202304729/1/R4.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Putten,
2. [appellant sub 2], wonend in Putten,
3. [appellante sub 3A] en [appellante sub 3B] (hierna: [appellante sub 3]), gevestigd in Putten en Hooglanderveen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Putten,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 25 mei 2023 heeft de raad het plan "Gervenhof & Dorpsstraat e.o." vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad, [partij A], [appellant sub 1] en [appellante sub 3] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 december 2025, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M.B. de Jong, [appellant sub 2], [appellante sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en door mr. V. Leijh en mr. T.W.S. Mol, advocaten in Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door J. Finke, J. Quee en J.W. Speetjens, en door mr. F. De Smit en mr. J.H. Meijer, advocaten in Arnhem, zijn verschenen. Ook is [partij A], vertegenwoordigd door mr. R.E. Helder, advocaat in Utrecht, op de zitting als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 11 november 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan ziet op twee herontwikkelingen in het centrum van Putten. In deze zaak gaat het om een herontwikkeling aan de Gervenhof en de Achterstraat. Daar komt op de locatie van woonwinkel Kok een nieuwe supermarkt, met daarboven 16 appartementen. Ook wordt een gebouw met 12 appartementen ontwikkeld. Aan de Achterstraat 77 komt een kringloopwinkel.
[appellant sub 2] en [appellant sub 1] komen op tegen de ontwikkeling van de nieuwe supermarkt en de appartementen. [appellante sub 3] komt op tegen de nieuwe, grotere supermarkt.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Uitzicht, bezonning, waardedaling woningen
4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de voorziene ontwikkeling hun woon- en leefklimaat onevenredig zal aantasten. [appellant sub 2] wijst op een beperking van haar uitzicht vanaf haar dakterras en een waardedaling van haar woning. [appellant sub 1] wijst op een beperking van zijn uitzicht, verlies aan bezonning, en een waardedaling van zijn appartement.
4.1. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitzicht van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet onevenredig wordt aangetast door de voorziene ontwikkeling. Hierbij betrekt de Afdeling dat een maximale bouwhoogte van 12,5 m niet ongebruikelijk is in een stedelijke omgeving en dat ter plaatse planologisch al een maximale bouwhoogte van 12 m was toegestaan. De raad heeft toegelicht dat hij een belangenafweging heeft gemaakt en het belang van het mogelijk maken van woningbouw zwaarder heeft laat wegen. De Afdeling volgt dat.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich ook op het standpunt kunnen stellen dat het verlies aan bezonning bij [appellant sub 1] niet onevenredig zal zijn. Planologisch was al een bouwhoogte van 12 m toegestaan. De raad heeft toegelicht dat de nieuwe bebouwing maar tot 12.00 uur invloed kan hebben op de bezonning van de woning van [appellant sub 1], omdat de voorziene ontwikkeling aan de oostzijde van de woning van [appellant sub 1] wordt gerealiseerd. De bezonning in de ochtend van de bestaande appartementen en bijbehorende dakterrassen/daktuinen blijft met de nieuw te realiseren appartementen boven de supermarkt ten opzichte van de huidige situatie (vrijwel) gelijk. De raad verwijst daarvoor naar de bezonningsstudie "Zonnestudie" van Roordink Architecten BNA B.V. van 5 september 2023.
Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betreft, bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Voor eventuele tegemoetkoming in planschade voor [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bestaat een aparte procedure met eigen rechtsmiddelen.
De betogen slagen niet.
Onderzoekrapportages
5. [appellant sub 1] betoogt dat de gebruikte onderzoekrapportages sterk zijn verouderd.
