202407576/1/A2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Honselersdijk, gemeente Westland,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2024 in zaak nr. 24/2396 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Westland.
Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2023 heeft de burgemeester het zalencentrum aan de [locatie] in Honselersdijk (hierna: het zalencentrum) met ingang van 17 maart 2023 voor de duur van één maand gesloten.
Bij besluit van 12 februari 2024 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. Ligtenberg, advocaat in Den Haag, en [gemachtigde], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.S.E. Breems en mr. J.A.W. Verbruggen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij besluit van 6 januari 2022 heeft de burgemeester [appellante] een exploitatievergunning voor het zalencentrum verleend. Naar aanleiding van incidenten die op 16 april 2022 hebben plaatsgevonden, heeft de burgemeester, bij besluit van 25 mei 2022, de exploitatievergunning met ingang van 27 mei 2022 gewijzigd. Aan de gewijzigde vergunning heeft hij onder meer de voorschriften verbonden dat de vergunninghouder of leidinggevende ervoor zorgt dat het komen en gaan van bezoekers op een ordelijke wijze, zonder overlast voor de omgeving en verstoring van de openbare orde, plaatsvindt en dat geen (geluids)overlast voor omwonenden van de horeca-inrichting wordt veroorzaakt (hierna: voorschriften 4 en 5).
2. Bij besluit van 8 maart 2023 heeft de burgemeester aan [appellante] een last onder bestuursdwang opgelegd. Onder verwijzing naar meldingen van 12, 23 en 24 februari 2023 heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat [appellante] in strijd met voorschriften 4 en 5 heeft gehandeld. Door het gedrag van bezoekers van het zalencentrum werd de openbare orde in de omgeving herhaaldelijk verstoord, ontstond steeds weer grote overlast voor de omgeving en kwam de verkeersveiligheid ernstig in gevaar. [appellante] heeft als exploitant een verantwoordelijkheid voor deze aantastingen van de openbare orde. Omdat [appellante] in strijd met voorschriften 4 en 5 heeft gehandeld, was de burgemeester genoodzaakt om handhavend op te treden. Er waren geen bijzondere omstandigheden om daarvan af te zien, aldus de burgemeester.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft onder meer de volgende overwegingen aan haar uitspraak ten grondslag gelegd.
3.1. De burgemeester mocht op grond van de drie meldingen overgaan tot handhaving. De meldingen waren voldoende objectiveerbaar en controleerbaar en zagen naar alle waarschijnlijkheid op gedragingen van de bezoekers van het zalencentrum. De burgemeester heeft zich op basis van de meldingen op het standpunt kunnen stellen dat [appellante] de voorschriften uit de exploitatievergunning heeft overschreden en dat hij om die reden handhavend mocht optreden.
3.2. Dat [appellante], zoals zij heeft gesteld, geen gezag heeft buiten het terrein van het zalencentrum en dus niet kan ingrijpen indien bezoekers racen en driften buiten haar terrein, leidt niet tot een ander oordeel. Het lag op haar weg om maatregelen te treffen om het racen met auto's en de verstoring van de openbare orde te voorkomen. Door iedere verantwoordelijkheid voor het driften en racen met auto's door bezoekers van het zalencentrum uit de weg te gaan, heeft [appellante] willens en wetens het risico aanvaard dat de openbare orde in de omgeving van het zalencentrum werd verstoord.
3.3. De rechtbank heeft gewezen op de vaste rechtspraak van de Afdeling waarin is bepaald dat voor de sluiting van een inrichting slechts vereist is dat wordt vastgesteld dat een ernstige verstoring van de openbare orde in directe relatie staat met de aanwezigheid dan wel met de exploitatie van de inrichting. De burgemeester heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er minder overlast zou zijn voor de omgeving van het zalencentrum als [appellante] niet in Honselersdijk gevestigd zou zijn. [appellante] heeft onvoldoende gedaan om te beletten dat bezoekers van het zalencentrum overlast veroorzaken.
Beoordeling van het hoger beroep
4. [appellante] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Zij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester de meldingen van 12, 23 en 24 februari 2023 ten grondslag heeft mogen leggen aan het sluitingsbevel. Zij betwist dat op grond van deze meldingen vaststaat dat er op die dagen overlast was. Verder vindt zij dat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde overlast door bezoekers van het zalencentrum is veroorzaakt. Bovendien heeft zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voldoende maatregelen genomen om overlast te voorkomen. Zij benadrukt dat als bezoekers zich buiten haar terrein misdragen, zij niet daartegen kan optreden, zodat de burgemeester de gestelde gedragingen van die bezoekers ten onrechte aan haar heeft toegerekend.
