202501426/1/A3.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Zwolle,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 januari 2025 in zaak nr. 24/2644 in het geding tussen:
[appellant]
en
de bewaarder van het kadaster en de openbare Registers (bewaarder).
Procesverloop
Bij besluit van 20 november 2023 heeft de bewaarder het verzoek van [appellant] om gegevens in de basisregistratie kadaster (BRK) te herstellen, afgewezen.
Bij besluit van 10 april 2024 heeft de bewaarder het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De bewaarder heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De bewaarder en [appellant] hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 oktober 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.W. van de Wetering, advocaat in Almelo, en de bewaarder, in de persoon van mr. M.I. Mollee-ten Hoor, bijgestaan door mr. L.F. Miltenburg, advocaat in Arnhem, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] woont op het adres [locatie 1] in Zwolle. Hij heeft op 10 december 1998 van zijn toenmalige buren van [locatie 2] grond gekocht, die tot dan bij het perceel van [locatie 2] hoorde. De grenzen van het gekochte perceel zijn door een landmeter vastgesteld en beschreven in een relaas van bevindingen van 1 maart 1999 (relaas van bevindingen). De BRK is in 1999 in overeenstemming met de gegevens uit veldwerk 428 bijgewerkt.
2. Op 27 juli 2020 heeft [appellant] de bewaarder verzocht om herstel van gegevens in de BRK op grond van artikel 7t van de Kadasterwet (Kw). Daarbij is ook verzocht om een correctie van de kadastrale registratie conform de uitdrukkelijk door [appellant] en zijn toenmalige buren beoogde situatie, zoals weergegeven in de bij de akte van levering van 10 december 1998. De afwijzing van dit verzoek heeft geleid tot een bestuursrechtelijke procedure die heeft geleid tot de uitspraak de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1317. De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat geen sprake is van een kennelijke misslag als bedoeld in artikel 7t van de Kw, omdat de bijwerking van de BRK destijds heeft plaatsgevonden volgens het relaas van bevindingen. Verder kan hij volgens de Afdeling het resultaat van de meting van het perceel niet meer in rechte betwisten. Het lag op zijn weg om eerder, dan pas bij dit verzoek, aan de orde te stellen of de meting van het perceel in 1998 en 1999 in strijd met de regels had plaatsgevonden.
3. Een civiele procedure in 2021 tussen [appellant] en buurman [persoon] heeft geleid tot de vaststelling van de juridische eigendomsgrens tussen hun percelen. [appellant] heeft vervolgens, onder verwijzing naar de uitkomst van deze civiele procedure, op 17 augustus 2023 een nieuw verzoek op grond van artikel 7t van de Kw bij de bewaarder ingediend. Hij wenst dat de kadastrale grens wordt aangepast zodat deze gelijk komt te liggen met de eigendomsgrens, waarbij de huidige nummering van de percelen wordt gehandhaafd en er geen nieuw perceel ontstaat. Meer specifiek gaat het daarbij om het herstellen van de foutief in de BRK opgenomen kadastrale grens tussen de percelen kadastraal bekend Gemeente Zwolle sectie O, nummers 1371 en 1753. Bij besluit van 20 november 2023 heeft de bewaarder dit verzoek afgewezen, omdat er geen sprake is van een misslag van de bijwerking van de BRK, die op grond van artikel 7t van de Kw kan worden hersteld. Er is volgens de bewaarder namelijk geen verschil tussen de bijwerking van de BRK en het relaas van bevindingen, zijnde een brondocument. De bewaarder verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1317. Volgens de bewaarder biedt de procedure van artikel 7t van de Kw niet de mogelijkheid om de gewenste aanpassing van [appellant] te realiseren. Bij besluit van 10 april 2024 is de bewaarder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
Procesbelang
4. De bewaarder stelt zich in de schriftelijke uiteenzetting op het standpunt dat [appellant] geen procesbelang meer heeft bij zijn hoger beroep. [appellant] wil dat de kadastrale grens tussen de percelen wordt gelijkgesteld met de inmiddels vastgestelde juridische eigendomsgrens in de BRK, waarbij de huidige nummering van de percelen wordt gehandhaafd en er geen nieuw perceel ontstaat. Volgens de bewaarder is die gelijkstelling niet mogelijk in het stelsel van de Kw zonder dat er een nieuw perceel wordt gevormd en vernummering plaatsvindt. Daarom wordt het verzoek voor een doel aangewend waarvoor dit verzoek niet is bedoeld en kan het resultaat dat hij met zijn verzoek nastreeft dus niet met het hoger beroep worden bereikt.
4.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
4.2. Of [appellant] procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep is afhankelijk van de beantwoording van de vraag of hij daarbij een reëel en actueel belang heeft. De Afdeling stelt vast dat de vraag of de kadastrale grens tussen de percelen gelijkgesteld kan worden met de inmiddels vastgestelde juridische eigendomsgrens in de BRK, onderwerp van geschil vormt. Daarmee heeft [appellant] het verzoek niet voor een doel aangewend waarvoor dit verzoek niet is bedoeld. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat wel procesbelang bestaat en daarom zal de Afdeling het hoger beroep hieronder inhoudelijk behandelen.
