ECLI:NL:RVS:2026:6228

ECLI:NL:RVS:2026:6228

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 21-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer 202301795/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 15 december 2022 heeft de raad van de gemeente Noord-Beveland het bestemmingsplan "Bebouwde kom Colijnsplaat 2022" vastgesteld. Het plan is grotendeels conserverend van aard en voorziet in een actualisering van het juridisch-planologische kader voor de kern Colijnsplaat in de gemeente Noord-Beveland. Het plan voorziet daarnaast in enkele nieuwe ontwikkelingen binnen die kern, waaronder een nieuwe woning op het perceel [locatie 4]-[locatie 5] en een uitbreiding van het bedrijventerrein aan de [locatie 9]. [appellanten sub 2] wonen aan de [locatie 1]. [appellant sub 3] woont aan de [locatie 2]. [appellant sub 4] woont aan de [locatie 3] en exploiteert daar ook een agrarisch bedrijf. Zij vrezen allen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat door de woning die het plan mogelijk maakt op het perceel [locatie 4]-[locatie 5]. [appellant sub 4] vreest daarnaast ook dat het plan leidt tot beperkingen voor zijn bedrijfsvoering. [partij] is eigenaar van het perceel leefklimaat door de woning die het plan mogelijk maakt op het perceel [locatie 4]-[locatie 5] en initiatiefnemer van de voorziene ontwikkeling. [appellant sub 1] woont aan [locatie 6]. [appellant sub 5] en anderen wonen aan de [locatie 7] en [locatie 8]. Zij zijn het niet eens met de uitbreiding van de bedrijfslocatie van [bedrijf] aan de [locatie 9], waar het plan in voorziet. Zij vrezen vooral voor geluidhinder door de activiteiten van het bedrijf op dat perceel.

Uitspraak

AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellant sub 1], wonend in Colijnsplaat, gemeente Noord-Beveland,

2. [ appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Colijnsplaat, gemeente Noord-Beveland,

3. [ appellant sub 3], wonend in Colijnsplaat, gemeente Noord-Beveland,

4. [ appellant sub 4], wonend in Colijnsplaat, gemeente Noord-Beveland,

5. [ appellant sub 5] en anderen, allen wonend in Colijnsplaat, gemeente Noord-Beveland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Noord-Beveland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Bebouwde kom Colijnsplaat 2022" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

[appellanten sub 2], [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 1] hebben een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn gedaan.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 april 2026, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat in Rotterdam, [appellant sub 5] en anderen, bij monde van [appellant sub 5] en [appellant sub 5A], bijgestaan door mr. P.I.M. Houniet, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, [appellanten sub 2], eveneens bijgestaan door mr. P.I.M. Houniet en de raad, vertegenwoordigd door M. van der Maarl, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 10 maart 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan is grotendeels conserverend van aard en voorziet in een actualisering van het juridisch-planologische kader voor de kern Colijnsplaat in de gemeente Noord-Beveland. Het plan voorziet daarnaast in enkele nieuwe ontwikkelingen binnen die kern, waaronder een nieuwe woning op het perceel [locatie 4]-[locatie 5] en een uitbreiding van het bedrijventerrein aan de [locatie 9].

[appellanten sub 2] wonen aan de [locatie 1]. [appellant sub 3] woont aan de [locatie 2]. [appellant sub 4] woont aan de [locatie 3] en exploiteert daar ook een agrarisch bedrijf. Zij vrezen allen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat door de woning die het plan mogelijk maakt op het perceel [locatie 4]-[locatie 5]. [appellant sub 4] vreest daarnaast ook dat het plan leidt tot beperkingen voor zijn bedrijfsvoering. [partij] is eigenaar van het perceel [locatie 4]-[locatie 5] en initiatiefnemer van de voorziene ontwikkeling.

[appellant sub 1] woont aan [locatie 6]. [appellant sub 5] en anderen wonen aan de [locatie 7] en [locatie 8]. Zij zijn het niet eens met de uitbreiding van de bedrijfslocatie van [bedrijf] aan de [locatie 9], waar het plan in voorziet. Zij vrezen vooral voor geluidhinder door de activiteiten van het bedrijf op dat perceel.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Relevante regelgeving

4. De relevante wettelijke bepalingen, voor zover niet geciteerd in de overwegingen, zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Volgorde van behandeling

5. De Afdeling bespreekt eerst de beroepen van [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4], gericht tegen het plandeel leefklimaat door de woning die het plan mogelijk maakt op het perceel [locatie 4]-[locatie 5] en vervolgens de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen, gericht tegen het plandeel [locatie 9].

De beroepen van [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4]

6. De beroepen van [appellanten sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] richten zich tegen het plandeel met de bestemmingen "Bedrijf" en "Wonen" op het perceel leefklimaat door de woning die het plan mogelijk maakt op het perceel [locatie 4]-[locatie 5]. Dit perceel heeft een L-vorm. De woning is voorzien aan het lange deel daarvan. Dat lange deel ligt tussen de achtertuinen van het woonlint aan Havelaarstraat 68 tot en met 88 en het woonlint aan Ringweg 58 tot en met 82 en had onder het vorige plan een agrarische bestemming, waarop geen bebouwing was toegestaan. Met het plan krijgen die gronden de bestemmingen "Wonen" en "Groen".

Het andere deel van het perceel, aan de straatzijde van de Ringweg, had onder het vorige plan twee bouwvlakken. Het voorste bouwvlak had een agrarische bestemming, waarop een bedrijfswoning was toegestaan. Het bouwvlak daarachter had een bedrijfsbestemming. Met het voorliggende plan zijn aan dit deel van het perceel twee bouwvlakken binnen de bestemming "Bedrijf" toegekend.

