ECLI:NL:RVS:2026:642

ECLI:NL:RVS:2026:642

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 202203365/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 24 juli 2019 heeft de minister van Buitenlandse Zaken [appellant] te kennen gegeven zijn aanvraag om een Nederlands paspoort niet in behandeling te nemen. [appellant] is op [geboortedatum] 1968 in [plaats] (Irak) geboren en verkreeg door geboorte de Iraakse nationaliteit. In de basisregistratie personen (hierna: de brp) is opgenomen dat hij op [datum] 1995 is getrouwd met [persoon A], met de Iraakse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] 1971 in [plaats]. [appellant] vestigde zich op 11 juni 1997 in Nederland en verkreeg op 13 juni 2002 het Nederlanderschap. Op [datum] 2007 is [appellant] in Jordanië getrouwd met [persoon B], met de Iraakse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] 1973 in [plaats] (Irak). Op 19 juli 2011 verkreeg [persoon B] de Canadese nationaliteit door naturalisatie. [appellant] is op 3 maart 2011 uitgeschreven uit de gemeente Amsterdam wegens emigratie naar Canada. Vervolgens heeft [appellant] op 22 februari 2016 vrijwillig ook de Canadese nationaliteit door naturalisatie verkregen. Op 11 oktober 2011 is voor het laatst een Nederlands paspoort aan [appellant] verstrekt. [appellant] heeft op 14 juni 2019 bij het Nederlandse consulaat in Toronto een Nederlands paspoort aangevraagd.

Uitspraak

202203365/1/A3.

Datum uitspraak: 4 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [plaats] (Canada),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 april 2022 in zaak nr. 19/7485 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2019 heeft de minister [appellant] te kennen gegeven zijn aanvraag om een Nederlands paspoort niet in behandeling te nemen.

Bij besluit van 17 oktober 2019 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 3 juni 2021 heeft de minister het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 24 juli 2019 opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 april 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 3 juni 2021 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 september 2024, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L.H.T. Geuzendam en I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen.

Bij besluit van 8 juli 2025 heeft de minister het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 24 juli 2019 opnieuw ongegrond verklaard.

[appellant] heeft gronden tegen dit besluit ingediend.

[appellant] en de minister hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 4 november 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L.H.T. Geuzendam en I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] is op [geboortedatum] 1968 in [plaats] (Irak) geboren en verkreeg door geboorte de Iraakse nationaliteit. In de basisregistratie personen (hierna: de brp) is opgenomen dat hij op [datum] 1995 is getrouwd met [persoon A], met de Iraakse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] 1971 in [plaats]. [appellant] vestigde zich op 11 juni 1997 in Nederland en verkreeg op 13 juni 2002 het Nederlanderschap. Op [datum] 2007 is [appellant] in Jordanië getrouwd met [persoon B], met de Iraakse nationaliteit en geboren op [geboortedatum] 1973 in [plaats] (Irak). Op 19 juli 2011 verkreeg [persoon B] de Canadese nationaliteit door naturalisatie. [appellant] is op 3 maart 2011 uitgeschreven uit de gemeente Amsterdam wegens emigratie naar Canada. Vervolgens heeft [appellant] op 22 februari 2016 vrijwillig ook de Canadese nationaliteit door naturalisatie verkregen. Op 11 oktober 2011 is voor het laatst een Nederlands paspoort aan [appellant] verstrekt.

1.1. [appellant] heeft op 14 juni 2019 bij het Nederlandse consulaat in Toronto een Nederlands paspoort aangevraagd.

De minister heeft [appellant] bij besluit van 24 juli 2019 te kennen gegeven deze aanvraag niet in behandeling te nemen, omdat [appellant] op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals deze luidde tot 1 april 2022 (hierna: de Rwn), door de verkrijging van de Canadese nationaliteit niet meer de Nederlandse nationaliteit heeft.

