ECLI:NL:RVS:2026:634

ECLI:NL:RVS:2026:634

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 202201166/2/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij tussenuitspraak van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5431, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 26 januari 2021 te herstellen. Op 13 oktober 2018 heeft [appellant] een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisering van het gebruik van een appartement/kantoor aan de [locatie] in Eindhoven als bedrijfswoning. Bij besluit van 18 december 2018 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 26 januari 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 26 januari 2021 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat [appellant] aan een toezegging van het college het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat het college aan hem een persoonsgebonden omgevingsvergunning zou verlenen voor een bedrijfswoning. De Afdeling heeft het college op grond van artikel 8:51d van de Awb opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek dat in de tussenuitspraak is geconstateerd te herstellen. Het college moet afwegen of, in het kader van de derde stap van het vertrouwensbeginsel, het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen en, zo ja, wat de betekenis daarvan is voor de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid.

Uitspraak

202201166/2/R2.

Datum uitspraak: 4 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] h.o.d.n. [bedrijf] (hierna: [appellant]), wonend en gevestigd in Eindhoven,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 18 november 2021 in zaak nr. 21/608 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5431, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 26 januari 2021 te herstellen.

Bij besluit van 7 april 2025 heeft het college het besluit van 26 januari 2021 ingetrokken, het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2021 alsnog gegrond verklaard, het besluit van 18 december 2018 herroepen en alsnog aan [appellant] een persoonsgebonden omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een appartement/kantoor als bedrijfswoning aan de [locatie] in Eindhoven.

[appellant] heeft een zienswijze ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding omgevingsrecht

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 oktober 2018. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

De tussenuitspraak

2. Op 13 oktober 2018 heeft [appellant] een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisering van het gebruik van een appartement/kantoor aan de [locatie] in Eindhoven als bedrijfswoning. Bij besluit van 18 december 2018 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 26 januari 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 26 januari 2021 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat [appellant] aan een toezegging van het college het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat het college aan hem een persoonsgebonden omgevingsvergunning zou verlenen voor een bedrijfswoning. De Afdeling heeft het college op grond van artikel 8:51d van de Awb opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek dat in de tussenuitspraak is geconstateerd te herstellen. Het college moet afwegen of, in het kader van de derde stap van het vertrouwensbeginsel, het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen en, zo ja, wat de betekenis daarvan is voor de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid. Onder 11 heeft de Afdeling overwogen dat de Afdeling in de einduitspraak een oordeel zal geven over de beroepsgrond van [appellant] over strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Beroepsgrond tegen het herstelbesluit van 7 april 2025

4. Ter uitvoering van de opdracht in de tussenuitspraak heeft het college bij besluit van 7 april 2025 aan [appellant] een persoonsgebonden omgevingsvergunning verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een appartement/kantoor aan de [locatie] in Eindhoven als bedrijfswoning.

5. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, is het beroep van [appellant] van rechtswege ook gericht tegen het besluit van 7 april 2025.

6. De Afdeling zal aan de hand van de door [appellant] tegen het herstelbesluit naar voren gebrachte zienswijze beoordelen of het college heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.

7. [appellant] betoogt, zo begrijpt de Afdeling, dat het college een zaaksgebonden omgevingsvergunning voor een bedrijfswoning had moeten verlenen en dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zo’n omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een appartement/kantoor als bedrijfswoning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

7.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.

7.2. Anders dan [appellant] betoogt, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd waarom een zaaksgebonden omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een appartement/kantoor als bedrijfswoning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft toegelicht dat het college het toevoegen van een bedrijfswoning op de betreffende locatie onwenselijk acht, omdat een bedrijfswoning, net als een reguliere woning, zorgt voor verkleuring van het bedrijventerrein. Dat wil het college voorkomen. Het door het college gevoerde beleid is er namelijk op gericht om kleine bedrijfslocaties, zoals het binnenstedelijk bedrijventerrein Rapenland, waar het in deze zaak om gaat, te behouden, te ontwikkelen en te stimuleren. Het toevoegen van een bedrijfswoning is in strijd met dat beleid.

7.3. De conclusie is dat het college geen zaaksgebonden omgevingsvergunning hoefde te verlenen, omdat het college een zaaksgebonden omgevingsvergunning in strijd heeft mogen achten met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog slaagt niet.

Is het gebrek hersteld?

8. De Afdeling stelt vast dat het college een persoonsgebonden omgevingsvergunning aan [appellant] heeft verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een appartement/kantoor aan de [locatie] in Eindhoven als bedrijfswoning. Daarmee is het college naar het oordeel van de Afdeling tegemoet gekomen aan het bij [appellant] opgewekte gerechtvaardigde vertrouwen dat aan hem een persoonsgebonden omgevingsvergunning voor dat gebruik zou worden verleend. Dat betekent dat het college tegemoet is gekomen aan de opdracht in de tussenuitspraak en het gebrek in het besluit van 26 januari 2021 heeft hersteld.

Een goede ruimtelijke ordening

9. De beroepsgrond van [appellant] over een goede ruimtelijke ordening waar de Afdeling in de tussenuitspraak niet aan toe is gekomen, behoeft geen bespreking meer. Die beroepsgrond is namelijk gericht tegen het besluit van 26 januari 2021 en dat besluit is door het college in het herstelbesluit van 7 april 2025 ingetrokken.

Conclusie en proceskosten

10. Het hoger beroep van [appellant] is gegrond. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 26 januari 2021 gegrond verklaren. Het besluit van 26 januari 2021 zou voor vernietiging in aanmerking komen, maar is reeds door het college ingetrokken. Het beroep tegen het besluit van 7 april 2025 is ongegrond.

11. Het college moet de proceskosten van [appellant] vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 18 november 2021 in zaak nr. 21/608;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellant] tegen het besluit van 26 januari 2021 gegrond;

IV. verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 7 april 2025 ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en beroep betaalde griffierecht van € 455,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Van Breda

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Nales

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026

1044

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?