ECLI:NL:RVS:2026:664

ECLI:NL:RVS:2026:664

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 06-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer BRS.25.002424
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 4 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Uitspraak

BRS.25.002424

ECLI:NL:RVS:2026:664

Datum uitspraak: 6 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats

's-Hertogenbosch, van 11 december 2025 in zaak nr. NL25.59023 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 11 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Appellant klaagt in de tweede grief dat de minister onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting naar Colombia heeft gewerkt.

1.1. Appellant is in bewaring gesteld op 4 november 2025. Diezelfde dag is een vertrekgesprek met hem gevoerd. Vervolgens heeft de minister op 11 november 2025 de KLM verzocht om te onderzoeken of appellant met een removal order kon worden uitgezet naar Colombia. Appellant klaagt terecht dat de minister vervolgens tot aan de opheffing van de bewaring op 4 december 2025 geen uitzettingshandelingen meer heeft verricht. De rechtbank heeft weliswaar terecht geoordeeld dat de minister afhankelijk was van de reactie van de KLM, maar dit neemt niet weg dat de minister in de periode van 11 november 2025 tot en met 4 december 2025 ook bij de KLM had kunnen rappelleren of een vertrekgesprek met appellant had kunnen voeren. Nu dit niet is gebeurd en gedurende een periode van drie weken geen uitzettingshandelingen hebben plaatsgevonden, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van appellant heeft gewerkt.

1.2. De grief slaagt.

2. Wat appellant verder heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het verder aangevoerde geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerdere datum dan 11 november 2025 onrechtmatig te achten. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats

’s-Hertogenbosch, van 11 december 2025 in zaak nr. NL25.59023;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 2.400,00 over de periode van 11 november 2025 tot en met 4 december 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. de Moor-van Vugt

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026

1179-644

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?