202303555/1/R1.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Betaalbare Woonstad Amsterdam, gevestigd in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2023 in zaak nr. 21/3982 in het geding tussen:
de stichting
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2021 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwkundig splitsen van een zelfstandige woonruimte naar vier zelfstandige woonruimten op de locatie [locatie] in Amsterdam.
Bij besluit van 21 juni 2021 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 7 april 2023 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 juni 2021 vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar van de stichting niet-ontvankelijk is verklaard, het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 november 2025, waar stichting Betaalbare Woonstad Amsterdam, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. C. Schölvinck, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het college heeft aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwkundig splitsen van een zelfstandige woonruimte naar vier zelfstandige woonruimten op de locatie [locatie] in Amsterdam. Een aantal bewoners en de stichting waren het hier niet mee eens en hebben hiertegen bezwaar gemaakt. In deze zaak gaat het om het bezwaar van de stichting dat door het college niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens de rechtbank heeft het college het bezwaar van de stichting ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft vervolgens zelf in de zaak voorziend het bezwaar van de stichting ongegrond verklaard. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012, waar de stichting een beroep op heeft gedaan, niet strekken tot bescherming van de belangen van de stichting. Dit is het zogenoemde relativiteitsvereiste dat in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is opgenomen. In deze uitspraak zal de Afdeling ingaan op de vraag of de rechtbank terecht tot die conclusie is gekomen.
Hoger beroep van de stichting en de beoordeling ervan
2. De stichting betoogt dat de rechtbank haar ten onrechte het relativiteitsvereiste heeft tegengeworpen. De stichting voert hiertoe aan dat juist het nastreven dat de kwaliteit van de woningvoorraad wordt bevorderd door zich ervoor in te spannen dat woningen worden verbouwd conform het Bouwbesluit één van de statutaire doelen van de stichting is. De stichting voert verder aan dat zij ook nu nog feitelijke werkzaamheden uitvoert om deze doelen na te streven.
2.1. In artikel 8:69a van de Awb staat: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
2.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
2.3. De door de stichting ingeroepen normen uit het Bouwbesluit, te weten de bepalingen uit hoofdstukken 4 en 6 van het Bouwbesluit, strekken tot de bescherming van de belangen van de bewoners en gebruikers van [locatie] en niet die van de stichting. Hoofdstuk 4 bevat namelijk technische bouwschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid en hoofdstuk 6 bevat voorschriften over installaties. Deze voorschriften zien op de bescherming van de belangen van de bewoners en gebruikers van [locatie] en niet op die van de stichting. Gelet op het voorgaande staat het relativiteitsvereiste in de weg aan een vernietiging van het besluit op basis van de beroepsgronden over de hierboven genoemde bepalingen uit het Bouwbesluit. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Het betoog van de stichting slaagt niet.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. W. den Ouden en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
594