De minister heeft het hiertegen gemaakte bezwaar bij besluit van 17 oktober 2019 ongegrond verklaard. Volgens de minister is niet gebleken dat [appellant] valt onder een van de uitzonderingen van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, b of c, van de Rwn waarbij het Nederlanderschap niet verloren gaat bij het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit. Hij is namelijk niet geboren in Canada, hij heeft geen vijf aangesloten jaren voor zijn achttiende jaar hoofdverblijf gehad in Canada en hij was ook niet ten tijde van het verkrijgen van de Canadese nationaliteit getrouwd met een persoon met die nationaliteit. Dit laatste komt doordat [appellant] ten tijde van zijn huwelijk op 3 maart 2007 met [persoon B] nog was getrouwd met [persoon A]. Een bigaam huwelijk is in strijd met de Nederlandse openbare orde en kan daarom niet in Nederland worden erkend. Dit betekent dat ten tijde van de verkrijging van de Canadese nationaliteit, [appellant] niet geacht kon worden te zijn getrouwd met een Canadese vrouw. Verder waren voor [appellant] geen dwingende redenen aanwezig om de Canadese nationaliteit aan te nemen. Ook staat in het besluit dat het beroep op het vertrouwens- en evenredigheidsbeginsel niet slaagt.

1.2. [appellant] heeft op 19 juni 2020 twee aanvullende bewijsstukken aangeleverd die volgens hem zijn stelling dat hij nooit met [persoon A] in Irak getrouwd is geweest, bevestigen. Hij stelt dat hij deze stukken wegens verschillende omstandigheden niet eerder in de procedure kon overleggen. Het gaat om de volgende twee stukken:

- een kopie van een uittreksel uit het register van de Iraakse burgerlijke stand, uitgegeven op 15 september 2021;

- een kopie van een afschrift van het Iraakse Ministerie van Binnenlandse zaken.

1.3. [appellant] heeft vervolgens op 19 augustus 2020 nog meer aanvullende bewijsstukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij nooit getrouwd is geweest met [persoon A]. Het gaat om de volgende stukken:

- een ontwerp van de persoonlijke statuswet voor christenen in Irak;

- een verklaring van de ‘Syrian Orthodox Archdiocese’ in [plaats] (Irak) van Severius Jamil Hawa, de Syrisch Orthodoxe aartsbisschop van Bagdad, uitgegeven op [datum] 2020 (hierna: de verklaring van de ‘Syrian Orthodox Archdiocese);

- een ‘Status Release Certificate’, uitgegeven op [datum] 2007;

- een kopie van een Iraaks identiteitsbewijs van [appellant], uitgegeven op [datum] 1993;

- een kopie van de geboorteakte van de zoon van [appellant], uitgegeven op [datum] 2020;

- een verklaring van het bezit van het Nederlanderschap van de zoon van [appellant], uitgegeven op 1 mei 2015.

1.4. Bij besluit van 3 juni 2021 heeft de minister opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist. De minister heeft te kennen gegeven dat hij naar aanleiding van de overgelegde stukken nog steeds geen reden heeft om te twijfelen aan de huwelijksgegevens in de brp. Verder heeft de minister in het nieuwe besluit, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2020:423, een Unierechtelijke evenredigheidstoets uitgevoerd. Volgens de minister heeft het verlies van het Nederlanderschap voor [appellant] geen onevenredige gevolgen vanuit het oogpunt van het Unierecht. De minister heeft hiervoor verwezen naar een advies van de Immigratie en Naturalisatiedienst (hierna: de IND).

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de aanvraag van [appellant] om een Nederlands paspoort niet in behandeling hoefde te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank allereest overwogen dat [appellant] geen brondocumenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat de geregistreerde informatie over zijn huwelijk in de brp onjuist is. Ten tweede heeft de rechtbank overwogen dat het verlies van het Nederlanderschap voor [appellant] niet onevenredig is bezien vanuit het oogpunt van het Unierecht.

Wettelijk kader

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Hoger beroep

Zitting Afdeling van 4 september 2024

4. Op de zitting bij de Afdeling van 4 september 2024 heeft [appellant] verzocht om aanhouding van de zaak zodat de minister onderzoek kan laten doen naar nieuwe (originele) documenten die hij in hoger beroep heeft overgelegd ten bewijze dat hij niet getrouwd is geweest met [persoon A]. De minister heeft zich niet tegen aanhouding verzet en zich bereid verklaard dit onderzoek in deze procedure uit te voeren. Op de zitting is afgesproken dat de minister de door [appellant] aan de minister overhandigde (originele) stukken zal laten beoordelen door Bureau Documenten. De minister heeft toegezegd om vervolgens op basis van deze beoordeling een nieuwe beslissing op het door [appellant] gemaakte bezwaar te zullen nemen.

Conclusie hoger beroep

5. Op 8 juli 2025 heeft de minister een nieuw besluit genomen. Met dit besluit heeft de minister zijn besluit van 3 juni 2021 vervangen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, is bij de Afdeling tegen dit besluit van rechtswege een beroep ontstaan van [appellant].

