202504661/1/A3.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2025 in zaak nr. 24/1876 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 19 augustus 2023 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een milieuparkeervergunning voor bewoners afgewezen.
Bij besluit van 12 februari 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. D.R. de Vries, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] woont in het centrum van Amsterdam, in deelvergunninggebied Centrum-1a. Hij heeft op 25 juli 2023 een milieuparkeervergunning aangevraagd om zijn elektrische auto te kunnen parkeren op de straat aan een laadfaciliteit. In dit gebied wordt ingevolge de Parkeerverordening 2013 maximaal één milieuparkeervergunning aan bewoners verleend, als de bewoner niet beschikt over een stallingsplaats. [appellant] beschikt over een stallingsplaats in een garage bij zijn woning. Het college heeft de aanvraag voor de milieuparkeervergunning daarom afgewezen. [appellant] is het hier niet mee eens omdat zijn stallingsplaats niet geschikt is voor een elektrische auto. Zijn auto kan op die plaats namelijk niet worden opgeladen, omdat er geen laadfaciliteit is. Hierdoor kan [appellant] alleen ergens anders opladen, met extra kosten en tijd tot gevolg.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] volgens de geldende regels niet voldoet aan de voorwaarden voor een milieuparkeervergunning. Zij heeft hiertoe overwogen dat [appellant] beschikt over een stallingsplaats die voldoet aan de begripsbepaling van stallingsplaats volgens de Parkeerverordening, ook al kan hij zijn elektrische auto daar niet opladen. Volgens de rechtbank is het kunnen laden van een elektrische auto geen vereiste om te voldoen aan de begripsbepaling van stallingsplaats. Daarbij zijn de betreffende bepalingen in de Parkeerverordening van dwingendrechtelijke aard en heeft het college geen beoordelingsruimte bij de toepassing van die regels.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het college daarnaast redelijkerwijs heeft mogen besluiten om geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Het beleid van het college is erop gericht het autogebruik in de stad te reguleren. De hardheidsclausule wordt daarom strikt toegepast, omdat het een uitzondering betreft en alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken van de Parkeerverordening. Daarbij moet het gaan om omstandigheden die de wetgever niet heeft kunnen voorzien of schrijnende situaties, maar in het geval van [appellant] is daarvan niet gebleken.
De rechtbank heeft geoordeeld dat in de situatie van [appellant] ook geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de toepassing van de Parkeerverordening in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel. [appellant] had vooraf aan zijn verhuizing kunnen informeren bij het college over de mogelijkheden voor een milieuparkeervergunning en de oplaadmogelijkheden. Daarnaast is niet gebleken dat hij in de financiële problemen komt omdat hij de parkeerkosten niet zou kunnen betalen.
Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van een experimentregeling op grond van de Parkeerverordening. Het instellen van een experiment vergt een politiek-bestuurlijk besluit van het college en dat is er niet. Daarom is alleen aan de orde of het college op grond van de geldende regelgeving terecht de aanvraag heeft afgewezen.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de milieuparkeervergunning mocht worden geweigerd. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank een verkeerde uitleg heeft gegeven aan de term stallingsplaats uit de Parkeerverordening, omdat dit in het geval van [appellant] een stallingsplaats met laadfaciliteit moet zijn. Volgens [appellant] heeft het college aanzienlijke vrijheid bij het verlenen van milieuparkeervergunningen en is het beleid van de gemeente juist gericht op het stimuleren van het gebruik van elektrische auto’s. De term stallingsplaats moet daarom in zijn voordeel worden uitgelegd. Dat is volgens hem alleen al zo omdat nergens uit blijkt dat bij de totstandkoming van de Parkeerverordening rekening is gehouden met de omstandigheid dat een elektrische auto een stallingplaats met oplaadfaciliteit nodig heeft.
