202306023/1/A3
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 augustus 2023 in zaak nr. 23/1528 op het verzet van [appellant].
Procesverloop
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 augustus 2023, waarbij zijn verzet tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 juni 2023 ongegrond is verklaard.
De Nationale ombudsman (hierna: ombudsman) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij beslissing van 10 juli 2024 heeft de wrakingskamer van de Afdeling een verzoek van [appellant] om wraking van staatsraden mr. C.H. Bangma en mr. M. den Heyer buiten behandeling gelaten.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 juli 2024, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G. Heres Hoogerkamp, en de ombudsman, vertegenwoordigd door mr. K. Vaalburg en mr. L.L. Scheppink, zijn verschenen. Op de zitting heeft [appellant] verzocht om wraking van staatsraden mr. C.H.M. van Altena, mr. C.H. Bangma en mr. M. den Heyer. Op 2 augustus 2024 heeft de wrakingskamer van de Afdeling het verzoek op een zitting behandeld. [appellant] heeft het verzoek daarna ingetrokken.
Op 3 september 2024 heeft [appellant] opnieuw verzocht om wraking van staatsraden Van Altena, Bangma en Den Heyer. Na behandeling van het verzoek op 1 oktober 2024 op een zitting van de wrakingskamer heeft de gemachtigde van [appellant] verzocht om wraking van de staatsraden die deel uitmaken van de wrakingskamer. Bij brief van 15 oktober 2024 heeft de voorzitter van de wrakingskamer de gemachtigde van [appellant] medegedeeld dat dit verzoek, wegens evident misbruik van het wrakingsmiddel, niet in behandeling wordt genomen. Vervolgens heeft de gemachtigde van [appellant] verzocht om wraking van de voorzitter van de wrakingskamer. Bij brief van 16 oktober 2024 heeft de voorzitter van de wrakingskamer de gemachtigde van [appellant] medegedeeld dat dit verzoek, wegens evident misbruik van het wrakingsmiddel, niet in behandeling wordt genomen. Bij beslissing van dezelfde dag heeft de wrakingskamer het verzoek om wraking van staatsraden Van Altena, Bangma en Den Heyer afgewezen. Daarbij heeft de wrakingskamer bepaald dat een volgend verzoek van [appellant] in deze zaak, wegens gemaakt misbruik van de bevoegdheid om een verzoek om wraking in te dienen, niet in behandeling wordt genomen.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de geschorste behandeling van de zaak voortgezet op een zitting op 12 januari 2026, waar de ombudsman, vertegenwoordigd door mr. L.L. Scheppink, is verschenen. [appellant] en zijn gemachtigde hebben via een online videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
1. [appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid. Hangende het beroep heeft de ombudsman een besluit op dat verzoek genomen. [appellant] heeft vervolgens het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om de ombudsman in de proceskosten te veroordelen. Bij de uitspraak van 13 juni 2023 heeft de rechtbank dat verzoek met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) als kennelijk ongegrond afgewezen. Hiertegen heeft [appellant] verzet gedaan. Bij de uitspraak van 25 augustus 2023 heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard. Hiertegen heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
2. De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Gelet op artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, kan daartegen geen hoger beroep worden ingesteld. Voor kennisneming van een hoger beroep in weerwil van deze bepaling kan grond bestaan, in geval van zodanige schending van beginselen van een goede procesorde, dan wel fundamentele rechtsbeginselen, dat geoordeeld moet worden dat er geen eerlijk proces is geweest.
3. [appellant] betoogt dat die situatie zich voordoet. Volgens hem heeft de rechtbank het zijn gemachtigde onmogelijk gemaakt om het verzet op een zitting toe te lichten, een bij brief van 1 december 2023 [lees: 1 augustus 2023] ingediend stuk ten onrechte niet bij haar beoordeling betrokken, zich ten onrechte niet beperkt tot toetsing van de toepassing door de rechtbank van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, en ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
4. De Afdeling is van oordeel dat er geen sprake is van zodanige schending van beginselen van een goede procesorde, dan wel fundamentele rechtsbeginselen, dat geoordeeld moet worden dat er geen eerlijk proces is geweest.
4.1. Namens [appellant] heeft de gemachtigde op 26 juni 2023 een verzetschrift ingediend. Op 26 juli 2023 heeft de rechtbank de gemachtigde een uitnodiging gestuurd om op 14 augustus 2023 aanwezig te zijn bij de behandeling van het verzet op een zitting in Groningen. Bij de brief van 1 augustus 2023 heeft de gemachtigde de behandelend rechter medegedeeld dat hij graag een bijdrage zal leveren aan de mondelinge behandeling van het verzet, maar er de voorkeur aan te geven dit via een videoverbinding te doen, gelet op de grote afstand tussen de rechtbank in Groningen en zijn vestigingsplaats in Frankrijk. Bij brief van eveneens 1 augustus 2023 heeft de rechtbank de gemachtigde medegedeeld dat de zitting alleen fysiek op locatie zal plaatsvinden en het verzoek om deelname aan de zitting via videoverbinding afgewezen. Bij e-mail van 3 augustus 2023 heeft de gemachtigde van [appellant] aan een administratief medewerker van de rechtbank medegedeeld dat hij de behandelend rechter kan laten weten dat hij noch [appellant] voor de mondelinge behandeling van het verzet naar de rechtbank in Groningen zal komen en dat het verder aan de behandelend rechter is om te bezien wat hij met die informatie doet.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank [appellant] en zijn gemachtigde overeenkomstig artikel 8:55, vierde lid, van de Awb in de gelegenheid gesteld op een zitting te worden gehoord. Artikel 2.14a van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 biedt de bestuursrechter beslisruimte bij de beoordeling van een verzoek van een partij om via een videoverbinding aan een zitting deel te nemen. De rechtbank heeft kennelijk in dit geval het belang van de fysieke aanwezigheid van [appellant] en zijn gemachtigde op de zitting zwaarder laten wegen dan het belang van [appellant] om zijn gemachtigde via een videoverbinding aan de zitting te laten deelnemen. Dit levert geen schending op als hiervoor bedoeld onder 4.
4.2. Het door [appellant] bij zijn brief van 1 augustus 2023 in verzet ingebrachte stuk, een geanonimiseerd processtuk in een andere zaak, bevindt zich in het verzetdossier van de rechtbank. Verder heeft de behandelend rechter bij brief van 28 september 2023 in reactie op een brief van de gemachtigde van [appellant] van 18 september 2023 laten weten dat de bij brief van 1 september 2023 [lees: 1 augustus 2023] toegezonden nadere stukken deel uitmaken van het dossier en bij de uitspraak op het verzet zijn betrokken. Van schending van een beginsel als hiervoor bedoeld onder 4 is niet gebleken.
4.3. Uit wat [appellant] aanvoert over de wijze van toetsing door de rechtbank en het door haar gegeven oordeel over beroepsmatige rechtsbijstand volgt evenmin dat sprake is van zodanige schending van beginselen van een goede procesorde, dan wel fundamentele rechtsbeginselen, dat geoordeeld moet worden dat er geen eerlijk proces is geweest. De onjuistheid van de verzetuitspraak, voor zover daar al sprake van zou zijn, kan op zichzelf niet tot die conclusie leiden.
5. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
6. De ombudsman hoeft geen proceskosten te vergoeden.
7. Redelijke toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb brengt met zich dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht voor het hoger beroep terugbetaalt.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;
II. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 voor het hoger beroep terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
620