De bestemmingswijziging voor het perceel leefklimaat door de woning die het plan mogelijk maakt op het perceel [locatie 4]-[locatie 5] heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een zienswijze van ZLTO Advies namens [partij]. De raad heeft bij de vaststelling van het plan ingestemd met het door [partij] in de zienswijze neergelegde verzoek om een volgens hem passende bestemming aan zijn gronden toe te kennen, omdat volgens de raad op het perceel geen agrarische activiteiten meer plaatsvinden en het perceel volgens de raad daarvoor ook niet (meer) geschikt is.

Participatie

7. [ appellant sub 4] betoogt dat er onvoldoende participatie is geweest bij de voorziene ontwikkeling op het perceel leefklimaat door de woning die het plan mogelijk maakt op het perceel [locatie 4]-[locatie 5]. Hij stelt daarbij dat de raad ten onrechte met hem geen overleg heeft gevoerd over die ontwikkeling, temeer omdat hij op het naastgelegen perceel een agrarisch bedrijf exploiteert.

De raad heeft erop gewezen dat het ontwerpplan op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt en ter inzage is gelegd. Een ieder is daarbij in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. De Afdeling stelt echter vast dat de in het plan voorziene ontwikkeling aan leefklimaat door de woning die het plan mogelijk maakt op het perceel [locatie 4]-[locatie 5], niet in het ontwerpplan was opgenomen. [appellant sub 4] heeft daarover dus geen zienswijze naar voren kunnen brengen. Aan de gevolgde uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb is echter inherent dat de raad het ontwerpbesluit, al dan niet naar aanleiding van over het ontwerpbesluit door derden naar voren gebrachte zienswijzen, na de terinzagelegging gewijzigd kan vaststellen. Deze wijzigingen mogen echter naar aard en omvang niet zodanig zijn dat sprake is van een wezenlijk ander bestemmingsplan ten aanzien waarvan opnieuw de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure doorlopen had moeten worden.

Voor zover [appellant sub 4] met zijn beroepsgrond heeft willen aanvoeren dat de raad vanwege de voorziene wijzigingen op het perceel [locatie 4]-[locatie 5] ten opzichte van het ontwerpplan, ten onrechte niet opnieuw de gelegenheid heeft geboden om zienswijzen in te dienen door de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen, overweegt de Afdeling het volgende. Uit het besluit tot vaststelling van het plan blijkt dat de bestemming ter plaatse van de gronden van de schuur op de leefklimaat door de woning die het plan mogelijk maakt op het perceel [locatie 4]-[locatie 5] is gewijzigd van "Agrarisch" naar "Bedrijf" voor een bedrijf met milieucategorie 1 en dat voor het overige de gronden met de bestemming "Agrarisch" zijn gewijzigd naar de bestemmingen "Wonen" en "Groen" ten behoeve van de bouw van één woning. Naar het oordeel van de Afdeling zijn die wijzigingen naar aard en omvang niet zo groot dat sprake is een wezenlijk ander plan voor de bebouwde kom van Colijnsplaat ten opzichte van het ontwerpplan, temeer omdat het perceel slechts een klein gedeelte van het gehele plangebied vormt. De raad hoefde daarom naar het oordeel van de Afdeling niet opnieuw de uniforme openbare voorbereidingsprocedure te doorlopen voor het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt niet.

Aanduidingen

8. [appellanten sub 2] betogen dat de verbeelding van het plan en de artikelen 15.2.1 en 15.2.2 van de planregels voor wat betreft het perceel tegenstrijdig zijn. Het perceel heeft op de planverbeelding een bouwvlak met de bestemming "Wonen". Op grond van de artikelen 15.2.1 en 15.2.2 van de planregels staat het plan evenwel niet de bouw van een woning op het perceel toe. [appellanten sub 2] wijzen erop dat er geen aanduiding als bedoeld in artikel 15.2.1 aan het perceel is toegekend, zodat niet duidelijk is of binnen het bouwvlak één of meer vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen of aaneengebouwde woningen mogen worden gebouwd. Verder is er volgens hen geen aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' opgenomen, zodat er op grond van artikel 15.2.2 van de planregels geen woningbouw mag plaatsvinden. Daarbij hebben zij erop gewezen dat er op dit moment geen sprake is van een bestaande woning op het perceel.

Artikel 15.2.1, van de planregels luidt:

"Op deze gronden mogen uitsluitend ten dienste van de in lid 15.1 bedoelde bestemmingen worden gebouwd:

a. woningen, met dien verstande dat: ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', uitsluitend vrijstaande woningen mogen worden gebouwd;"

[…]

Artikel 15.2.2, van de planregels luidt: "het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal woningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' maximaal het aantal woningen mag worden gebouwd zoals met de aanduiding is weergegeven."

De raad heeft erkend dat de aanduidingen "vrijstaand" en "maximum aantal wooneenheden: 1" abusievelijk niet zijn opgenomen op de verbeelding ter plaatse van het bouwvlak met de bestemming "Wonen" op het perceel. Gelet op het ontbreken van de genoemde aanduidingen, hebben [appellanten sub 2] terecht aangevoerd dat de bouw van een vrijstaande woning op het perceel niet is toegestaan. Omdat de raad wel heeft beoogd om te voorzien in een planologische regeling die de bouw van één vrijstaande woning op het perceel mogelijk maakt, is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid vastgesteld.

Het betoog slaagt.

Met het oog op een finale geschilbeslechting zal de Afdeling hierna bij de beoordeling van de beroepsgronden over het perceel leefklimaat door de woning die het plan mogelijk maakt op het perceel [locatie 4]-[locatie 5] ervan uitgaan dat het plan de bouw van één vrijstaande woning mogelijk maakt op het bouwvlak met de bestemming "Wonen".

Uitzicht, privacy en bezonning

9. [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen die de ontwikkeling zal hebben voor hun woon- en leefklimaat waar het gaat om hun uitzicht, privacy en bezonning. Het plan zal volgens hen leiden tot een verlies van het open uitzicht vanaf hun woningen en achtertuinen, waaronder het uitzicht op het beschermd dorpsgezicht van Colijnsplaat, en verlies aan zonlicht.