[appellant] betoogt voorts dat het beleid dat het college hanteert bij de toepassing van de hardheidsclausule ertoe leidt dat deze in de praktijk nooit zal kunnen worden toegepast. De rechtbank heeft bovendien volgens [appellant] ten onrechte geoordeeld dat het besluit niet onevenredig is voor hem. Het nadeel voor het college bij het verlenen van deze vergunning is zeer klein en weegt niet op tegen de nadelen die [appellant] ondervindt door het niet kunnen opladen van zijn auto in de buurt van zijn woning. Hij riskeert dat hij met een lege batterij komt te staan. Het laden op straat leidt tot extreem hoge parkeerkosten waardoor hij is aangewezen op een snellaadpaal. De meest dichtbij zijnde is op 20 kilometer afstand. Bovendien mogen gebruikers met een elektrische auto zonder stallingplaats wel zonder parkeerkosten op straat opladen.
Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in deze procedure geen ruimte is voor het college om een experiment zoals bedoeld in artikel 45 van de Parkeerverordening aan te gaan. Hoewel het aangaan van een experiment een politiek-bestuurlijk besluit is, had het college op zijn minst beter moeten motiveren waarom geen gebruik wordt gemaakt van deze regeling in het geval van elektrische auto’s.
Beoordeling
4. De rechtbank heeft een juiste uitleg gegeven aan de term stallingsplaats en terecht overwogen dat een laadfaciliteit geen vereiste is om te voldoen aan de begripsbepaling van artikel 1, aanhef en onder hh, van de Parkeerverordening. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat [appellant] beschikt over een stallingsplaats zoals daar omschreven.
Daarbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat de betreffende bepalingen in de Parkeerverordening van dwingendrechtelijke aard zijn en dat het college om die reden geen beoordelingsruimte heeft om die regels in het geval van een elektrische auto anders toe te passen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3973 onder 4.2. Die regels hebben betrekking op de vereisten om een auto, gelet op diens omvang, te kunnen stallen. Zij hebben geen betrekking op de wijze waarop een auto wordt aangedreven en ook niet op de daarmee samenhangende functionele aspecten. Weliswaar voert [appellant] aan dat bij de totstandkoming van de verordening geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat een elektrische auto alleen geladen kan worden op een stallingsplaats met een laadfaciliteit, maar de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er bij een gebonden bevoegdheid op het niveau van een algemeen verbindend voorschrift van uit moet worden gegaan dat al een belangenafweging in algemene zin heeft plaatsgevonden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2499 onder 7.1 en 7.2. Op de zitting heeft het college verklaard dat met de Parkeerverordening en de toepassing daarvan een autoluwe stad wordt nagestreefd en dat vooralsnog geen voorrang wordt nagestreefd voor plekken met laadfaciliteiten. Hoewel begrijpelijk is dat [appellant] het niet eerlijk vindt dat bezitters van elektrische auto’s op deze wijze voor problemen worden gesteld of in de praktijk slechter af zijn dan degenen zonder stallingsplaats, vloeit dit dus rechtstreeks voort uit de toepasselijke regelgeving.
5. Anders dan [appellant] betoogt heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college redelijkerwijs geen toepassing hoefde te geven aan de hardheidsclausule, omdat de situatie van [appellant] niet getuigt van een bijzondere hardheid. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is de hardheidsclausule gericht op uitzonderlijke gevallen, zoals schrijnende situaties. Ter zitting heeft het college dit geïllustreerd met het voorbeeld van een ernstig zieke bewoner, waarbij de toepassing van de hardheidsclausule een tijdelijke uitzondering van het beleid zou betekenen. Zo’n situatie doet zich in het geval van [appellant] niet voor.