Beoordeling van het hoger beroep
4.1. Op de zitting van de Afdeling heeft de burgemeester desgevraagd bevestigd dat met de voorwaarden 4 en 5 is beoogd om [appellante] een inspanningsverplichting ter voorkoming van overlast op te leggen.
4.2. Niet in geschil is dat [appellante] voor alle evenementen in het zalencentrum maatregelen heeft genomen ter voorkoming van overlast door bezoekers. Zo mogen bezoekers volgens de huisregels, die ook in de algemene voorwaarden zijn opgenomen, bij vertrek geen geluidsoverlast voor omwonenden veroorzaken en in de nabije omgeving niet met de auto hard optrekken of hard remmen, claxonneren of racen op straffe van het inhouden van de borgsom. Ook bij het afsteken van vuurwerk zal [appellante] de borgsom inhouden. Verder zijn er altijd beveiligers ter plaatse die bezoekers op de huisregels attenderen. Bij de in- en uitgang van het zalencentrum zijn schermen geplaatst waarop de huisregels zichtbaar zijn. Verder heeft [appellante] regelmatig (e-mail)contact met de gemeente Westland over de overlastklachten en heeft zij ook zelf meldingen van overlast gedaan bij de politie of de wijkagent. De burgemeester heeft niet aannemelijk gemaakt dat [appellante] voorafgaand aan de incidenten van 12, 23 en 24 februari 2023 meer had kunnen doen ter voorkoming van de overlast. Overigens is op de zitting gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de situatie ter plaatse is verbeterd sinds zij nieuwe afspraken hebben gemaakt die aan de nieuwe exploitatievergunning van 2 januari 2024 ten grondslag zijn gelegd.
4.3. Op 12 februari 2023 heeft de gemeente van omwonenden van het zalencentrum een melding ontvangen over overlast door het door bezoekers van het zalencentrum racen met sportauto’s op de Dijkweg. Op 23 februari 2023 zijn bij de gemeente meerdere meldingen binnengekomen over bezoekers van het zalencentrum die zwaar vuurwerk afsteken, lawaai maken en met auto's racen in de nabije omgeving van het zalencentrum. Op 24 februari 2023 is een melding ontvangen over bezoekers van het zalencentrum die in de directe omgeving van het zalencentrum met auto’s zouden driften.
4.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de burgemeester de meldingen van 12, 23 en 24 februari 2023 ten grondslag heeft mogen leggen aan het sluitingsbesluit. Voor het geval de in deze meldingen bedoelde overlast daadwerkelijk door bezoekers van het zalencentrum is veroorzaakt, brengt dat nog niet met zich dat [appellante] in strijd met haar inspanningsverplichting heeft gehandeld. Ten aanzien van de meldingen van 23 februari 2023 is verder van belang dat [appellante] direct actie heeft ondernomen om verdere (geluids)overlast te voorkomen. Zo heeft een toezichthouder van [appellante] weten te verhinderen dat nog meer vuurwerk werd afgestoken. De politie heeft in verband met deze meldingen te kennen gegeven dat [appellante] alles heeft gedaan om escalatie en overlast te voorkomen. Ten slotte heeft [appellante] op 24 februari 2023 zelf een melding gedaan over hard rijden, driften en een onrustige sfeer rondom het zalencentrum, zodat de politie kon controleren. [appellante] heeft aldus gehandeld zoals van een redelijk handelend exploitant van het zalencentrum kan worden verwacht. Dat zij een melding heeft gedaan bij de politie ter voorkoming van verdere overlast, kan niet in haar nadeel worden uitgelegd.
4.5. De sluiting van een inrichting is een verstrekkend middel dat de burgemeester kan inzetten ten behoeve van de openbare orde. De burgemeester heeft, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk gemaakt dat de inzet van dit middel in dit geval gerechtvaardigd was. [appellante] heeft, door de eerder vermelde maatregelen te nemen om (geluids)overlast voor omwonenden te voorkomen, voldaan aan haar inspanningsverplichting, zoals opgenomen in de exploitatievergunning.
Het betoog slaagt.
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellante] tegen het besluit van 12 februari 2024 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigen. De Afdeling zal het geschil definitief beslechten door met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Zij zal het besluit van 8 maart 2023 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 12 februari 2024.
6. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2024 in zaak nr. 24/2396;
III. verklaart het door [appellante] ingestelde beroep tegen het besluit van de burgemeester van Westland van 12 februari 2024 gegrond;
IV. vernietigt dat besluit;
V. herroept het besluit van de burgemeester van Westland van 8 maart 2023;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 12 februari 2024;
VII. veroordeelt de burgemeester van Westland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.068,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de burgemeester van Westland aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 930,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
452-1180