5.1. Op grond van artikel 3.1.1a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) kan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer onder 15.2 van haar uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4762, en onder 7.3 van haar uitspraak van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2466, staat artikel 3.1.1a van het Bro er niet aan in de weg dat onderzoeksgegevens ouder dan twee jaar aan het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan ten grondslag worden gelegd. [appellant sub 1] heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de deugdelijkheid of actualiteit van de onderzoeken die aan het plan ten grondslag liggen. Overigens heeft de raad toegelicht dat de flora en fauna rapportages geactualiseerd zijn en dat de Omgevingsdienst Noord Veluwe desgevraagd heeft laten weten dat de bodemonderzoeken geen actualisatie behoeven.
Het betoog slaagt niet.
Geluid
6. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de voorziene ontwikkeling tot geluidsoverlast zal leiden. Overdag zal de geluidsbelasting boven de 40 dB(A) uitkomen. Door het gebruik van koelmachines en laad- en losbewegingen zal de geluidsbelasting volgens [appellant sub 1] in de nacht boven de 30 dB(A) uitkomen.
6.1. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene ontwikkeling geen onevenredige geluidshinder bij [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tot gevolg zal hebben. De raad heeft het rapport "Akoestisch onderzoek industrielawaai Gervenhof, Putten" van Buro Ontwerp & Omgeving van 22 december 2022 (hierna: het akoestisch onderzoek) aan het plan ten grondslag gelegd. In het akoestisch onderzoek is de toekomstige geluidsbelasting bij nieuwe en bestaande woningen berekend. In het akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat wordt voldaan aan de richtwaarden uit de VNG-brochure. De VNG-richtafstand bij een supermarkt in gemengd gebied, waarvan hier sprake is, bedraagt 0 m. Het aspect ‘geluid’ vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan vanwege het aspect geluid in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
De betogen slagen niet.
Luchtkwaliteit
7. [appellant sub 1] betoogt dat de voorziene ontwikkeling een verslechterde luchtkwaliteit tot gevolg zal hebben, door de extra verkeersbewegingen en het gebruik van extra energie.
7.1. Paragraaf 4.5 van de plantoelichting gaat in op het aspect luchtkwaliteit. Omdat sprake is van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) hoeft niet getoetst te worden aan de grenswaarden van de Wet milieubeheer. Ook staat in de plantoelichting dat de toets alsnog is uitgevoerd en dat de luchtkwaliteit voldoet aan de voorkeurswaarden. [appellant sub 1] heeft geen aanknopingspunten geboden waarom dit niet juist zou zijn.
Het betoog slaagt niet.
Behoefte
8. [appellante sub 3] betoogt dat er geen behoefte is aan de voorziene, grotere supermarkt, en verwijst hierbij naar de notities: "Notitie en reactie Sweco/BSP op rapportage Ginder 'Actualisatie ruimtelijk economische effectenstudie Boni ontwikkeling Putten’" van 22 mei 2023 van Sweco en een notitie van 25 juli 2023 van Sweco. Volgens [appellante sub 3] is er onvoldoende marktruimte en gaat het onderzoek van Ginder waar de behoefteonderbouwing op gebaseerd is, uit van een lagere marktverzadiging dan had moeten.
8.1. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Samengevat strekt artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro tot bevordering van zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder het voorkomen van onnodig ruimtebeslag, en het voorkomen van onaanvaardbare leegstand.