Daarnaast vrezen zij voor een aantasting van hun privacy, waarbij [appellanten sub 2] erop hebben gewezen dat het plan op grond van artikel 22.2 van de planregels dakterrassen op de eerste bouwlaag toestaat.

[appellant sub 3] vreest tot slot dat de wijziging van de agrarische bestemming een opening biedt om in de toekomst meerdere objecten, dan wel projecten, te realiseren.

De raad stelt dat de voorziene woning niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 2] en [appellant sub 3].

Over de vrees van [appellant sub 3] dat de wijziging van de agrarische bestemming leidt tot meer objecten, dan wel bouwprojecten op het perceel, overweegt de Afdeling dat dit niet wordt geregeld in het plan. De Afdeling kan in deze procedure alleen een oordeel geven over de ontwikkelingen in het voorliggende plan. Toekomstige ontwikkelingen kunnen aan de orde komen in een eventuele toekomstige procedure over een ruimtelijk besluit dat in die ontwikkelingen voorziet.

Voor zover [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat de voorziene woning op het binnenterrein leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor hun woon- en leefklimaat vanwege een beperking van hun uitzicht en het verlies aan privacy, stelt de Afdeling voorop dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Bovendien bestaat er ook geen recht op een blijvend vrij uitzicht, zodat [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] hierop geen aanspraak kunnen maken. De raad heeft verder toegelicht dat het uitzicht vanuit de woningen van [appellanten sub 2] weliswaar zal veranderen, maar dat de vermindering van het uitzicht en het verlies aan privacy beperkt zullen zijn. Daarbij heeft de raad erop gewezen dat het bouwvlak op de gronden met de bestemming "Wonen" op het perceel niet direct achter maar ten zuidoosten van de achtertuinen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] is gesitueerd en dat de gevolgen voor het uitzicht en de privacy van [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] mede hierdoor beperkt zullen zijn. Verder bedraagt de kortste afstand tussen het bouwvlak en de achtergevel van de woningen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 3] minimaal 30 m, wat in een bebouwde omgeving zoals de kern Colijnsplaat een ruime afstand is. De Afdeling is van oordeel dat de raad hiermee tot een zorgvuldige belangenafweging is gekomen. De Afdeling is verder van oordeel dat, gelet op deze afstand, de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat ook indien een dakterras op de voorziene woning zal worden gerealiseerd, geen sprake is van een onaanvaardbare inbreuk van de privacy van [appellanten sub 2] en [appellant sub 3]. Daarbij is ook van belang dat bewoners in een bebouwde omgeving er rekening mee behoren te houden dat er inkijk in hun achtertuin kan ontstaan als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen.

Onder deze omstandigheden heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat het uitzicht en de privacy van [appellant sub 3] en [appellanten sub 2] niet op onaanvaardbare wijze worden aangetast als gevolg van dit plan.

Wat betreft de beroepsgrond van [appellant sub 3] en [appellanten sub 2] over de verminderde zonlichttoetreding op hun percelen, overweegt de Afdeling dat voor de bezonning van woningen geen wettelijke normen bestaan. Dat neemt niet weg dat in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan een afweging moet plaatsvinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in verband met zonlichttoetreding.

De raad heeft toegelicht dat hij de gevolgen voor de bezonningssituatie van [appellant sub 3] en [appellanten sub 2] heeft betrokken. Volgens de raad zal het plan niet leiden tot onaanvaardbare schaduwhinder, gelet op de situering van het bouwvlak en de ligging van de percelen van [appellant sub 3] en [appellanten sub 2] ten opzichte van de locatie waar de woning is voorzien. De Afdeling stelt vast dat de maximale toegestane bouwhoogte van de voorziene woning 8,5 m bedraagt. Gelet op deze bouwhoogte en de afstand tussen het voorziene bouwvlak en de percelen van [appellant sub 3] en [appellanten sub 2], heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare schaduwwerking op de percelen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 3].

De betogen slagen niet.

De aanduiding "erf"

10. [appellanten sub 2] betogen dat aan de gronden aan de voorzijde van de voorziene woning op het perceel ten onrechte de aanduiding "erf" is toegekend, waardoor er, in tegenstelling tot de omliggende woningen, ook aan de voorzijde van de woning bebouwing kan worden gerealiseerd. Zij achten dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Verder voeren zij aan dat aan het gehele perceel de aanduiding "erf" is toegekend en dat dit ervoor zorgt dat er meer bouwwerken opgericht zouden kunnen worden die nog voor meer onaanvaardbare ruimtelijke belemmeringen kunnen zorgen.

De raad stelt dat de toekenning van de aanduiding "erf" aan het hele terrein rond de woning, niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

Ingevolge artikel 1.77 van de planregels is de voorgevellijn de gevellijn waarin de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan.

Artikel 15.2.3 van de planregels luidt:

"Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ worden gebouwd;

b. de hoofdgebouwen dienen met de voorgevel te worden gebouwd in de voorgevellijn.

[…]."

Artikel 15.2.4 van de planregels luidt:

"Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden uitsluitend op de gronden met de aanduiding 'erf' dan wel binnen het bouwvlak gebouwd;

[…];

c. de bebouwde oppervlakte van het achtererf bedraagt maximaal 50% met een maximum van 40 m².

d. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt maximaal 3,25 meter en de bouwhoogte maximaal 5,00 meter;

e. aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen minimaal 3,00 meter achter (het verlengde van) de voorgevellijn te worden gebouwd;

[…].".

