202505808/1/A2.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 november 2025 in zaak nr. 25/1664 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2024 heeft de CSG een aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven (schadefonds) afgewezen.
Bij besluit van 5 februari 2025 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 24 september 2024 herroepen en [appellante] een uitkering uit het schadefonds van € 4.000,00 toegekend.
Bij uitspraak van 6 november 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, heeft gesloten.
Overwegingen
1. De CSG kent uit het schadefonds onder meer uitkeringen toe aan een ieder die door een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.
2. Op 16 november 2023 heeft [appellante] bij de CSG een aanvraag om een uitkering uit het schadefonds ingediend. Zij is op 20 september 2021 slachtoffer geworden van een inbraak door haar buurman, waarbij zij ook is mishandeld.
3. Aan het besluit van 5 februari 2025 heeft de CSG ten grondslag gelegd dat het letsel van [appellante] valt in letselcategorie 3, waarvoor volgens de toepasselijke beleidsregels een uitkering van € 5.000,00 wordt toegekend. De CSG heeft de aan [appellante] in de strafrechtelijke procedure toegekende vergoeding voor immateriële schade van € 1.000,00 daarop in mindering gebracht.
4. Niet in geschil is dat het letsel van [appellante] in letselcategorie 3 valt. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of de CSG de schadevergoeding van € 1.000,00 op de uitkering in mindering mocht brengen.
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de CSG de aan [appellante] toegekende uitkering van € 5.000,00 terecht heeft verminderd met de in de strafrechtelijke procedure toegekende schadevergoeding van € 1.000,00. Uit artikel 6, eerste lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven volgt dat bij het doen van een uitkering rekening wordt gehouden met de schadevergoeding die het slachtoffer langs burgerrechtelijke weg kan verhalen of heeft verhaald en met overige vergoedingen van schade die als gevolg van het misdrijf aan het slachtoffer zijn of kunnen worden verstrekt. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het schadefonds een vangnet vormt en dat de uitkeringen forfaitair en ongedifferentieerd zijn. Dat niet is bepaald welk gedeelte van de uitkering op welke schade betrekking heeft, staat daarom niet aan verrekening in de weg. Verder zijn er geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat de CSG in redelijkheid niet tot verrekening mocht overgaan. Ook is, bij gebrek aan een nadere toelichting van [appellante], niet gebleken van strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
6. De gronden die [appellante] in hoger beroep aanvoert zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] voert geen redenen aan waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4 tot en met 7 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
452-1189