BRS.26.000014
ECLI:NL:RVS:2026:674
Datum uitspraak: 9 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 december 2025 in zaak nr. NL25.60421 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 november 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 24 december 2025 heeft de rechtbank het door appellant tegen het voortduren van de maatregel ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel (artikel 96 van de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
1.1. De samenloop van omstandigheden waar appellant op wijst, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dat doet zich hier niet voor. Dat het eerste beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel zonder een onderzoek ter zitting is afgedaan, naar gesteld zonder medeweten van appellant, is daarvoor onvoldoende. Appellant werd in die procedure bijgestaan door een andere gemachtigde, en die gemachtigde heeft namens appellant toestemming gegeven om de zaak af te doen zonder zitting (artikel 8:57 van de Awb). Daargelaten of appellant dit destijds met zijn gemachtigde heeft besproken, komt dit in beginsel voor zijn risico. Verder heeft de rechtbank in het vervolgberoep wel een zitting gehouden, en heeft in beide procedures ambtshalve toetsing plaatsgevonden. Ook wat appellant verder nog aanvoert, leidt niet tot de conclusie dat er geen eerlijk proces is geweest. De Afdeling ziet om dezelfde reden geen aanleiding voor het stellen van prejudiciƫle vragen.
2. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026
846