Volgens de verbeelding is aan de gronden van het perceel naast de bestemming "Wonen", ook de aanduiding "erf" toegekend, behoudens het gedeelte dat aan de weg ligt en waar de bestemming "Bedrijf" is toegekend. Op gronden met die aanduiding mogen op grond van artikel 15.2.4, aanhef en onder a, van de planregels onder meer bijgebouwen worden gebouwd.

Voor zover [appellanten sub 2] stellen dat het plan door de toekenning van de aanduiding "erf" aan het perceel in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld, ziet de Afdeling geen aanleiding hen hierin te volgen. De raad heeft namelijk toegelicht dat de voorziene woning niet kan worden aangemerkt als een gelijk geval ten opzichte van de omliggende woningen, omdat de voorziene woning op een binnenterrein ligt, terwijl de omliggende woningen in een woonlint liggen. De raad acht bebouwing in de voortuinen van woningen die aan een straat liggen vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk. Omdat de voorziene woning niet aan een woonstraat ligt, maar op een binnenterrein, heeft de raad geen reden gezien om aan deze woning dezelfde beperkingen op te leggen. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit niet zo heeft mogen doen.

Ten aanzien van de stelling van [appellanten sub 2] dat de toekenning van de aanduiding "erf" leidt tot verdere onaanvaardbare ruimtelijke belemmeringen, overweegt de Afdeling dat het plan voor de bebouwde oppervlakte van het achtererf maximaal 50% toestaat met een maximum van 40 m², waarbij de goothoogte en bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen maximaal 3,25 m respectievelijk 5,00 m bedraagt. Gelet op wat het plan maximaal aan bebouwing op het erf toestaat, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze bouwmogelijkheden vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening niet onaanvaardbaar zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet de aanduiding "erf" aan het perceel heeft mogen toekennen.

Het betoog slaagt niet.

Agrarische bedrijfsvoering

11. [appellant sub 4] voert aan dat de raad er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat de voorziene ontwikkeling kan leiden tot beperkingen van zijn bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden. Hij vreest voor verstoring van het vee in zijn stal door geluid en door lichten van voertuigen van en naar de woning. Ook vreest hij voor schaduwwerking op zijn perceel en daardoor slechter drogende grond, omdat in het inrichtingsplan bomen zijn ingetekend tegen zijn perceelsgrens. Hij vreest bovendien dat er meerdere woningen worden gebouwd, omdat het hele perceel de bestemming "Wonen" heeft. De raad heeft volgens hem onvoldoende gewicht toegekend aan zijn belangen. Volgens hem is bovendien het belang bij de aangevraagde bestemmingswijziging niet onderbouwd. Hij stelt dat er wel degelijk agrarische activiteiten plaatsvinden.

De raad acht handhaving van de agrarische bestemming op het perceel niet wenselijk, omdat dit perceel deel uitmaakt van de kern van Colijnsplaat en handhaving van de agrarische bestemming niet passend is vanwege de conflicterende belangen en mogelijke milieuhinder.

De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat het perceel deel uitmaakt van de kern van Colijnsplaat, een bebouwd gebied.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad alleen al daarom kunnen afzien van de toekenning van de bestemming "Agrarisch" aan het perceel, temeer omdat het perceel wordt omringd door woningen. Over de schaduwwerking heeft de raad toegelicht dat onder het vorige plan op het perceel al bomen konden worden geplant. Dat is dus niet een gevolg van dit plan. Over de vrees van [appellant sub 4] dat er meer woningen dichterbij zijn perceelsgrens kunnen komen, overweegt de Afdeling dat dit op grond van het plan niet is toegestaan, omdat woningen alleen binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd. De Afdeling stelt verder vast dat de afstand tussen het bouwvlak van de voorziene woning en het perceel van [appellant sub 4] ongeveer 30 m bedraagt. Het perceel van [appellant sub 4] is in de huidige situatie al omringd door woningen die op aanzienlijk kortere afstand liggen ten opzichte van zijn perceel dan de met het plan voorziene woning.

[appellant sub 4] heeft verder niet concreet gemaakt waarom volgens hem de voorziene woning tot meer of andere beperkingen zal leiden voor zijn agrarische bedrijfsvoering dan de al bestaande woningen rond zijn perceel. De raad heeft zich onder deze omstandigheden op het standpunt kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat het vee als gevolg van de voorziene woning ernstig wordt verstoord en dat [appellant sub 4] door de ontwikkeling in zijn bedrijfsvoering of uitbreidingsmogelijkheden onaanvaardbaar wordt beperkt. Voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan in zoverre onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [appellant sub 4], bestaat geen aanleiding.

Het betoog slaagt niet.

De bestemming "Bedrijf"

12. [appellant sub 4] betoogt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de bestemming "Bedrijf" op het perceel voor zijn woon- en leefklimaat op het buurperceel. Hij stelt in de huidige situatie al overlast te ondervinden van de bedrijfsactiviteiten op het perceel.

Artikel 4.1 van de planregels luidt:

De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 1' de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in de categorie 1 voorzover die voorkomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels;

b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in de categorie 1 dan wel 2 voorzover die voorkomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels;

De Afdeling stelt vast dat aan het deel van het perceel dat aan de straatzijde ligt, de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "bouwvlak" is toegekend. Verder is aan dit deel aan de westzijde de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 1" en aan de oostzijde de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 2" en "specifieke vorm van bedrijf - installatie alternatieve autobrandstofsystemen" toegekend.