Omdat de minister met het besluit van 3 juni 2021 het bezwaar van [appellant] weer ongegrond heeft verklaard maar nu op een andere grondslag en daartoe een vervangend besluit heeft genomen, slaagt het hoger beroep van [appellant]. De Afdeling zal hierna het beroep van [appellant] tegen het besluit van 8 juli 2025 behandelen.

Beroep tegen het besluit van 8 juli 2025

Besluit van 8 juli 2025

6. Op 8 juli 2025 heeft de minister opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 24 juli 2019. In dit nieuwe besluit staat vermeld dat Bureau Documenten de echtheid van de door [appellant] overgelegde (originele) Iraakse (bron)documenten als positief heeft beoordeeld. Dit betekent dat uit deze (bron)documenten blijkt dat [appellant] volgens de Iraakse autoriteiten ongehuwd was. Gelet op de uitslag van het documentonderzoek bestaat volgens de minister gerede twijfel over de juistheid van de huwelijksgegevens van [appellant] in de brp. Dit heeft tot gevolg dat het huwelijk met [persoon B] naar Nederlands recht kan worden erkend. De minister heeft zich daarom in het nieuwe besluit op het standpunt gesteld dat [appellant] door het vrijwillig aannemen van de Canadese nationaliteit op 22 februari 2016 het Nederlanderschap niet van rechtswege heeft verloren, omdat hij viel onder de uitzonderingsbepaling van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, van de Rwn. Volgens de minister komt [appellant] desondanks niet in aanmerking voor een Nederlands paspoort, omdat [appellant] ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rwn op 11 oktober 2021 het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren. Aan dit standpunt heeft de minister ten grondslag gelegd dat [appellant] van 11 oktober 2011 tot en met 11 oktober 2021 onafgebroken hoofdverblijf heeft gehad in Canada en aan hem in die periode geen Nederlands reisdocument of een verklaring omtrent het Nederlanderschap is verstrekt. Volgens de minister is de tienjaarstermijn niet gestuit door de paspoortaanvraag van 14 juni 2019, omdat de tienjaarstermijn op grond van artikel 15, vierde lid, van de Rwn alleen gestuit kan worden door de verstrekking van een verklaring van het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument, Nederlandse identiteitskaart of vervangende Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet en niet door een aanvraag.

De minister stelt zich ten slotte, in navolging van het advies van de IND van 25 maart 2025, op het standpunt dat het verlies van het Nederlanderschap en daarmee het Unieburgerschap geen onevenredige gevolgen heeft op grond van het Unierecht. In het IND-advies staat vermeld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij op het moment van het verliesmoment, op 11 oktober 2021, gebruik maakte van zijn Unierechten, dan wel dat het op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar was dat hij van die rechten gebruik ging maken. De door [appellant] overgelegde sollicitaties voor banen in België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk uit 2016 en 2017 zijn hiervoor onvoldoende, omdat de data van de sollicitatiebrieven te ver voor het verliesmoment van 11 oktober 2021 liggen. Verder is de verklaring betreffende bezit van het Nederlanderschap van 1 mei 2015 van de zoon van [appellant] volgens de IND niet relevant bij de Unierechtelijke evenredigheidstoets. Over de omstandigheden waaronder [appellant] het Nederlanderschap heeft verloren staat in het advies dat, daargelaten dat niet is gebleken dat er geen gevolgen zijn die betrekking hebben op het Unierecht, het aan [appellant] zelf te wijten is dat hij zijn paspoort niet tijdig kon verlengen, omdat hij zelf onder ede heeft verklaard dat hij gehuwd was. Ook had [appellant] volgens de IND eerder de benodigde bewijsstukken kunnen overleggen. De minister heeft in het besluit van 8 juli 2025 ten slotte vermeld dat het beroep op de eenheid van nationaliteit ook niet maakt dat het verlies van het Nederlanderschap onevenredig is, omdat de zoon van [appellant] op 21 oktober 2021 ook het Nederlanderschap heeft verloren.