8.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.26 en verder, moet [appellante sub 3] om als concurrent een beroep te kunnen doen op artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, aannemelijk maken dat de voorziene ontwikkeling tot relevante leegstand zal leiden. Relevante leegstand als hiervoor bedoeld wordt niet al aangenomen als de voorziene ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt door een plan, leidt of kan leiden tot een verminderde vraag naar producten of diensten en daardoor tot daling van omzet en inkomsten van de eigen onderneming of de desbetreffende vestiging. Het enkele feit dat de voorziene ontwikkeling kan leiden tot beëindiging van de eigen bedrijfsactiviteiten ter plaatse en daardoor tot leegstand van het in gebruik zijnde bedrijfsgebouw is op zichzelf eveneens onvoldoende om te concluderen dat zich relevante leegstand zal voordoen. Dit kan echter onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld indien het bedrijfsgebouw dermate bijzondere bouwkundige dan wel locatie-specifieke eigenschappen heeft, dat andersoortig gebruik - al dan niet door transformatie - niet of onder zeer bezwarende omstandigheden tot de mogelijkheden behoort, wat niet licht zal kunnen worden aangenomen. Ook zou relevante leegstand zich voor kunnen doen bij leegstand als gevolg van de voorziene ontwikkeling in de omgeving van het bij de concurrent in gebruik zijnde bedrijfspand. Niet aannemelijk hoeft te worden gemaakt dat het project zal kunnen leiden tot relevante leegstand van identieke zaken, bijvoorbeeld supermarkten. Voldoende is dat aannemelijk wordt gemaakt dat het project kan leiden tot leegstand van omliggende panden en dat die leegstand relevant kan zijn voor het ondernemingsklimaat in de directe omgeving van de winkel van de concurrent.
8.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de grotere supermarkt op de voorziene locatie kan leiden tot leegstand van omliggende panden en dat die leegstand relevant kan zijn voor het ondernemingsklimaat in de directe omgeving van de winkel van de concurrent. De door [appellante sub 3] aangedragen kritiekpunten op het behoefteonderzoek dat aan het plan ten grondslag ligt, zijn hiervoor onvoldoende. In dit geval staat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze beroepsgrond. De Afdeling zal de beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.
Parkeren
9. [appellante sub 3] en [appellant sub 1] betogen dat het plan tot parkeeroverlast leidt. Er ontstaat volgens [appellante sub 3] en [appellant sub 1] een ontoelaatbare situatie die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. [appellante sub 3] en [appellant sub 1] verwijzen naar de notitie "Vier jaar aan ruimtelijke plannen in Putten: een overzicht van de parkeer- en verkeersproblematiek op de Gervenhof en in de omgeving" van 27 juli 2023 van Royal HaskoningDHV. Hieruit blijkt volgens hen dat de huidige situatie al problematisch is. Door de voorziene ontwikkeling zal er een tekort zijn van 56 tot 61 parkeerplaatsen. Er is ten onrechte geen rekening gehouden met andere ontwikkelingen in het centrum van Putten die negatieve gevolgen zullen hebben op de parkeersituatie, zoals de ontwikkeling van het parkeerterrein aan de Achterstraat 18 en de vaststelling van de Omgevingsvisie 2040.
Verder voert [appellante sub 3] aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de parkeerbehoefte van de kringloopwinkel die hoger is dan wordt aangenomen door de raad. Zij verwijst daartoe naar de verleende omgevingsvergunning voor de kringloopwinkel en wat daarover is overwogen door de rechtbank Gelderland in haar uitspraak van 28 september 2023 (ECLI:NL:RBGEL:20230:5361). Voor de berekening van de parkeerbehoefte van het plan is namelijk uitgegaan van een te lage parkeernorm voor de kringloopwinkel, aldus [appellante sub 3] en [appellant sub 1]. Er moeten hiervoor 25 extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Zij wijzen er daarbij op dat op grond van artikel 9.2 van het plan bij de verlening van zowel omgevingsvergunningen voor bouwen conform het plan als omgevingsvergunningen voor het afwijken van het plan worden getoetst aan de Nota parkeernormen Putten (hierna: de parkeernota), terwijl dat is niet gebeurd. Het college legt volgens [appellante sub 3] de planregel anders uit dan de raad door te stellen dat niet getoetst hoeft te worden aan de parkeernota indien de aanvraag voor een omgevingsvergunning past binnen de gebruiksregels van het plan. Hieruit blijkt volgens [appellante sub 3] dat artikel 9.2 van de planregels onduidelijk is, wat tot rechtsonzekerheid leidt.
