202505661/1/A2.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het College van Beroep voor de Examens van Hogeschool Inholland,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 21 juli 2025 heeft een teammanager, namens de decaan van de faculteit Creative Business, een bindend negatief studieadvies (BNSA) aan [appellante] gegeven.
Bij beslissing van 2 oktober 2025 heeft het CBE het daartegen door [appellante] ingestelde administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] en het CBE hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 januari 2026, waar [appellante], vergezeld door [persoon], en het CBE, vertegenwoordigd door mr. C.W. Elbers, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is in het studiejaar 2023-2024 begonnen met de bacheloropleiding Business Innovation. Na het eerste jaar van haar studie heeft zij wegens persoonlijke omstandigheden een uitgesteld studieadvies gekregen. In het studiejaar 2024-2025 had zij haar volledige propedeuse moeten afronden om een positief studieadvies te krijgen. Omdat zij in dat studiejaar niet de vereiste studiepunten uit het propedeutisch jaar heeft behaald, heeft zij bij beslissing van 21 juli 2025 een BNSA gekregen.
2. [appellante] heeft tegen die beslissing op 8 september 2025 administratief beroep ingesteld bij de afdeling Geschillen van Hogeschool Inholland.
Wettelijk kader
3. Artikel 9 van het Reglement van orde van het College van Beroep voor de Examens (het Reglement) luidt:
"1. Het beroep wordt, bij een met redenen omkleed beroepschrift, ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing aan de student is toegezonden, uitgereikt, meegedeeld of de beslissing openbaar is gemaakt. Indien een beroep is gericht tegen een weigering om te beslissen, wordt het beroep binnen een redelijke termijn ingesteld.
2. Wanneer het beroepschrift na afloop van de in het voorgaande lid genoemde termijn is ingediend blijft niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege, indien de student aantoont, dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijze kan worden verlangd."
Beslissing van het CBE
4. Het CBE heeft het administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellante] buiten de termijn van zes weken, als bedoeld in artikel 9 van het Reglement, administratief beroep heeft ingesteld. Volgens het CBE heeft [appellante] het administratief beroep niet ingesteld zo snel als redelijkerwijs mogelijk was en is de overschrijding van de beroepstermijn daarom niet verschoonbaar.
Beoordeling van het beroep
5. [appellante] betoogt dat het CBE zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Zij heeft weliswaar te laat administratief beroep ingesteld, maar dat komt door medische omstandigheden. In de zomer van 2025 liep zij in Egypte een ernstige rugblessure op. Zij werd daarvoor opgenomen in het ziekenhuis en kon nauwelijks bewegen. Zij kreeg medicijnen die leidden tot slaperigheid. Ook had zij geen toegang tot haar laptop of tot Brightspace. Zij kon daardoor geen contact opnemen met de decaan of met docenten. Zodra zij weer hersteld was, heeft zij direct administratief beroep ingesteld.
5.1. De vraag die voorligt is of het CBE zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Aan het betoog van [appellante], dat zij aan de norm heeft voldaan door 50 studiepunten te behalen, komt de Afdeling in deze fase van de procedure dan ook niet toe.
5.2. Naast artikel 9 van het Reglement, is artikel 6:11 van de Awb van toepassing.
5.3. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.
5.4. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd.
5.5. Niet in geschil is dat de beslissing op 21 juli 2025 aan [appellante] bekend is gemaakt, dat de laatste dag van de beroepstermijn 1 september 2025 was en dat [appellante] op 8 september 2025 administratief beroep heeft ingesteld.
5.6. De Afdeling overweegt dat [appellante] op de zitting bij de Afdeling heeft verklaard dat zij ervan uitging dat de termijn waarin zij administratief beroep kon instellen op 8 september 2025 afliep in plaats van op 1 september 2025. Zij heeft daaraan toegevoegd dat als zij juist had geteld, zij op tijd administratief beroep had ingesteld. Alleen al om deze reden is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Dat [appellante] zich heeft verteld, is een omstandigheid die voor haar rekening blijft. Bovendien heeft het CBE op de zitting verklaard dat [appellante] er meerdere keren op is gewezen dat zij op tijd administratief beroep moest instellen als zij het met de BNSA niet eens was. Verder blijkt uit het dossier dat [appellante] tijdens de beroepstermijn zich tot medewerkers van de Hogeschool heeft gewend. In het dossier zitten berichten van 20 augustus 2025, 22 augustus 2025 en 1 september 2025 waarin zij zich tot de teamleider heeft gewend om haar studieplanning te bespreken. [appellante] heeft op de zitting desgevraagd niet kunnen uitleggen waarom zij desondanks niet in staat was om op tijd schriftelijk kenbaar te maken dat zij administratief beroep wilde instellen tegen het BNSA. Het CBE heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het voor [appellante] niet mogelijk was om tijdens de beroepstermijn (online) administratief beroep in te stellen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
1033