202505769/1/A2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:145.
Procesverloop
Bij uitspraak van 22 januari 2025, in zaak nr. 202404255/1/A2, ECLI:NL:RVS:2025:145, heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft ongegrond verklaard.
[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
De Afdeling heeft het verzoek op een zitting behandeld op 3 februari 2026, waar [verzoeker] is verschenen.
Overwegingen
1. Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. De Afdeling stelt voorop dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet kan worden gebruikt om het geschil, waarover bij uitspraak is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten, die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw of alsnog naar voren te brengen en daarmee het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.
3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [verzoeker] geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De enkele stelling van [verzoeker] dat er volgens hem stukken in het dossier ontbreken, is onvoldoende grond om de uitspraak te herzien. [verzoeker] heeft nagelaten deze volgens hem relevante stukken over te leggen en toe te lichten waarom deze stukken tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4. Het verzoek om herziening wordt afgewezen. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek om herziening af.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Jurgens
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
1064