Ook is volgens [appellante sub 3] een te lage parkeernorm gehanteerd voor de multifunctionele ruimte. Volgens [appellante sub 3] had hierbij gekozen moeten worden voor de toegestane functie met de hoogste parkeernorm, dus ‘restaurant’ in plaats van ‘café, bar, cafetaria’, omdat van de maximale planologische mogelijkheden uitgegaan moet worden.
Verder is volgens [appellante sub 3] ten onrechte de volledige parkeernorm in plaats van die bij dubbelgebruik in het piekmoment gehanteerd voor de aftrek van de parkeerbehoefte door het verdwijnen van woonwinkel Kok. Ook is niet bij de berekening betrokken dat het pand al langdurig leeg staat.
9.1. Artikel 9.2 van de planregels luidt:
"a. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen of een omgevingsvergunning voor een gebruiksverandering moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen of andere voertuigen in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel. Dit betekent dat, voor zover in de bestemmingsregels geen parkeernormen zijn opgenomen, moet worden voldaan aan de parkeernormen zoals opgenomen in Bijlage 2 Nota parkeernormen en dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging;
b. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel.
c. Gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in sub a en b, dienen na de realisering in stand te worden gehouden.
d. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in sub a en b:
1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien."
9.2. Waar in artikel 9.2 van de planregels wordt verwezen naar "Bijlage 2 Nota parkeernormen", gaat het om de Nota parkeernormen Putten uit 2016 (hierna: parkeernota 2016). Het artikel bevat geen dynamische verwijzing. In de planregel staat weliswaar dat rekening gehouden moet worden met wijzigingen van het parkeerbeleid, maar niet dat voldaan moet worden aan de parkeernormen uit een opvolgend beleid. Dit betekent dat getoetst moet worden aan de parkeernota 2016, want die gold ten tijde van de vaststelling van het plan.
De raad heeft gedurende de procedure een nieuwe parkeerbalans overgelegd waarbij de parkeernota "Nota parkeernormen Putten 2024" (hierna: parkeernota 2024) is toegepast. Maar dat is niet de parkeernota waaraan op grond van het plan moet worden voldaan, zoals hiervoor is uiteengezet. Daarom ligt ter toetsing voor de parkeerbalans in het rapport "Ontwikkeling Gervenhof te Putten. Onderzoek parkeren" van Sweco van 11 november 2022, die is opgesteld met gebruikmaking van de parkeernota 2016 en is opgenomen als bijlage bij de plantoelichting.
Kort gezegd concludeert de parkeerbalans dat er een parkeervraag is van 124 of 129 parkeerplaatsen en dat in het parkeeraanbod een tekort is van 0 tot 3 parkeerplaatsen. Dat tekort kan volgens de plantoelichting worden opgelost als 12 parkeerplaatsen onder het appartementengebouw openbaar toegankelijk zijn.
9.3. De Afdeling is van oordeel dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet hoeft te worden gevreesd voor parkeeroverlast. De Afdeling legt dat hierna uit.
Om het laden en lossen van de nieuwe supermarkt mogelijk te maken, moeten 5 parkeerplaatsen vervallen. In de parkeerbalans wordt echter nog uitgegaan van het bestaan van die vijf parkeerplaatsen. In zoverre klopt de parkeerbalans dus niet.
Voor zover de raad verwijst naar 16 parkeerplaatsen onder de Plus die in eigendom zijn bij de ontwikkelaar en gebruikt kunnen worden als parkeerplaatsen voor de functies waar het plan in voorziet, overweegt de Afdeling dat niet publiekrechtelijk is geborgd dat deze parkeerplaatsen hiervoor gebruikt kunnen worden. Als de parkeerplaatsen onder de Plus voor bewoners van de nieuwe appartementen worden gebruikt, kan hier geen dubbelgebruik plaatsvinden. Hier is in de berekening van het parkeeraanbod geen rekening mee gehouden.
In zoverre slagen de betogen.
Hoe de parkeerbehoefte bij de verlening van de omgevingsvergunning voor de kringloopwinkel is berekend door het college ligt in deze zaak niet voor. De Afdeling acht artikel 9.2 van de planregels overigens voldoende duidelijk en niet rechtsonzeker.