Beroepsgronden Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel

7. [appellant] betoogt dat het verlies van het Nederlanderschap, en daarmee ook het Unieburgerschap, onevenredig is wat betreft de gevolgen ervan uit het oogpunt van het Unierecht. Hiertoe voert hij aan dat het rond het moment van het verlies van het Nederlanderschap voorzienbaar was dat hij in de Unie wilde wonen en werken. [appellant] heeft e-mails overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2016 en 2017 heeft gesolliciteerd naar banen in België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. In het Verenigd Koninkrijk is hij ook daadwerkelijk aangenomen. Hij heeft daarmee concreet onderbouwd dat hij plannen had om in de Unie te wonen en werken. Daarnaast heeft hij een verklaring van bezit van het Nederlanderschap van zijn zoon van 1 mei 2015 overgelegd. Hieruit kan volgens hem worden afgeleid dat hij op het moment van het verlies van het Nederlanderschap nog altijd aanspraak wenste te maken op het Unieburgerschap. [appellant] voert ten slotte aan dat ook de omstandigheden waaronder hij het Nederlanderschap heeft verloren, maken dat het verlies van het Unieburgerschap onevenredig is. Hij betoogt dat de nieuwe verliesgrond, die is ontstaan gedurende deze procedure, hem niet mag worden tegengeworpen en dat zijn aanvraag in dit geval de verliestermijn heeft gestuit. Hij betoogt dat hem anders een effectief rechtsmiddel wordt onthouden als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Een andere uitkomst zou in strijd zijn met het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.

Toetsingskader Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel

8. De Afdeling heeft eerder, bijvoorbeeld in de uitspraak van 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:421, het toetsingskader voor de Unierechtelijke evenredigheidstoets uiteengezet. Samengevat heeft de Afdeling daarin het volgende overwogen. Als een betrokkene het Nederlanderschap verliest, dan moet een lidstaat bij de uitoefening van zijn bevoegdheid inzake nationaliteit het Unierecht en met name het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen. Daarbij wordt beoordeeld of het verlies van de nationaliteit van een lidstaat en daarmee het Unieburgerschap van een betrokkene in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat betreft de gevolgen ervan uit het oogpunt van het Unierecht. Deze toets moet plaatsvinden naar het moment van het verlies van het Nederlanderschap. De Unierechtelijke evenredigheidstoets vergt een volledige beoordeling van de individuele situatie van een betrokkene en in voorkomend geval van zijn gezin. Bij het in kaart brengen van de gevolgen uit oogpunt van het Unierecht moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken. De omstandigheden waaronder iemand het Nederlanderschap heeft verloren, kunnen alleen worden meegenomen wanneer er gevolgen zijn die betrekking hebben op het Unierecht.

Beoordeling Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel

9. Over de vraag of het ten tijde van het verlies van het Nederlanderschap van [appellant] in 2021 in redelijkheid voorzienbaar was dat hij zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten uit zou gaan oefenen, overweegt de Afdeling als volgt.

9.1. Voor de vraag of sprake is van gevolgen uit oogpunt van Unierecht moet worden meegewogen of een betrokkene zou worden geconfronteerd met beperkingen in de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten en de mogelijkheid daar beroepsactiviteiten te verrichten (zie rechtsoverweging 7.2 van genoemde uitspraak van 5 februari 2025). Daarvoor moet worden beoordeeld welke activiteiten een betrokkene heeft verricht die daarop wijzen en wanneer deze hebben plaatsgevonden.

9.2. Niet in geschil is dat [appellant] in 2016 en 2017 heeft gesolliciteerd naar verschillende functies in de Unie. Daarnaast heeft hij een verklaring van het bezit van het Nederlanderschap van zijn zoon aangevraagd. Deze is op 1 mei 2015 aan [appellant] afgegeven. Uit de sollicitaties en de aanvraag van de verklaring leidt de Afdeling af dat het voorzienbaar was dat [appellant] zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten of verplichtingen uit wilde oefenen.

9.3. Er is enige tijd verlopen tussen de sollicitaties en de aanvraag van de verklaring enerzijds en het verliesmoment van het Nederlanderschap in 2021 anderzijds. Maar dit betekent nog niet dat dit verlies geen gevolgen heeft uit oogpunt van Unierecht. Daartoe is het volgende van belang.

9.4. In de eerste plaats heeft [appellant] in 2019, en dus binnen afzienbare tijd na de sollicitaties en de aanvraag van de verklaring en ruim voor het verlopen van de tienjaarstermijn op 11 oktober 2021, een paspoortaanvraag bij de minister ingediend. Omdat de minister kort daarop aan [appellant] te kennen heeft gegeven dat hij niet meer de Nederlandse nationaliteit heeft en dat zijn paspoortaanvraag daarom niet in behandeling zal worden genomen, kan aan [appellant] niet worden tegengeworpen dat hij nadien geen pogingen heeft ondernomen om zijn Unieburgerrechten uit te oefenen, bijvoorbeeld door te solliciteren naar banen binnen de Unie. [appellant] heeft hierover op de zitting bij de Afdeling op 4 november 2025 navolgbaar verklaard dat potentiële werkgevers graag duidelijkheid willen hebben over de vraag of hij Unieburger is en over zijn verblijfsstatus. De Afdeling vindt dit aannemelijk. De onder 9.2 genoemde omstandigheden zijn dus wel degelijk relevant bij de beoordeling van de vraag of op het verliesmoment redelijkerwijs voorzienbaar was dat [appellant] van zijn rechten als unieburger gebruik zou maken.

