202401905/1/R1.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Stichting Administratiekantoor Gropa, gevestigd in Bussum, gemeente Gooise Meren,
appellante,
en
de raad van de gemeente Gooise Meren,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2022 heeft de raad de aanvraag van Gropa Fonds en [persoon] om een bestemmingsplan vast te stellen voor twee percelen aan de Koningslaan en Koningin Emmalaan afgewezen.
Bij besluit van 24 januari 2024 heeft de raad het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en besloten het besluit van 9 november 2022 onder gewijzigde motivering te handhaven.
Tegen dit besluit heeft Gropa Fonds beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Gropa Fonds en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2026, waar Gropa Fonds, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. Q.W.J. de Ruijter en K.E. Hiouad, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
2. De aanvraag om het bestemmingsplan vast te stellen is ingediend op 22 juni 2019. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3. De wijk ‘Het Spiegel’ in Bussum, gemeente Gooise Meren, heeft de status ‘beschermd dorpsgezicht’. Vanwege deze status heeft de raad het bestemmingsplan "Het Spiegel - Prins Hendrikpark 2010" vastgesteld, waarin de te beschermen waarden zijn omgeschreven. Gropa Fonds is eigenaar van een perceel in Het Spiegel. Gropa Fonds heeft, samen met de eigenaar van een aangrenzend perceel, een aanvraag ingediend om voor een perceel aan de Koningslaan en een perceel aan de Koningin Emmalaan een bestemmingsplan vast te stellen waardoor op beide percelen een woonhuis gerealiseerd kan worden.
Omvang van het geschil
4. Aanvrager [naam persoon] is geen eigenaar meer van het perceel aan de Koningslaan. Het beroep, voor zover ingesteld namens hem, is daarom door hem ingetrokken. Volgens Gropa Fonds kan het geschil zich dientengevolge beperken tot het perceel aan de Koningin Emmalaan.
Toetsingskader
5. Bij het besluit over de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsruimte en moet hij de betrokken belangen afwegen. De Afdeling maakt die belangenafweging niet zelf, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen in overeenstemming is met het recht.
Inhoudelijk
6. Aan het besluit om het plan niet vast te stellen heeft de raad twee weigeringsgronden ten grondslag gelegd: (a) uit het door de raad ingewonnen advies van Cuijpers Advies volgt dat het plan het groene straatbeeld en de cultuurhistorische waarden van de naastgelegen villa’s aantast, terwijl de raad deze waarden van het beschermde dorpsgezicht wil behouden onder andere vanwege een in 2019 door de raad aangenomen motie om in aanloop naar de Omgevingswet zeer terughoudend om te gaan met inbreidingsinitiatieven in beschermde dorps- en stadsgezichten, de zogenaamde motie Bellaart, en (b) het plan heeft een onwenselijke precedentwerking, waar het gaat om het omzetten van tuinpercelen naar woonpercelen.
7. Gropa Fonds kan zich niet verenigen met de weigering van haar aanvraag. Daartoe voert zij in de eerste plaats aan dat het advies van Cuijpers niet aan het besluit ten grondslag mocht worden gelegd. Volgens haar is dit advies onzorgvuldig tot stand gekomen en heeft de raad, door het advies niettemin aan zijn besluit ten grondslag te leggen, de vergewisplicht geschonden. Zij wijst erop dat haar perceel, anders dan Cuijpers kennelijk veronderstelt, geen onderdeel is van de tuin van de villa aan de [locatie A]. Volgens Gropa Fonds is er al 40 jaar lang een dichte wand die het perceel van de tuin scheidt, zodat het plan geen cultuurhistorische waarde aantast. Gropa Fonds wijst er ook op dat zij een bomenplan heeft ingediend, zodat - anders dan in het advies van Cuijpers wordt geconcludeerd - niet valt in te zien dat het plan leidt tot aantasting van het groene straatbeeld. Gropa Fonds neemt verder het standpunt in dat de motie Bellaart niet zonder meer tot een afwijzing van de aanvraag leidt en betwist dat er precedentvorming kan optreden. Volgens haar liggen er geen andere onbebouwde en afgescheiden percelen in Het Spiegel.
7.1. De raad stelt dat hij, mede op basis van het advies van Cuijpers, meer waarde heeft mogen toekennen aan het behoud van de waarden van het beschermd dorpsgezicht ter plaatse. Het behouden van het beschermd dorpsgezicht baseert de raad op het geldende bestemmingsplan dat uitdrukking geeft aan de beschermingsstatus en de motie Bellaart. De raad licht toe dat met de motie Bellaart het uitgangspunt is aangenomen dat zeer terughoudend wordt omgegaan met initiatieven in beschermd dorpsgezicht.
7.2. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.
7.3. In het advies van Cuypers staat dat het plan het beschermde dorpsgezicht op twee manieren aantast. Ten eerste tast het plan het kenmerkende groene straatbeeld aan. Ten tweede tast het plan de cultuurhistorische waarde van de achter het perceel gelegen villa aan, nu tuin en villa als één geheel moeten worden gezien.
7.4. Alhoewel ter zitting is gebleken dat er een wand is die de villa van de tuin scheidt en de twee percelen ook kadastraal en planologisch van elkaar gescheiden zijn, betekent dit - anders dan Gropa Fonds stelt - niet dat de raad zich in het geheel niet op het advies van Cuijpers heeft mogen baseren. Het advies van Cuijpers gaat ook in op het groene karakter van Het Spiegel. Dit groene karakter is aangewezen als een belangrijk gebiedskenmerk van het beschermd dorpsgezicht en het realiseren van het plan van Gropa Fonds leidt tot een aantasting hiervan. Uit de stukken volgt dat Gropa Fonds een inventarisatie van de bomen op het perceel heeft ingediend. Uit de inventarisatie blijkt dat er bomen verwijderd moeten worden, zonder dat duidelijk wordt hoe het groene karakter hersteld of toch behouden blijft. Deze inventarisatie biedt dus, anders dan Gropa Fonds stelt, geen concreet aanknopingspunt om te twijfelen aan de conclusie van Cuijpers dat het groen vermindert en het beschermd dorpsgezicht wordt aangetast.
7.5. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich onderbouwd op het standpunt gesteld dat het plan leidt tot een vermindering van het te beschermen groen en daarmee tot een aantasting van het beschermd dorpsgezicht. Dit beschermd dorpsgezicht is in het geldende bestemmingsplan verankerd. Hetgeen door Gropa Fonds is aangevoerd geeft geen aanleiding te oordelen dat de raad niet aan dit bestemmingsplan mocht vasthouden en derhalve mocht weigeren dit te herzien ten behoeve van het plan van Gropa Fonds. De conclusie is dat het besluit in dit opzicht is voorzien van een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt niet.
8. Omdat de hiervoor besproken weigeringsgrond het besluit van de raad kan dragen, ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van de overige beroepsgronden, waaronder die over de precedentwerking van het plan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1067, onder 6.5).
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
647