Verder is de Afdeling van oordeel dat de raad voor het bepalen van de parkeerbehoefte van de multifunctionele ruimte (multiruimte) heeft kunnen kiezen voor de functie horeca (café, bar, cafetaria). De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dat geen representatieve invulling voor de multiruimte is. De Afdeling wijst er in dit verband in de eerste plaats op dat de raad moet uitgaan van een representatieve invulling van de planologische mogelijkheden en dat bij vergunningverlening aan de parkeernorm voor de gekozen functie getoetst moet worden. De raad hoeft niet uit te gaan van de maximale planologische mogelijkheid om dan voor elke functie te kiezen voor de functie met de hoogste parkeernorm. De raad heeft verder toegelicht dat de gebruiker van de multiruimte nog niet bekend is, maar dat een aan het winkelen gerelateerde horecafunctie maar ook commerciële dienstverlening mogelijk is. Voor deze situatie is de functie met de hogere parkeervraag gehanteerd, te weten horeca (café, bar, cafetaria).
Verder heeft de raad toegelicht dat voor het vervallen van de functie van de woonwinkel Kok is uitgegaan van het maatgevende moment, op zaterdagmiddag en dat wel degelijk rekening is gehouden met dubbelgebruik. Woonwinkel Kok stond overigens naar het oordeel van de Afdeling ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet zo langdurig leeg dat het vervallen van deze functie niet kan worden betrokken in de berekening van het parkeeraanbod.
Met toekomstige ontwikkelingen die nog niet concreet waren ten tijde van de vaststelling van het plan hoefde de raad nog geen rekening te houden bij het opstellen van de parkeerbalans.
In zoverre slagen de betogen niet.
Laden en lossen
10. [appellante sub 3], [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan tot verkeersonveilige situaties leidt door het laden en lossen bij de nieuwe supermarkt. Het plan voorziet in een laad- en lossituatie voor die supermarkt, die voor bevoorradend vrachtverkeer praktisch onuitvoerbaar is. De route voor achteruitrijdende vrachtwagens van en naar de loslocatie kruist die van bezoekers en passanten, waaronder schoolgaande kinderen. Het aanpassen van de route voor laden en lossen zal het parkeertekort echter vergroten. Verder leidt het laden en lossen tot een verminderde bereikbaarheid, omdat de onmogelijke inrijhoek voor vrachtverkeer naar de laad- en loslocatie tot verkeersopstoppingen zal leiden.
10.1. Voor zover dit door [appellante sub 3] is betoogd, staat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze beroepsgrond. Het laden en lossen zal plaatsvinden aan de zuidzijde van het plangebied, terwijl de ingang van de Plus zich aan de andere kant van het parkeerterrein op een afstand van circa 90 m bevindt. Die ingang blijft toegankelijk. De norm van een goede ruimtelijke ordening wat betreft verkeersveiligheid strekt daarmee niet tot bescherming van het belang van [appellante sub 3]
10.2. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dit hebben betoogd, overweegt de Afdeling als volgt. De nieuwe supermarkt zal worden bevoorraad aan de zijde van het Gervenhof. Bevoorrading vindt plaats met trucks met oplegger. De raad heeft een tekening overgelegd waarop de rijcurves voor een aanrijdende en vertrekkende vrachtwagen zijn weergegeven. Er is een laadkuil ingetekend bij de nieuwe supermarkt die aansluit op de zuidwestelijke hoek van het pand. Ook heeft de raad toegelicht dat de routering die in de plantoelichting is genoemd, is aangepast. Het aan- en afrijden zal via de Engweg plaatsvinden en niet via de Molenstraat. De vrachtwagen zal achteruit de laadkuil insteken en weer uitrijden via dezelfde route. Door het verdwijnen van 5 parkeerplaatsen kan de daarvoor benodigde draai worden gemaakt. Omdat het laden en lossen plaatsvindt op een grote parkeerplaats, en bijvoorbeeld niet bij een straat of steegje, zal voor mensen die komen aanrijden of fietsen goed zichtbaar zijn dat er wordt geladen en gelost. Kortom, naar het oordeel van de Afdeling is een uitvoering van het bestemmingsplan mogelijk waarbij verkeersveilig geladen en gelost kan worden.