Vast staat dat het deel van de gronden met de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 2" en "specifieke vorm van bedrijf - installatie alternatieve autobrandstofsystemen" onder het vorige plan dezelfde aanduidingen had. Daarop is in de bestaande situatie een loods aanwezig die wordt gebruikt voor een bedrijf, gericht op het installeren van alternatieve brandstofsystemen. In zoverre heeft de raad beoogd met het plan de legaal bestaande situatie te bestemmen. De Afdeling overweegt evenwel dat voor de genoemde aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - installatie alternatieve autobrandstofsystemen", in de planregels geen regels zijn opgenomen. Door het ontbreken van deze koppeling in de planregels, komt aan deze aanduiding op de verbeelding geen betekenis toe. De raad heeft op de zitting erkend dat deze koppeling wel in de planregels had moeten worden vastgelegd. Verder heeft de raad op de zitting erkend dat de afweging of op het perceel een bedrijf tot en met categorie 2 en ook een bedrijf ten behoeve van de installatie van alternatieve autobrandstofsystemen vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening toelaatbaar zijn, in het bestreden besluit niet aan de orde is gekomen. Daarbij is verder van belang dat de raad op de zitting niet duidelijk heeft kunnen maken onder welke categorie van bedrijvigheid in de Staat van Bedrijfsactiviteiten de op het perceel aanwezige bedrijvigheid moet worden geschaard.

Wat betreft het deel van het perceel waaraan de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 1" is toegekend, overweegt de Afdeling dat dit deel van het perceel in het vorige bestemmingsplan een agrarische bestemming had. De Afdeling overweegt dat de toekenning van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 1" verband houdt met de wens van de initiatiefnemer om op dit perceel in een loods landbouwmachines te stallen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom deze activiteit kan worden gekwalificeerd als categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, temeer omdat de opslag geen onderdeel is van een bedrijf dat onder categorie 1 valt. Ook is de Afdeling van oordeel dat de raad de planologische aanvaardbaarheid van de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 1" op deze locatie, onvoldoende heeft gemotiveerd, onder meer omdat niet inzichtelijk is gemaakt in hoeverre rekening is gehouden met de belangen van omwonenden, zoals [appellant sub 4].

Gelet op het voorgaande is het plan in zoverre, in strijd met artikel 3:2 van de Awb, niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is het plan in strijd met artikel 3:46 van de Awb, niet deugdelijk gemotiveerd. Verder is het plan in zoverre in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld.

Het betoog slaagt.

Waterberging- en afvoer

13. [appellant sub 4], [appellant sub 3] en [appellanten sub 2] betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de waterhuishouding. [appellant sub 4] en [appellanten sub 2] wijzen er daarbij op dat het onbebouwde perceel in de huidige situatie fungeert als natuurlijke waterberging bij (zware) regenval. Zij vrezen dat het water niet kan worden afgevoerd als het perceel wordt verhard en bebouwd.

De raad stelt dat hemelwater uit de omgeving momenteel afvloeit naar het perceel omdat de omliggende percelen in de loop van de tijd iets zijn opgehoogd. Volgens de raad is de hoofdregel dat het hemelwater op het eigen perceel behoort te worden verwerkt. Elke eigenaar van een perceel zal ervoor moeten zorgen dat er geen hemelwater kan afvloeien naar aangrenzende percelen.

De raad stelt verder dat in het gebied geen problemen met waterafvoer bekend zijn. Hij verwijst hiertoe naar het ongedateerde document "Wateraspecten" dat als bijlage 7 bij de plantoelichting is opgenomen.

Paragraaf 4.3 van de plantoelichting bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in het plangebied. In het document "Wateraspecten", bijlage 7 bij de plantoelichting, wordt verder ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Over wateroverlast staat in dit document dat er in Colijnsplaat geen structurele waterproblemen bekend zijn en dat er rekening wordt gehouden met voldoende ruimte voor het opvangen van hemelwater in de vorm van open water of bergingsmogelijkheden.

Uit paragraaf 7.1 van de plantoelichting volgt verder dat in het kader van de voorbereiding van het voorliggende bestemmingsplan, overleg heeft plaatsgevonden met onder andere het Waterschap Scheldestromen. De plantoelichting vermeldt niet dat uit dit vooroverleg naar voren komt dat er sprake is van waterproblematiek in het plangebied op grond waarvan extra maatregelen nodig zijn.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, gelet op het voorgaande, voldoende rekening gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding op het perceel en heeft hij zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare waterproblemen op de percelen van [appellant sub 4], [appellant sub 3] en [appellanten sub 2]. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, gelet op de omvang van het perceel, voldoende ruimte aanwezig is voor het opvangen van hemelwater in de vorm van open water of bergingsmogelijkheden. Verder neemt de Afdeling hierbij in aanmerking dat in het plan is geborgd dat een relatief groot deel van het perceel onbebouwd blijft, door de toekenning van de bestemming "Groen" aan een deel van het perceel, en het gegeven dat het achtererf op grond van artikel 15.2.4, aanhef en onder c van de planregels, tot maximaal 40 m² mag worden bebouwd.

Het betoog slaagt niet.

Verkeer

14. [appellanten sub 2] betogen dat het verkeer van en naar het perceel zal leiden tot onaanvaardbare geluid- en trillinghinder bij hun woning. Zij wijzen erop dat met het plan op grond van artikel 15.4.2 van de planregels een bed en breakfast is toegestaan. Gelet op de inrichtingstekening die is opgenomen in de Antwoordnotitie, zal het verkeer volgens hen ontsloten worden langs de achtertuin van hun woning.

Artikel 15.4.2, van de planregels luidt: "Tot het verboden gebruik als bedoeld in 23.1 wordt niet gerekend, het bieden van logies met ontbijt in de bestaande eet- en slaapvertrekken binnen een woning tot een maximum van 2 kamers voor maximaal 4 volwassen gasten."

De raad heeft erop gewezen dat het plan voorziet in één woning en dat er in zoverre dus sprake zal zijn van een zeer beperkte toename aan verkeersbewegingen. Weliswaar is op grond van artikel 15.4.2, van de planregels het gebruik van de woning als bed and breakfast toegestaan, maar slechts voor het verblijf van maximaal vier volwassen gasten. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling in wat is aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene woning geen onaanvaardbare geluids- en trillinghinder door verkeersbewegingen tot gevolg heeft. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan om deze reden niet heeft mogen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Beschermd dorpsgezicht

15. [appellant sub 4] betoogt dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met het beschermd dorpsgezicht, omdat het deel van het perceel waarop de woning is voorzien binnen de zone van het beschermd dorpsgezicht ligt.