Hoger beroep
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bewaarder het verzoek om herstel terecht heeft afgewezen. Hij voert daartoe aan dat wel degelijk sprake is van een misslag die op grond van artikel 7t van de Kw moet worden hersteld, omdat er een verschil is tussen de bijwerking van de registratie en de notariële akte van 10 december 1998 waarin de juridische grenzen zijn vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank niet onderkend dat de notariële akte ook een brondocument is die aan de bijhouding ten grondslag kan worden gelegd. Verder moeten brondocumenten die aan bijhouding ten grondslag liggen onderling met elkaar in overeenstemming zijn, maar het relaas van bevindingen wijkt af van de daaraan voorafgaande notariële akte. Daarnaast is het relaas van bevindingen opgemaakt in strijd met de wet, ook daarom moet worden uitgegaan van de notariële akte.
5.1. Artikel 7t, eerste lid, van de Kw luidt: "Indien een belanghebbende gerede twijfel heeft omtrent de juistheid van een in de basisregistratie kadaster opgenomen gegeven dat krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt, […] kan die belanghebbende onder opgaaf van redenen aan de Dienst een verzoek tot herstel van dat gegeven in de basisregistratie kadaster doen. […]".
5.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in dit geval alleen ter beoordeling kan staan of de in de BRK vermelde gegevens berusten op een misslag. Een verzoek om herstel kan worden ingewilligd als er een verschil is tussen de bijwerking van de BRK en het daaraan ten grondslag liggende brondocument, in dit geval het relaas van bevindingen. Anders dan [appellant] betoogt, mag de bewaarder zich uitsluitend baseren op het relaas van bevindingen, zijnde het brondocument en is deze niet gehouden daarbij ook andere documenten zoals notariële leveringsakten te betrekken. Als er tussen de bijwerking en het relaas van bevindingen geen verschil is, maar een belanghebbende het niet eens is met het resultaat van de bijwerking, kan een verzoek om herstel niet worden ingewilligd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4726, onder 4). In dit geval gaat het [appellant] om het resultaat van de bijwerking. Van een misslag waarvoor artikel 7t van de Kadasterwet een regeling biedt, is geen sprake.
5.3. Dat het veldwerk en dus het relaas van bevindingen volgens [appellant] bij de vaststelling van de kadastrale grens gebrekkig is geweest, kan - wat daar ook verder van zij - nu niet meer leiden tot een aanpassing. Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 12 augustus 2026, onder 4, kan de inhoud van het relaas van bevindingen niet meer worden aangevochten. Belanghebbenden worden naar aanleiding van de vorming van percelen en het bijwerken van de kadastrale registratie door middel van een kennisgeving van de bijwerking op de hoogte gesteld. Die bijwerking is een besluit dat op rechtsgevolg is gericht. Voor zover [appellant] zich op het standpunt stelt dat hij het resultaat van de meting van het perceel nog in rechte kan betwisten, omdat hij daar destijds geen kennisgeving van heeft ontvangen, volgt de Afdeling hem niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet meer is na te gaan of de meting van het perceel in 1999 in strijd met de regels heeft plaatsgevonden. Indien het zo is dat [appellant] in verband met die meting geen uitnodiging voor een aanwijs en geen kennisgeving van het resultaat heeft ontvangen, lag het op zijn weg om daar in verband met de inschrijving van zijn perceel in de BRK navraag naar te doen. Dat hij dat toen niet heeft gedaan en ook niet toen hij het perceel op 24 februari 2006 verkocht en op 31 december 2018 weer in eigendom kreeg, komt voor zijn rekening en risico. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] eerder dan pas bij zijn verzoek in deze zaak, aan de orde had kunnen en moeten stellen of de meting van het perceel in 1998 en 1999 in strijd met de regels had plaatsgevonden. De Afdeling ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan zij heeft gedaan in de uitspraak van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1317, naar aanleiding van een hoger beroep van [appellant] tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank.
5.4. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de bewaarder het verzoek om herstel als bedoeld in artikel 7t van de Kadasterwet ten onrechte heeft afgewezen.
5.5. Het betoog slaagt niet.
6. [appellant] heeft verder betoogd dat sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht, als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
6.1. De Afdeling overweegt dat een registratie in de BRK op zichzelf geen wijziging brengt aan civielrechtelijke eigendomsverhoudingen. De procedure van artikel 7t van de Kw is namelijk beperkt tot het ambtshalve of op verzoek herstellen van misslagen. De omstandigheid dat de kadastrale registratie in de BRK niet overeenkomt met de vastgestelde eigendomsgrens en dit niet op grond van artikel 7t van de Kw in overeenstemming met elkaar kan worden gebracht, betekent daarom niet dat sprake is van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5288, onder 2.4.1).
6.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
8. De bewaarder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Westerbaan, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Westerbaan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
1050