stond destijds kadastraal bekend als perceel [locatie 3] en [locatie 2] stond bekend als kadastraal perceel [locatie 4]. Op beide kadastrale percelen stond een woning. [appellant] heeft op 7 oktober 2021 bij het college een verzoek ingediend medewerking te verlenen aan de wens van [appellant] om op de locatie [locatie 1] een extra woning te bouwen.
Het college heeft met de brief van 13 april 2022 laten weten principemedewerking te verlenen, onder de voorwaarden dat, voor zover hier van belang, voor de nieuw te vormen percelen een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld en de bestaande woning aan [locatie 2] wordt gesloopt. Op 20 december 2023 heeft het college het ontwerpbestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2], Lottum" ter inzage gelegd.
In het raadsvoorstel van 3 juni 2025 is overwogen dat met het plan niet een afstand van 50 m kan worden aangehouden tussen de voorziene woning en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Verder is in het raadsvoorstel de principemedewerking betrokken en de mogelijkheid dat [appellant] kosten heeft gemaakt. In het raadsvoorstel wordt geconcludeerd dat het ruimtelijk belang prevaleert en dat er geen aanleiding is om een schadevergoeding toe te kennen. De raad heeft vervolgens bij besluit van 3 juni 2025 geweigerd om het bestemmingsplan vast te stellen. [appellant] heeft daartegen beroep ingesteld.
Volgens [appellant] heeft de raad in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld en moet de raad daarom een schadevergoeding toekennen.
Vertrouwensbeginsel
2. [appellant] betoogt dat de raad in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Hij voert aan dat hij erop mocht vertrouwen dat de raad het plan zou vaststellen. Volgens hem volgt dit uit de brief van het college van 13 april 2022, waarin het college aangeeft principemedewerking te verlenen. In de brief staat ook dat het plan is getoetst aan het geldende gemeentelijke beleid en dat het ruimtelijk gezien geen probleem is om de woning te verplaatsen. Daarnaast wijst [appellant] op de daaropvolgende voorbereidende handelingen van het college, zoals het opstellen van het ontwerpbestemmingsplan. Omdat de raad het plan volgens [appellant] in strijd met het vertrouwensbeginsel niet heeft vastgesteld, moet de raad volgens [appellant] een schadevergoeding toekennen. [appellant] wijst erop dat hij naar aanleiding van de principemedewerking het ontwerpplan en de bijbehorende onderzoeken heeft laten opstellen. Volgens [appellant] heeft het college in de brief van 13 april 2022 alsook op ieder ander moment er ten onrechte niet op gewezen dat een spuitzone in de weg kan staan aan de vaststelling van het plan.
2.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
Verder is vereist dat die uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Om te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de ruimte van de (democratisch gekozen) gemeenteraad om een eigen belangenafweging te maken, kunnen handelingen van het college van burgemeester en wethouders de raad alleen binden als hij daarmee instemt.
2.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het vertrouwensbeginsel niet geschonden. De Afdeling begrijpt dat bij [appellant] de verwachting is gewekt dat het plan mogelijk kon worden vastgesteld. In de brief van 13 april 2022 in reactie op zijn principeverzoek staat namelijk dat het plan is getoetst aan de geldende regelgeving en het geldende beleid, te weten het geldende bestemmingsplan en de gemeentelijke structuurvisie, en dat het ruimtelijk gezien geen probleem is om de woning te verplaatsen. Daarna zijn het ontwerpplan en het ontwerpbesluit hogere grenswaarden ter inzage gelegd. De Afdeling ziet hierin echter geen toezegging, andere uitlating of gedraging waaraan [appellant] het vertrouwen kon ontlenen dat de raad het bestemmingsplan daadwerkelijk zou vaststellen. In de brief van 13 april 2022 staat namelijk dat het college principemedewerking verleent onder de voorwaarde dat een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld. Ook staat daarin dat een verzoek tot herziening bij de gemeente kan worden ingediend dat moet worden onderbouwd met een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing. Deze uitlatingen geven geen uitsluitsel over de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure. Het had voor [appellant] daarmee redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat het initiatief nog afhankelijk was van de bestemmingsplanprocedure en een omgevingsvergunningprocedure. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat er toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan, waaruit hij mocht afleiden dat de raad het bestemmingsplan zou vaststellen. Dat de agrarische bedrijvigheid en de afstand daarvan tot de voorziene woning al eerder bij het college bekend waren, maakt dit niet anders. Hoewel het college de mogelijke gevolgen van de spuitzone eerder bij de beoordeling had kunnen betrekken, betekent dit niet dat [appellant] bij het achterwege blijven daarvan erop mocht vertrouwen dat de spuitzone geen probleem voor het plan zou kunnen vormen. Het college heeft namelijk geen enkele uitlating gedaan over de spuitzone en heeft deze ook niet bij zijn principemedewerking betrokken. [appellant] kon daaruit dan ook niet afleiden dat de spuitzone geen probleem zou vormen.
[appellant] heeft aangevoerd dat de principemedewerking aan de raad moet worden toegerekend omdat het proces rommelig verliep en niet duidelijk was namens wie bepaalde uitlatingen werden gedaan. De Afdeling komt aan een beoordeling daarvan niet toe, aangezien er geen gerechtvaardigd vertrouwen bij [appellant] is gewekt. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een afweging moest maken over een eventuele schadevergoeding, daargelaten dat de raad deze afweging, zoals eerder benoemd onder 1 van deze uitspraak, wel heeft gemaakt.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond.
4. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Driel Kluit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
703-1138