6. Met het onder 4 genoemde uitgangspunt dat bij een gebonden bevoegdheid op het niveau van een algemeen verbindend voorschrift al een belangenafweging in algemene zin heeft plaatsgevonden, is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2499 onder 7.2.). Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in een voorliggend geval toepassing van het algemeen verbindende voorschrift voor een of meer belanghebbenden zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat het bestuursorgaan nog wel moet beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is. De Afdeling zal het besluit van 12 februari 2024 daarom rechtstreeks toetsen aan het evenredigheidsbeginsel en beoordelen of de toepassing van die bepaling voor [appellant] onevenwichtig is en daarom in het voorliggende geval buiten toepassing moet blijven.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college hiervoor geen aanleiding heeft hoeven zien. Hoewel het voor [appellant] bezwaarlijk is dat hij geen laadfaciliteit heeft bij zijn stallingsplaats waardoor hij elders zijn auto zal moet opladen, is dit niet zo bezwaarlijk dat het besluit daarmee onevenwichtig is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat hij voor zijn verhuizing had kunnen informeren naar de mogelijkheden voor een milieuparkeervergunning. Ook had hij voor zijn verhuizing kunnen informeren bij de Vereniging van Eigenaren naar de mogelijkheden voor het aanleggen van een laadfaciliteit bij zijn stallingsplaats. Verder zijn de kosten van parkeren op straat alleen noodzakelijk tijdens het laden en bestaat ook de mogelijkheid van snelladen, zij het verder weg. Niet is gebleken dat [appellant] dusdanig afhankelijk is van een oplaadpaal in de nabijheid van zijn woning dat het opladen op een andere plek, waar hij geen parkeerkosten hoeft te betalen, niet van hem kan worden gevergd. Ook is niet gebleken dat de kosten die [appellant] moet maken voor het laden op straat, hem in financiële problemen brengt.
7. De rechtbank heeft tot slot terecht geoordeeld dat geen gebruik gemaakt is van de mogelijkheid in artikel 45 voor het opstarten van een experiment. Hoewel [appellant] verschillende mogelijkheden heeft aangedragen zoals een parkeervergunning die alleen geldt tijden het opladen of een strippenkaart voor opladen op straat, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het instellen van een experiment dat afwijkt van het geldende parkeerbeleid een politiek-bestuurlijke beslissing is en een ander besluit vergt van het college dan hier aan de orde is. De onderhavige procedure ziet alleen op de vraag of het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Zoals volgt uit de voorgaande overwegingen is de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht tot de conclusie gekomen dat het college de aanvraag moest afwijzen op grond van artikel 32 van de Parkeerverordening.
8. Het betoog slaagt niet.
Slotsom
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M.C Stoové en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
317-1158
Bijlage
Parkeerverordening 2013 Amsterdam
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
hh. stallingsplaats: plaats, juridisch, feitelijk of planologisch bestemd of bedoeld om motorvoertuigen te stallen, gelegen buiten de openbare weg en niet voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk, waarbij voor een solitaire inpandige stallingsplaats of garagebox geldt dat deze tenminste 2,35 meter breed en ten minste 5,00 meter lang is, en een toegangsdeur heeft van ten minste 2,20 meter breed;
Artikel 9 De bewonersvergunning
1. Het college kan een bewonersvergunning verlenen aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een adres, gelegen in een vergunninggebied en een bewoner van dat adres niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam.
Artikel 16 De milieuparkeervergunning voor bewoners
1. Het college kan een milieuparkeervergunning voor bewoners verlenen aan de houder van een motorvoertuig dat voldoet aan de in het vijfde lid genoemde nadere eisen.
2. De bepalingen van artikel 9, eerste tot en met vijfde en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Het college kan nadere regels stellen omtrent het aantal te verlenen milieuparkeervergunningen voor bewoners en de wijze van uitgifte.
5. Het college stelt eisen vast voor het verlenen van een milieuparkeervergunning voor bewoners.
Artikel 32 Weigeringsgronden
1. Een vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij of krachtens deze verordening.
Artikel 40 Hardheidsclausule
Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van het bepaalde in deze verordening.
Arikel 45 Experimenten
Het college kan voor een gebied waar parkeerregulering op grond van deze verordening is ingevoerd voor de duur van een te houden experiment, de werking van bepaalde artikelen voor een bepaald gebied, buiten toepassing stellen.