202501768/1/A3.
Datum uitspraak: 6 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 7 maart 2025 in zaak nr. 24/2829 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Defensie.
Openbare zitting gehouden op 29 januari 2026 om 14:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
griffier: mr. S.R. Renkema
Verschenen:
[appellant];
de minister, vertegenwoordigd door mr. B.J.A. Pellegrom, mr. F. Eftekhari en M.R. Barhorst.
De Afdeling
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 maart 2025 in zaak nr. 24/2829;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. veroordeelt de minister van Defensie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 60,25;
V. gelast dat de minister van Defensie aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt.
Gronden:
Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
Gelet op de uitspraak van 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6427, overweging 8.1, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Afdeling zal dan ook het hoger beroep van [appellant] gegrond verklaren en de uitspraak van de rechtbank vernietigen. De Afdeling zal het beroep van [appellant], dat hij heeft ingesteld bij de rechtbank, inhoudelijk beoordelen.
Zoals in de uitspraak van 31 december 2025 is geoordeeld, maken beam-naderingen geen onderdeel uit van de ontheffing. Dat geldt ook voor de ontheffing voor de oefening Falcon Leap. De Afdeling begrijpt dat [appellant] zorgen heeft over vliegtuigen die laag overvliegen, maar dit betekent niet dat het niet is toegestaan. Zoals uit de uitspraak van 31 december 2025 blijkt, kunnen beam-naderingen ook buiten een oefening worden toegepast en hoeft daar, zoals ook in het geval van de oefening Falcon Leap, geen specifieke ontheffing van de minimumvlieghoogte voor te worden verleend. Al hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd maakt dat niet anders. Het beroep van [appellant] verklaart de Afdeling dan ook ongegrond.
De minister moet de in hoger beroep door [appellant] gemaakte kosten vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Renkema
griffier
1071