De Afdeling overweegt dat bij besluit van 14 maart 1996 een deel van de dorpskern van Colijnsplaat is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Het deel van het perceel waarop de woning is voorzien valt buiten de begrenzing van dat beschermd dorpsgezicht. Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 4] feitelijke grondslag.

Het betoog slaagt niet.

Niet passend in de omgeving?

16. [appellant sub 4] voert aan dat de voorziene bebouwing, gelet op de hoogte daarvan, niet passend is in de omgeving.

De raad stelt dat de bouwhoogte is afgestemd op omliggende bebouwing en daarom passend is in de omgeving.

Blijkens de verbeelding, bezien in samenhang met artikel 15.2.3, onder c, van de planregels, is de maximale toegestane bouwhoogte op de gronden met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "bouwvlak" op het perceel waarop de woning is voorzien 8,5 m. De raad heeft toegelicht dat de bouwhoogte is afgestemd op de hoogte van omliggende bebouwing en stelt daarom dat de maximale bouwhoogte van de voorziene woning vanuit stedenbouwkundig oogpunt passend is in de omgeving.

De Afdeling stelt vast dat aan omliggende woningen maximale bouwhoogtes variërend van 8 m tot en met 10 m zijn toegekend. De Afdeling ziet, gelet hierop, in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt kon stellen dat de maximale bouwhoogte van 8,5 m voor de voorziene woning passend is in de omgeving en vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is.

Het betoog slaagt niet.

Flora en fauna

17. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar flora en fauna. Volgens hen bevinden zich op het perceel onder meer spechten en vleermuizen en zullen die door de ontwikkeling verdwijnen.

De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De Afdeling overweegt dat het deel van het perceel, waarop de woning is voorzien, op het moment van de vaststelling van het plan een weide was, waarop geen beplanting of bomen aanwezig waren. Het perceel is verder omringd door woningen. De raad heeft toegelicht dat onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van flora en fauna op het perceel. Volgens de raad treden als gevolg van het plan geen negatieve effecten voor flora en fauna op. De raad heeft in dit kader het rapport "Quickscan natuurwetgeving project bouwen woning [locatie 4] Colijnsplaat" (quickscan) overgelegd. In de quickscan is vermeld dat er geen functionele biotopen voor grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en broedvogels op het perceel of in de omgeving zijn. De quickscan vermeldt verder dat het biotoop ongeschikt is door de geïsoleerde ligging in bebouwd gebied en omdat het gebied intensief betreden en beheerd wordt. Essentiële onderdelen van een biotoop zijn volgens de quickscan verder niet aanwezig. In de quickscan is vervolgens geconcludeerd dat er geen overtredingen in het kader van de Wet natuurbescherming zijn te verwachten. Wat [appellant sub 4] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat wat in de quickscan staat niet juist is. Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog slaagt niet.

Bouwwerkzaamheden

18. [appellant sub 4] betoogt dat hij overlast zal ervaren door bouwwerkzaamheden in de vorm van trillingen. Ook vreest hij voor schade aan gebouwen als gevolg van bouwwerkzaamheden. De raad heeft daar volgens hem ten onrechte geen rekening mee gehouden.

Het bestemmingsplan betreft de vaststelling van een ruimtelijke keuze. Wat [appellant sub 4] aanvoert over overlast door bouwwerkzaamheden gaat niet over het plan zelf, maar over de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3124, onder 7.2. Dit betoog bespreekt de Afdeling daarom niet inhoudelijk.

Het betoog slaagt niet.

Waardedaling

19. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] vrezen voor waardedaling van hun woningen door de ontwikkeling aan leefklimaat door de woning die het plan mogelijk maakt op het perceel [locatie 4]-[locatie 5]. [appellant sub 4] vreest ook voor waardedaling van zijn perceel.

Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor een eventuele tegemoetkoming in schade voor [appellant sub 3] en [appellant sub 4] bestaat een afzonderlijke procedure met eigen rechtsmiddelen.

De betogen slagen niet.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen

20. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen richten zich tegen de met het plan voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein van [bedrijf] aan de [locatie 9]. Hun woningen staan op een afstand van ongeveer 130 m van het bedrijf aan de [locatie 9]. Zij vrezen voor onaanvaardbare geluidsoverlast door de uitbreiding van het bedrijf. [appellant sub 1] vreest daarnaast ook voor lichthinder.

Geluid

21. [ appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 1] betogen dat de met het plan voorziene uitbreiding zal leiden tot een toename van geluidsoverlast bij hun woningen. Deze toename leidt volgens hen tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij voeren in dat kader aan dat het aan het plan ten grondslag gelegde "Akoestisch onderzoek industrielawaai [bedrijf] [locatie 10] Colijnsplaat" van Akoestisch Adviesburo Van Lieden van 24 juni 2021 (het geluidsonderzoek) onvolkomenheden bevat en de raad zich daarom bij de vaststelling van het plan niet op dit geluidsonderzoek kon baseren.

[appellant sub 5] en anderen wijzen er daarbij op dat in het geluidsonderzoek geen rekening is gehouden met het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland van 20 januari 2022, waarbij aan [bedrijf] maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20, zes lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn gesteld voor het verrichten van de bedrijfsactiviteiten. Volgens [appellant sub 5] en anderen biedt dit besluit het bedrijf van [bedrijf] meer akoestische ruimte.

Verder stellen [appellant sub 5] en anderen dat het geluidsonderzoek geen toetsing voor het ruimtelijk spoor bevat en daarmee niet bruikbaar is voor de ruimtelijke procedure. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben zij het document "Beoordeling akoestisch onderzoek [bedrijf]" van Kraaij Akoestisch Adviesbureau van 13 oktober 2021 overgelegd.