9.5. In de tweede plaats spelen, naast de overgelegde sollicitaties en de aanvraag van de verklaring omtrent het Nederlanderschap van de zoon van [appellant], de omstandigheden waaronder [appellant] zijn Nederlanderschap heeft verloren een rol. [appellant] heeft in 2019 een aanvraag om een Nederlands paspoort ingediend. De minister heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld, en heeft daaraan uitsluitend ten grondslag gelegd dat [appellant] volgens de minister door de verkrijging van de Canadese nationaliteit niet meer de Nederlandse nationaliteit had, aangezien zijn huwelijk met de Canadese [persoon B] als bigaam werd aangemerkt en dus niet werd erkend. [appellant] heeft dit bestreden en daartoe rechtsmiddelen aangewend. De minister heeft tijdens deze procedure en hangende hoger beroep op 8 juli 2025 een nieuw besluit genomen en heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat [appellant] door de verkrijging van de Canadese nationaliteit toch niet het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren. Dit was nadat op de zitting bij de Afdeling van 4 september 2024 was besproken dat [appellant] met originele documenten kon aantonen dat van een bigaam huwelijk geen sprake was en de minister zich bereid verklaarde daar nader onderzoek naar te doen. De minister heeft vervolgens in het nieuwe besluit voor het eerst het standpunt ingenomen dat [appellant] desondanks niet in aanmerking komt voor een Nederlands paspoort, omdat hij in 2021 - dat wil zeggen gedurende de procedure over de aanvankelijke reden om de aanvraag buiten behandeling te stellen - op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rwn het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren. Dit terwijl hij tijdig, twee jaar vóór het verliesmoment, een paspoortaanvraag heeft ingediend. De minister heeft dus pas nadat in deze procedure succesvol de verliesgrond is aangevochten tegengeworpen dat inmiddels tijdens deze procedure een andere verliesgrond van rechtswege is ingetreden.

9.6. De omstandigheden tezamen hebben tot gevolg dat het verlies van het Nederlanderschap van [appellant], bezien vanuit het Unierecht, onevenredig is.

Het betoog slaagt.

Overige beroepsgronden

10. Omdat het betoog over het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel slaagt, behoeven de overige beroepsgronden van [appellant] geen bespreking meer.

Conclusie beroep

11. Het beroep tegen het besluit van 8 juli 2025 is gegrond. In de slotsom staat welke gevolgen dit heeft.

Slotsom

12. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2019 is gegrond. Het beroep tegen het besluit van 8 juli 2025 is gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd. Het besluit van 24 juli 2019 moet worden herroepen. De Afdeling draagt de minister op om de paspoortaanvraag van [appellant] in behandeling te nemen.

13. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 april 2022 in zaak nr. 19/7485;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 17 oktober 2019, kenmerk CSO-RD-WHA, gegrond;

IV. verklaart het beroep van rechtswege tegen het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 8 juli 2025, kenmerk HDCV-CSO-RD-PP, gegrond;

V. vernietigt dat besluit;

VI. herroept het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 24 juli 2019, kenmerk CSO-RD-2019-1155;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. draagt de minister van Buitenlandse Zaken op om de paspoortaanvraag van [appellant] in behandeling te nemen;

IX. veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.670,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. bepaalt dat de minister van Buitenlandse Zaken het door [appellant] voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. den Heyer, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Willems

voorzitter

w.g. Dijkshoorn

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026

735-1031

Bijlage

Wettelijk kader

Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 15

1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:

a. door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit;

b. door het afleggen van een verklaring van afstand;

c. indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband;

[…]

2. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op de verkrijger

a. die in het land van die andere nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft;

b. die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad; of

c. die gehuwd is met een persoon die die andere nationaliteit bezit.

[…]

4. De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument, Nederlandse identiteitskaart of vervangende Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:19

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen.

[…]

Artikel 6:24

Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?