202501816/1/R3.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in Den Haag,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 november 2024 in zaken nrs 23/4349 en 23/4350 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 29 maart 2022 heeft het college aan [appellant A] en [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd in verband met een dakterras en een aantal bouwwerken aan de [locatie] in Den Haag.
Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd.
Bij besluit van 15 mei 2023 heeft college de door [appellant A] en [appellant B] tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 15 mei 2023 vernietigd.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] verzet gedaan.
Bij uitspraak van 13 maart 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het verzet kennis te nemen. De rechtbank heeft het verzetschrift met toepassing van artikel 6:15 en artikel 6:24 van de Awb doorgestuurd naar de Afdeling ter verdere behandeling als hoger beroepschrift.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, heeft gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 12 november 2024 bepaald dat het college de kosten die [appellant A] en [appellant B] hebben gemaakt voor het beroep bij de rechtbank moet vergoeden.
[appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college ook de kosten die zij hebben moeten maken voor de bezwaarprocedure moet vergoeden. Zij wijzen erop dat zij daar zowel in de bezwaarschriften als in het beroepschrift om hebben verzocht.
2. Op grond van artikel 7:15 van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
3. De rechtbank heeft in de uitspraak van 12 november 2024 het besluit van 15 mei 2023 vernietigd. De besluiten van 29 maart 2022 en 31 januari 2023 heeft de rechtbank niet herroepen, maar in stand gelaten. Daarom konden [appellant A] en [appellant B] op het moment dat de rechtbank uitspraak deed, nog geen aanspraak maken op vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Zoals de rechtbank in de uitspraak ook heeft overwogen, moet het college een nieuw besluit op de bezwaren nemen. Daarbij zal het college ook moeten beslissen op het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, zoals is bepaald in artikel 7:15, derde lid, van de Awb.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank van 12 november 2024, voor zover aangevallen, bevestigen.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Duursma
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
378