202505733/1/A2.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het College van Beroep voor de Examens van de Universiteit van Amsterdam (het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 14 augustus 2025 heeft de BSA-commissie, namens de decaan van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde, het verzoek van [appellante] om uitstel van de BSA-voortgangsnorm afgewezen en een bindend negatief studieadvies (BNSA) aan [appellante] gegeven.
Bij beslissing van 6 oktober 2025 heeft het CBE het daartegen door [appellante] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 januari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.R.P. Bakker, advocaat te Amsterdam, en P.N. Kuiper, tolk, en het CBE, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is in het studiejaar 2024-2025 begonnen met de bacheloropleiding Economics and Business Economics aan de UvA (de opleiding). Bij beslissing van 14 augustus 2025 heeft [appellante] een BNSA gekregen, omdat zij 24 studiepunten van het propedeutisch jaar heeft gehaald en daarmee niet heeft voldaan aan de BSA-voortgangsnorm van 48 studiepunten.
2. In het studiejaar 2024-2025 heeft [appellante] meerdere vakken van de opleiding Media and Information gevolgd en daarvoor tentamens afgelegd, wat heeft geresulteerd in 12 studiepunten.
Wettelijk kader
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Beslissing van het CBE
4. Het CBE heeft de beslissing van de BSA-commissie in stand gelaten. Het CBE volgt het standpunt van de BSA-commissie dat de door [appellante] aangevoerde persoonlijke omstandigheden geen voldoende verklaring geven voor het niet voldoen aan de BSA-voortgangsnorm. De BSA-commissie heeft kunnen besluiten om [appellante] een BNSA toe te kennen.
Beoordeling van het beroep
5. [appellante] betoogt dat het CBE de beslissing van de BSA-commissie ten onrechte in stand heeft gelaten. De besluitvorming is onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd tot stand gekomen. Volgens [appellante] heeft het CBE onvoldoende rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden, te weten omstandigheden van medische aard, een relatiebreuk en bijzondere familieomstandigheden. Zij heeft gedurende het studiejaar te kampen gehad met depressie, concentratiestoornissen, slaapproblemen en hartkloppingen. Volgens [appellante] kan er een causaal verband worden vastgesteld tussen de bijzondere omstandigheden en haar studieresultaten. Zij heeft geprobeerd contact op te nemen met de studieadviseur in oktober 2024, maar de studieadviseur had geen tijd om haar te helpen. Het lukte haar pas eind februari/ begin maart 2025 om een afspraak te maken met de studieadviseur. Omdat contact met de studieadviseur uitbleef, is zij in oktober 2024 gestart met een online behandeltraject bij een psycholoog in China. [appellante] voert verder aan dat het CBE zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij bewust een dubbele studielast op zich heeft genomen door vakken van de opleiding Media en Information te volgen. Die studieactiviteiten hebben haar weinig extra inspanning gekost.
