202404703/2/R4.
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op een verzoek om schadevergoeding van:
[appellante], gevestigd in Augsbuert-Lytsewâld, gemeente Noardeast-Fryslân,
appellante,
Procesverloop
De Afdeling heeft het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak na de uitspraak van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5183, omtrent de gevorderde schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en minister van Justitie en Veiligheid) aangemerkt als partij in deze procedure.
Partijen hebben niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
Overwegingen
1. [appellante] heeft de Afdeling verzocht om vergoeding van schade omdat de redelijke termijn is overschreden.
2. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
3. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellante] ontvangen op 22 februari 2022. De redelijke termijn is in deze procedure dus met zes en een halve maand overschreden. Deze overschrijding moet aan het bestuursorgaan, de rechtbank en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 3/8e deel aan het college, voor 2/8e deel aan de rechtbank en voor 3/8e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
4. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.000,00.
5. Het verzoek wordt toegewezen. Het college en de Staat moeten de proceskosten vergoeden. Bij de berekening van de kosten zal de wegingsfactor licht (0,5) worden gehanteerd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân om aan [appellante] een schadevergoeding van € 375,00 te betalen;
III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellante] een schadevergoeding van € 625,00 te betalen (€ 250,00 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 375,00 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties);
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 155,67, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 311,33 (€ 155,66 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 155,67 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Greben, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Greben
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026
1210