Het betoog slaagt niet.
Verkeer
11. [appellante sub 3] betoogt dat ten onrechte niet is onderzocht wat de aanvullende verkeersaantrekkende werking van het plan is. Er is uitgegaan van een acceptabele verkeerssituatie zonder rekening te houden met andere ontwikkelingen in de omgeving, zoals de vestiging van een Aldi aan de Engweg. De situatie op de Engweg is ten onrechte niet onderzocht, terwijl het de vraag is of de Engweg en met name het kruispunt Engweg-Gervenhof het verkeer wel aan kan.
11.1. De raad heeft de notitie "Notitie verkeersafwikkeling kruispunt Engweg - Gervenhof te Putten" van Sweco van 6 december 2023 (hierna: de verkeersnotitie) aan het plan ten grondslag gelegd. In de verkeersnotitie is geconcludeerd dat de totale verkeersgeneratie voor de nieuwe functies 2.033 mvt/etmaal is. Hierdoor neemt de maatgevende wachttijd op het kruispunt Engweg - Gervenhof toe van 15 tot 20 seconden. Volgens de verkeersnotitie is dit een acceptabele wachttijd. De Afdeling ziet, gelet hierop, geen aanleiding voor het oordeel dat de verkeersaantrekkende werking niet goed is onderzocht of dat niet voldoende is onderzocht of het kruispunt het verkeer kan verwerken. Met toekomstige, nog niet concrete ontwikkelingen hoefde de raad geen rekening te houden.
Het betoog slaagt niet.
Zienswijze
12. Voor zover [appellante sub 3] heeft verzocht om de inhoud van haar zienswijzen als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de nota van zienswijzen is ingegaan op deze zienswijzen. [appellante sub 3] heeft in het beroepschrift en op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijzen, voor zover hiervoor niet besproken, onjuist zou zijn.
Conclusie
13. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Voor haar is deze uitspraak een einduitspraak, zodat hiermee haar procedure bij de Afdeling ten einde komt. De raad hoeft geen proceskosten van [appellant sub 2] te vergoeden.
14. Gelet op wat onder 9.3 van deze uitspraak is overwogen, is het plan vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.
15. Vanwege het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om de raad met toepassing van artikel 8:51d van de Awb op te dragen binnen een termijn van 16 weken het hiervoor in overweging 9.3 geconstateerde gebrek te herstellen. De raad moet, met inachtneming van wat in 9.3 is vermeld, het besluit van 25 mei 2023 alsnog deugdelijk motiveren of in plaats daarvan een ander besluit nemen.
De raad hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of een nieuw besluit niet opnieuw afdeling 3.4 van de Awb toe te passen. De raad moet de Afdeling en [appellant sub 1] en [appellante sub 3] de uitkomst meedelen en een eventueel gewijzigd of een nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, blijft op een gewijzigd of nieuw besluit het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing.
16. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht van [appellant sub 1] en [appellante sub 3] Dit geldt ook voor het verzoek van [appellante sub 3] voor vergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Putten van 25 mei 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Gervenhof & Dorpsstraat e.o." ongegrond;
II. draagt de raad van de gemeente Putten naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellante sub 3] en Familie Dee Beheer B.V op:
- om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen onder 9.3 en 15 van deze uitspraak het daar omschreven gebrek in het besluit van de raad van de gemeente Putten van 25 mei 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Gervenhof & Dorpsstraat e.o." te herstellen;
- de Afdeling en andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. van der Kolk, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Van der Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
944