Tevens voeren [appellant sub 5] en anderen aan dat de raad ten onrechte heeft gesteld dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] op de gronden van het perceel, die in het vorige bestemmingsplan een agrarische bestemming hadden, zouden zijn gelegaliseerd door de omgevingsvergunning van 25 juni 2019. [appellant sub 5] en anderen wijzen er daarbij op dat het feitelijke gebruik op die gronden en de voorziene bedrijfsbestemming, aanzienlijk verder gaan dan alleen het volgens hen vergunde gebruik voor opslagdoeleinden. Tijdens de zitting hebben [appellant sub 5] en anderen in aanvulling hierop gesteld dat die activiteiten vergelijkbaar zijn met een bedrijf in milieucategorie 4.1 in plaats van milieucategorie 3.2, waarin het plan nu voorziet.

[appellant sub 1] voert tot slot aan dat in het geluidsonderzoek geen rekening is gehouden met piekbelasting. De met het plan voorziene uitbreiding is niet in het geluidsonderzoek betrokken.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat f de bedrijfsactiviteiten op het perceel vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening toelaatbaar zijn en dat deze in overeenstemming zijn met de bestaande legale situatie op dit perceel.

Artikel 4.1 van de regels van het bestemmingsplan luidt:

"De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…];

d. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’ de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in de categorie 1, 2, 3.1 dan wel 3.2 voor zover die voorkomen in de Staats van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels.

[…]".

Artikel 27.4 luidt:

"Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet."

Uit paragraaf 4.5.2 van de plantoelichting en bijlage 6 bij de plantoelichting, volgt dat de raad in het kader van de vaststelling van het plan, voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat van omwonenden vanwege milieuhinder van het bedrijventerrein aan de Molenweg, aansluiting heeft gezocht bij de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (VNG-brochure). Volgens de plantoelichting geldt voor bedrijven in categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten een richtafstand van 100 m voor het gebiedstype ‘rustige woonwijk’ en 50 m voor het gebiedstype ‘gemengd gebied’. Verder gelden die afstanden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van een woning. Gelet op het overwegende woonkarakter van Colijnsplaat, dient voor het bepalen van de richtafstand volgens de plantoelichting uitgegaan te worden van het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. Verder staat in de plantoelichting dat aan de noordoostzijde van het plangebied een bedrijventerrein aanwezig is en dat er op dit bedrijventerrein diverse bedrijfsactiviteiten toegestaan zijn en verricht worden. Het uitgangspunt is dat wordt voldaan aan de richtafstanden van de VNG-brochure. Er is daarom volgens de plantoelichting een milieucategorie verbonden aan gronden met de bestemming "Bedrijf". De bedrijfsactiviteiten die worden uitgevoerd op het terrein moeten passen binnen de toelaatbaar gestelde milieucategorie. Zowel voor de bestaande woningen als de nieuw geprojecteerde woningen wordt volgens de plantoelichting voldaan aan de richtafstanden van die zonering. De uitbreiding van het bedrijventerrein aan de [locatie] past ook binnen deze zonering. De uitbreidingen leveren volgens de plantoelichting dan ook geen belemmering op voor de woonomgeving.

In de plantoelichting is verder nog opgemerkt dat specifiek voor de locatie van [bedrijf], een akoestisch onderzoek is uitgevoerd ten behoeve van de omgevingsvergunningverlening in 2018 en dat, naar aanleiding van de feitelijke situatie, dit onderzoek in 2021 is geactualiseerd. Laatstgenoemd onderzoek is het geluidsonderzoek. In het geluidsonderzoek is de geluidsbelasting ten gevolge van de exploitatie van [bedrijf] op de gevels van omliggende woningen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. Volgens het geluidsonderzoek blijkt dat ruimschoots aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het langtijdgemiddelde en de maximale geluidniveaus kan worden voldaan.

Blijkens de verbeelding is aan de locatie van het bedrijventerrein aan [locatie 9] onder meer de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" toegekend. Ten opzichte van het vorige bestemmingsplan "Bebouwde Kom Colijnsplaat 2008" is een deel van de gronden van het perceel 1, waar een deel van de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf]en worden verricht, omgezet van een agrarische bestemming naar de voornoemde bedrijfsbestemming.

De Afdeling is van oordeel dat de raad er terecht op heeft gewezen dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf], waaronder het gebruik van de stavencarrousel, zijn aan te merken als bestaand legaal gebruik, omdat deze activiteiten op grond van de omgevingsvergunning van 25 juni 2019 zijn vergund. De Afdeling overweegt dat bestaand gebruik als zodanig in beginsel in het bestemmingsplan moet worden bestemd. Voor zover [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 1] erop hebben gewezen dat het geluidsonderzoek niet deugdelijk is, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, dit geluidsonderzoek is verricht in het kader van de procedure over de omgevingsvergunning die onherroepelijk is. Voor zover [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] passen bij een hogere milieucategorie, namelijk 4.1, dan milieucategorie 3.2, overweegt de Afdeling dat het plan ter plaatse van het bedrijventerrein bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.2 toestaat. In de enkele stelling van [appellant sub 5] en anderen dat het bedrijf van [bedrijf] als een milieucategorie 4.1 moet worden aangemerkt, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestaande legale gebruik niet als zodanig mocht worden bestemd.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege geluidhinder niet de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het bedrijventerrein heeft mogen vaststellen, zoals hij heeft gedaan.

Het betoog slaagt niet.

Lichthinder

22. [appellant sub 1] betoogt dat zij onaanvaardbare lichthinder zal ondervinden door de voorziene uitbreiding. Op grond van artikel 4.2.3, aanhef en onder a, onder 4, van de planregels mogen er lichtmasten met een hoogte van 8 m worden geplaatst. De raad heeft daar geen rekening mee gehouden volgens haar.