5.1. De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat [appellante] in het studiejaar 2023-2024 voor een andere opleiding eveneens een BNSA heeft gekregen. Ook in dat jaar speelde volgens [appellante] persoonlijke omstandigheden. [appellante] stelt dat het in de zomer van 2024 beter met haar ging. Zij heeft ervoor gekozen om naast de opleiding ook vakken van de opleiding Media and Information te volgen. Zij is daarvoor ook getentamineerd en heeft 12 studiepunten gehaald, ook in een periode waarin het naar eigen zeggen niet goed met haar ging. Het CBE heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het mede daardoor niet vast te stellen is of de gebrekkige studievoortgang het gevolg is van haar persoonlijke omstandigheden. Het overzicht met studieresultaten ondersteunt niet het betoog van [appellante] dat haar slechte resultaten te koppelen zijn aan periodes waarin het slecht met haar ging. De medische stukken die [appellante] heeft overlegd bieden ook onvoldoende aanknopingspunten om het tekort aan studiepunten te verklaren. Het lag verder op de weg van [appellante] om haar persoonlijke omstandigheden tijdig bij de studieadviseur te melden zodat zij daarvoor in beeld kwam en haar ondersteuning kon worden geboden. Het is de Afdeling niet gebleken dat [appellante], ondanks een waarschuwingsbrief van 24 januari 2025, eerder dan op 7 maart 2025 contact heeft opgenomen met een studieadviseur. Het CBE heeft op de zitting onweersproken gesteld dat in oktober 2024, toen [appellante] naar eigen zeggen geprobeerd heeft contact te krijgen met de studieadviseur, de wachttijd bij de studieadviseur negen dagen bedroeg. [appellante] heeft niet goed uitgelegd waarom zij in die periode dat contact niet heeft kunnen leggen en tot maart 2025 heeft gewacht. Dat [appellante] voorrang gaf aan het opstarten van een behandeling bij een psycholoog neemt niet weg dat zij zich ook tot de opleiding had moeten richten als zij belemmeringen in de studievoortgang ervoer. Omdat [appellante] al eerder een procedure voor uitstel van het BNSA heeft doorlopen, was zij op de hoogte van het belang en vereiste van het tijdig melden van de persoonlijke omstandigheden bij de studieadviseur, zoals deze is neergelegd in artikel 6.4, tweede lid, van de Onderwijs- Examenregeling 2024-2025. Op basis van bovengenoemde omstandigheden komt de Afdeling tot het oordeel dat het CBE zicht terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verband tussen de persoonlijke omstandigheden en de gebrekkige studievoortgang onvoldoende is gebleken. Het CBE heeft het BNSA in stand kunnen laten.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
1033
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.8b
1. Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit, hogeschool of levensbeschouwelijke universiteit brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale associate degree-opleiding of bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de associate degree-opleiding of de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse associate degree-opleiding of bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht.
[…]
Onderwijs- en examenregeling 2024-2025
Artikel 6.3
1. De decaan brengt aan iedere student van een voltijdse bacheloropleiding uiterlijk aan het eind van diens eerste studiejaar van inschrijving bindend advies uit over de voortzetting van de studie.
2. Om een positief studieadvies te krijgen, moet de student aan het einde van het eerste jaar van inschrijving voor de opleiding, ten minste 48 EC van het studieprogramma van het eerste jaar hebben behaald. Studiepunten van vrijstellingen tellen niet mee tot een maximum van 12 EC.
[…]
5. De student die na afloop van het eerste jaar van inschrijving niet aan de norm heeft voldaan, ontvangt de schriftelijk mededeling dat de decaan voornemens is de student een negatief bindend studieadvies te geven. De mededeling wordt zo spoedig mogelijk na afloop van het laatste hertentamen van het eerste jaar van inschrijving aan de student gedaan.
6. Een negatief bindend studieadvies blijft achterwege, als de student via een verzoek tot uitstel aantoont niet aan de norm te hebben voldaan als gevolg van persoonlijke omstandigheden, zoals gedefinieerd in artikel 6.4 lid 3.
[…]
Artikel 6.4
1. De decaan verbindt geen afwijzing aan het studieadvies, indien er sprake is van persoonlijke omstandigheden en de student als gevolg hiervan in redelijkheid niet geacht kan worden te hebben voldaan aan de norm bedoeld in artikel 6.3 lid 2.
2. Indien een persoonlijke omstandigheid, als bedoeld in lid 3 van dit artikel, zich voordoet, maakt de student daarvan zo spoedig mogelijk melding bij de studieadviseur tijdens een persoonlijk gesprek onder opgave van:
a. de periode waarin de omstandigheid zich voordoet of voordeed;
b. een omschrijving van de omstandigheid ende ernst ervan;
c. de mate waarin de student niet aan het onderwijs of een tentamen kan deelnemen of heeft kunnen deelnemen.
De student draagt zorg voor het aanleveren van bewijsstukken om zijn melding te onderbouwen en
bespreekt deze met de studieadviseur.
3. Als persoonlijke omstandigheden in de zin van dit artikel worden uitsluitend aangemerkt:
a. ziekte van de student;
b. lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis van de student;
[…]
d. bijzondere familieomstandigheden;
[…]