Artikel 4.2.3, aanhef en onder a, onder 4 van de planregels luidt: "Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende regels:

a. bouwhoogte van andere bouwwerken bedraagt maximaal:

(…).

4. lichtmasten en overige masten: 8,00 meter;

[…]."

De Afdeling stelt vast dat het plan op de gronden van het bedrijventerrein het plaatsen van lichtmasten mogelijk maakt, met een maximale bouwhoogte van 8,00 m. De kortste afstand tussen deze gronden en het perceel van [appellant sub 1] bedraagt ongeveer 130 m. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich, gelet op deze afstand van 130 m en de toegestane maximale bouwhoogte van 8.00 m voor de lichtmasten, op het standpunt heeft mogen stellen dat de lichtmasten niet zullen leiden tot onaanvaardbare lichthinder ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1]. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat lichthinder ook kan worden voorkomen door aanpassing van de lichtsterkte van de lichtmasten. Verder neemt de Afdeling hierbij in aanmerking dat tussen het perceel van [appellant sub 1] en het bedrijventerrein hoge beplanting aanwezig is, waardoor lichtinval zal worden beperkt.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie beroepen

23. De beroepen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] zijn, gelet op wat hiervoor onder 8.2 en 12.3 is overwogen, gegrond. Het besluit van 15 december 2022 moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb, voor zover daarbij aan het perceel [locatie 4]-[locatie 5]de bestemming "Bedrijf" is toegekend en voor zover niet, binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" op dit perceel, de aanduidingen "vrijstaand" en "maximum aantal wooneenheden: 1" zijn toegekend.

24. Met betrekking tot de beroepsgrond over het ontbreken van de aanduidingen "vrijstaand" en "maximum aantal woonheden: 1" zoals hiervoor besproken, ziet de Afdeling aanleiding zelf in de zaak te voorzien en zal zij alsnog de door de raad beoogde aanduidingen aan het perceel toekennen.

25. Ten aanzien van het geconstateerde gebrek onder 12.3, ziet de Afdeling, gelet op de aard van het gebrek, geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat de raad niet goed heeft onderzocht en gemotiveerd waarom een bedrijfsbestemming op het perceel vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. De Afdeling zal in zoverre volstaan met vernietiging van de aan het perceel [locatie 4]-[locatie 5] toegekende bestemming "Bedrijf".

26. De beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 1] en [appellant sub 5] en anderen zijn ongegrond.

27. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.

Proceskosten

28. De raad moet de door [appellanten sub 2] gemaakte proceskosten vergoeden. Ten aanzien van [appellant sub 4] hoeft de raad geen proceskosten te vergoeden.

Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn

29. [ appellanten sub 2], [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 1] hebben op de zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade die zij hebben geleden wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Afdeling zal in een afzonderlijke uitspraak oordelen over dit verzoek, waartoe de Afdeling het onderzoek zal heropenen. Aan deze zaak is het zaak nr. 202301795/3/R1 toegekend.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 5] en anderen en [appellant sub 1] ongegrond;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 4] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Noord-Beveland van 15 december 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bebouwde kom Colijnsplaat 2022", voor zover:

- aan het perceel [locatie 4]-[locatie 5] binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" niet de aanduidingen "vrijstaand" en "maximum aantal wooneenheden: 1" zijn toegekend;

- aan het perceel [locatie 4]-[locatie 5] de bestemming "Bedrijf" is toegekend.

IV. bepaalt dat op de verbeelding op het perceel [locatie 4]-[locatie 5] ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Wonen" met de aanduiding "bouwvlak", de aanduidingen "vrijstaand" en "maximum aantal wooneenheden: 1" worden toegekend;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 15 december 2022;

VI. draagt de raad van de gemeente Noord-Beveland op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III en IV worden verwerkt op de landelijke voorziening;

VII. bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder zaak nr. 202301795/3/R1 ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevorderde schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn:

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Noord-Beveland tot vergoeding van in verband met de behandeling van het beroep bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.928,05, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Noord-Beveland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

- € 184,00, voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B];

- € 184,00, voor [appellant sub 4].

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.

w.g. Knolvoorzitter

w.g. Tielemangriffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2026

817-1036

BIJLAGE

De voor deze uitspraak relevante regels van het bestemmingsplan "Bebouwde kom Colijnsplaat 2022"

Artikel 15.2.1 Toelaatbare bebouwing

Op deze gronden mogen uitsluitend ten dienste van de in lid 15.1 bedoelde bestemmingen worden gebouwd:

a. woningen, met dien verstande dat:

1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', uitsluitend vrijstaande woningen mogen worden gebouwd;

2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' uitsluitend vrijstaande en twee aaneen gebouwde woningen mogen worden gebouwd;

3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' vrijstaande, twee aan een gebouwde en aaneengebouwde woningen mogen worden gebouwd;

4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - lintbebouwing' uitsluitend lintbebouwing mag worden gebouwd;

5. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' uitsluitend gestapelde woningen mogen worden gebouwd.

[…]

Artikel 15.2.2 Woningen

Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal woningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' maximaal het aantal woningen mag worden gebouwd zoals met de aanduiding is weergegeven.

Artikel 15.2.3 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;

b. de hoofdgebouwen dienen met de voorgevel te worden gebouwd in de voorgevellijn;

c. de goot- en bouwhoogte van gebouwen mag maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' aangegeven maat bedragen;

d. de minimale afstand tussen het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens bedraagt voor vrijstaande woningen en twee aan een gebouwde woningen (aan één zijde) ten minste 3,00 meter;

e. een hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - beschermd dorpsgezicht’ moet in aanvulling op het voorgaande tevens voldoen aan het bepaalde in artikel 24.3.2.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand