202404333/1/R2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. Middenweg Agro B.V., gevestigd in Andel, gemeente Altena,
2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend in Andel, gemeente Altena,
3. [appellant sub 3], wonend in Andel, gemeente Altena,
4. het college van burgemeester en wethouders van Altena,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 juni 2024 in zaken nrs. 23/1280, 23/1868, 23/1915, 23/2095 in het geding tussen:
Middenweg Agro, [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan Middenweg Agro voor de bouw van een kassencomplex voor glastuinbouw en het realiseren van een daarmee samenhangende huisvesting voor arbeidsmigranten aan de Middenweg 14 in Andel.
Bij uitspraak van 6 juni 2024 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3], ingestelde beroep niet ontvankelijk verklaard, de door Middenweg Agro, [appellant sub 2] en anderen, met uitzondering van [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3], en [appellant sub 3] ingestelde beroepen gegrond verklaard, de omgevingsvergunning van 6 februari 2023 vernietigd voor zover het betreft de voorschriften 1, 3 en 7 en zelf voorziend voorschrift 1 aan de omgevingsvergunning verbonden, inhoudende dat in de te realiseren huisvesting voor arbeidsmigranten met een logiesfunctie uitsluitend en maximaal 274 arbeidsmigranten mogen worden gehuisvest die werkzaam zijn op een locatie van het bedrijf en dat de huisvesting gecertificeerd moet zijn volgens de Stichting Normering flexwonen (SNF) of daaraan gelijk te stellen.
Tegen deze uitspraak hebben Middenweg Agro en [appellant sub 2] en anderen hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 3] en het college hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 2] en anderen, het college en Middenweg Agro hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 28 oktober 2025, waar Middenweg Agro, vertegenwoordigd door mr. F.K. van den Akker, advocaat in Eindhoven, en [gemachtigde], [appellant sub 2] en anderen, bijgestaan dan wel vertegenwoordigd door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat in Bodegraven, en [persoon 1], [appellant sub 3], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.P. Euverman, advocaat in Breda, S. Kammer-Nieuwhuizen en R. Dekker, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 21 april 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Middenweg Agro is gevestigd aan de Middenweg 4 in Andel en exploiteert daar een agrarisch bedrijf in de vorm van een glastuinbouwbedrijf. Zij is voornemens haar bedrijf uit te breiden op het nabijgelegen perceel aan de Middenweg 14 in Andel. Zij heeft op 21 april 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een kassencomplex voor glastuinbouw en het realiseren van daarmee samenhangende huisvesting voor 274 arbeidsmigranten aan de Middenweg 14 in Andel. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in artikel 3.5.8 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied - Middenweg ong - 2017".
[appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] zijn omwonenden. Zij kunnen zich niet verenigen met de huisvesting van de arbeidsmigranten.
2.1. Het wettelijk kader en de relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Toetsingskader
3. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Aangevallen uitspraak
4. De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] niet ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3] geen zienswijze hebben ingediend en, gelet op de afstanden en de omstandigheid dat zij geen zicht hebben op de planlocatie, geen belanghebbenden zijn bij verlening van de omgevingsvergunning. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de voorwaarden d en e van artikel 3.5.8 van de planregels buiten toepassing moeten worden gelaten, zodat alleen arbeidsmigranten die werkzaam zijn op het eigen bedrijf (Middenweg 4 en 14) op de planlocatie gehuisvest mogen worden. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat met het opnemen van de voorwaarden d en e een wijziging van het gebruik mogelijk wordt gemaakt, die leidt tot een planologische relevante wijziging van de agrarische bestemming. Daarnaast heeft de rechtbank de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften 3 en 7 geschrapt.
Het beroep van [appellant sub 2] en anderen
- over de ontvankelijkheid
5. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 2] en anderen niet het oordeel van de rechtbank over de niet ontvankelijkheid van [persoon 2] hebben bestreden.
6. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte het beroep, voor zover ingediend door [persoon 1] en [persoon 3], niet ontvankelijk heeft verklaard. Verder betogen [appellant sub 2] en anderen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [persoon 4] geen zienswijze heeft ingediend. Zij voeren aan dat [persoon 1], [persoon 3] en [persoon 4] wel een zienswijze hebben ingediend.
6.1. De rechtbank heeft ten onrechte het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [persoon 1] en [persoon 3]
niet ontvankelijk verklaard. Op de zitting is vastgesteld dat zowel [persoon 1] als [persoon 3] een zienswijze hebben ingediend.
Het betoog slaagt in zoverre.
6.2. [appellant sub 2] en anderen hebben geen zienswijze van [persoon 4] overgelegd en hebben op de zitting laten weten dat zij ook niet beschikken over een zienswijze van [persoon 4]. Het college heeft te kennen gegeven dat het evenmin een zienswijze van [persoon 4] heeft ontvangen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat [persoon 4] geen zienswijze heeft ingediend. Overigens heeft de rechtbank het beroep van [persoon 4] inhoudelijk behandeld, omdat [persoon 4] als belanghebbende moet worden aangemerkt, en dat beroep vervolgens gegrond verklaard, zodat het betoog in zoverre niet kan leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
Het betoog slaagt niet in zoverre.
- voor het overige
7. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de omgevingsvergunning geheel te vernietigen. Zij voeren aan dat artikel 3.5.8 van de planregels niet voldoende objectief is begrensd en daarom buiten toepassing moet blijven. Verder voeren zij aan dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met een goede ruimtelijke ordening en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel. Tot slot voeren zij aan dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met een op 20 september 2021 door de raad genomen voorbereidingsbesluit. Volgens hen stond artikel 2.12, eerste lid, en onder d, van de Wabo, in de weg aan een verlening van de omgevingsvergunning.
7.1. Het college en Middenweg Agro stellen zich op het standpunt dat de beroepsgrond dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met artikel 2.12, eerste lid, en onder d, van de Wabo, voor het eerst in hoger beroep is aangevoerd. Volgens het college en Middenweg Agro is dit in strijd met een goede procesorde. Subsidiair stelt het college zich op het standpunt dat het voorbereidingsbesluit niet betekent dat het college gehouden was om de al door Middenweg Agro vóór het voorbereidingsbesluit ingediende aanvraag te weigeren. Het college meent dat de aanvraag volgens de geldende regels in behandeling kon worden genomen en dat de aanvraag voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.5.8 van de planregels. Als aan de voorwaarden van artikel 3.5.8 van de planregels wordt voldaan, kan de omgevingsvergunning volgens het college worden verleend, ondanks het voornemen van de raad tot het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan. Middenweg Agro stelt zich subsidiair op het standpunt dat het voorbereidingsbesluit niet maakt dat haar vergunning moet worden geweigerd. Zij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3202. Volgens Middenweg Agro is het voorbereidingsbesluit alleen van toepassing op nieuwe aanvragen en niet op aanvragen die zijn ingediend voordat een voorbereidingsbesluit wordt genomen. Volgens Middenweg Agro is de activiteit die met de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Ook voldoet de aanvraag aan de voorwaarden van artikel 3.5.8 van de planregels.
7.2. De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 2] en anderen in hun beroepschrift bij de rechtbank hebben aangevoerd dat de raad om grootschalige huisvesting van arbeidsmigranten te voorkomen op de betreffende locatie een voorbereidingsbesluit heeft genomen, dat de raad om die reden de beleidsregel "Huisvesting van arbeidsmigranten gemeente Altena 2020" heeft ingetrokken en dat de raad het nieuwe beleid moest toepassen, neergelegd in de "Beleidsregel huisvesting van arbeidsmigranten gemeente Altena 2023". Mede hierom achten [appellant sub 2] en anderen het opmerkelijk en onnavolgbaar dat het college desondanks tot vergunningverlening is overgegaan. Op de zitting bij de rechtbank hebben [appellant sub 2] en anderen vervolgens naar voren gebracht dat de raad vanwege het voorbereidingsbesluit geen omgevingsvergunning mocht verlenen. De rechtbank had, mede gelet op artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op grond waarvan de bestuursrechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult, moeten begrijpen dat [appellant sub 2] en anderen bedoelden te betogen dat ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo geen omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder c, van de Wabo kan worden verleend als er strijd is met een voorbereidingsbesluit. Anders dan het college en Middenweg Agro stellen, is deze beroepsgrond dus al bij de rechtbank naar voren gebracht en is er van strijd met de goede procesorde niet gebleken.
7.3. De Afdeling overweegt verder als volgt. Op 20 september 2021 heeft de raad het voorbereidingsbesluit "Middenweg Andel" vastgesteld. Het voorbereidingsbesluit is op 21 september 2021 in werking getreden. Het ontwerpplan "Buitengebied Andel: partiële herziening Middenweg ong." is op 9 september 2022 ter inzage gelegd, zodat binnen een jaar na datum van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit een ontwerp voor een bestemmingsplan ter inzage is gelegd en het voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 3.7, vijfde lid, van de Wro ten tijde van het besluit van 6 februari 2023 niet was vervallen. Ten tijde van het nemen van het besluit van 6 februari 2023 gold dus het voorbereidingsbesluit.
7.4. In het voorbereidingsbesluit is bepaald dat:
a. het in het gebied waarvoor dit voorbereidingsbesluit geldt verboden is bouwwerken te bouwen, werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren en om bouwwerken te slopen voor zover het ziet op de huisvesting van arbeidsmigranten;
b. het verboden is om het gebruik van gronden en/of bouwwerken in het gebied waar het voorbereidingsbesluit van kracht is te wijzigen in een andere vorm van gebruik, waaronder mede wordt verstaan het wijzigen in omvang en/of intensiteit van het gebruik en het gebruik van gronden en bouwwerken voor zover het ziet op de huisvesting van arbeidsmigranten;
c. het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning kan afwijken van het onder a en b genoemde verbod, mits
I. de voorgenomen wijziging van het gebruik niet strijdig is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan en
II. de werken of werkzaamheden de grond in het gebied niet minder geschikt maken voor het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan;
[…].
7.5. Als het college een besluit op een aanvraag neemt, dan moet het in beginsel het recht toepassen dat op dat moment geldt. Bij wijze van uitzondering moet het college het ten tijde van het indienen van een aanvraag om vergunning nog wél, maar ten tijde van het besluit daarop niet meer geldende recht toepassen. Dat is alleen zo als de aanvrager toen hij de aanvraag deed, een rechtstreekse aanspraak had op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen. Er is geen sprake van een rechtstreekse aanspraak als gebruik moet worden gemaakt van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid of als een ontheffing moet worden verkregen (zie onder andere de uitspraak van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2505).
Deze uitzondering doet zich hier niet voor. Uit artikel 3.5.8 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied - Middenweg ong - 2017" volgt dat het bevoegd gezag door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in 3.2.2 en 3.4.1, onder i, ten behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten, mits aan de voorwaarden van artikel 3.5.8 wordt voldaan. Gelet hierop bestond er op het moment dat de aanvraag werd ingediend geen rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwplan.
Het voorgaande betekent dat het college in het besluit van 6 februari 2023 de aanvraag aan het voorbereidingsbesluit moest toetsen.
7.6. De bouw van de bouwwerken ten behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten is in strijd met het op 6 februari 2023 nog in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Buitengebied Andel: partiële herziening Middenweg ong.". In artikel 3 van de regels van dat bestemmingplan is namelijk bepaald dat artikel 3.5.8 van de planregels, met daarin de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van huisvesting voor arbeidsmigranten, wordt geschrapt. In het voorbereidingsbesluit is weliswaar opgenomen dat het college van burgemeester en wethouders kan afwijken van het in het onder a en b neergelegde gebruiksverbod, maar alleen als de voorgenomen wijziging van het gebruik niet strijdig is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Hier is de voorgenomen wijziging van het gebruik wél in strijd met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Het college heeft de omgevingsvergunning dan ook verleend in strijd met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo.
7.7. Dat de activiteit die met de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de aanvraag voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.5.8 van de planregels - wat daar verder van zij - laat onverlet dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, is verleend. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
7.8. Het betoog slaagt.
Conclusie hoger beroep [appellant sub 2] en anderen
8. Het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt geheel vernietigd. De Afdeling zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [appellant sub 2] en anderen gegrond verklaren, behalve voor zover dit is ingediend door [persoon 2]. De Afdeling zal het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingediend door [persoon 2], niet ontvankelijk verklaren. Vanwege de aard van het gebrek komt het besluit van 6 februari 2023 tot verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van een kassencomplex voor glastuinbouw en het realiseren van een daarmee samenhangende huisvesting voor arbeidsmigranten aan de Middenweg 14 in Andel wegens strijd met artikel 2.12, eerste lid en onder d, van de Wabo geheel voor vernietiging in aanmerking.
9. Aan hetgeen voor het overige door [appellant sub 2] en anderen is aangevoerd, wordt niet toegekomen.
Het hoger beroep van Middenweg Agro
10. Middenweg Agro betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de voorwaarden d en e buiten toepassing moeten worden gelaten en dat de rechtbank ten onrechte de omgevingsvergunning heeft vernietigd, voor zover het de voorschriften 1, 3 en 7 betreft.
10.1. Aan dit betoog wordt niet toegekomen. De omgevingsvergunning wordt (zie het hiervoor overwogene onder 8) namelijk, vanwege de aard van het gebrek, geheel vernietigd, wegens strijd met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo.
Conclusie hoger beroep Middenweg Agro
11. Het hoger beroep van Middenweg Agro is, gelet op het hiervoor overwogene onder 8 en 10.1, gegrond. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van Middenweg Agro tegen het besluit van 6 februari 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning gegrond verklaren.
Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3]
11.1. [appellant sub 3] betoogt dat de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan zonder voorafgaand onderzoek is toegevoegd en aan de toevoeging van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan geen enkele motivering ten grondslag lag.
11.2. In deze procedure ligt de uitspraak van de rechtbank en daarmee het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning, waarin toepassing is gegeven aan de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, ter beoordeling voor, en niet het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied - Middenweg ong - 2017". Voor zover [appellant sub 3] het niet eens is met dat laatste besluit, had hij daartegen beroep moeten instellen.
Het betoog slaagt niet.
11.3. [appellant sub 3] betoogt verder dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder artikel 3:2 van de Awb.
11.4. Aan dit betoog wordt niet toegekomen. De omgevingsvergunning wordt (zie het hiervoor overwogene onder 8) namelijk, vanwege de aard van het gebrek, geheel vernietigd, wegens strijd met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo.
Conclusie incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3]
12. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3] is, gelet op het hiervoor overwogene onder 8 en 11.4, gegrond. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van 6 februari 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning gegrond verklaren.
Het incidenteel hoger beroep van het college
13. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift 7 overbodig is en dat de rechtbank dit voorschrift ten onrechte heeft geschrapt.
13.1. Aan dit betoog wordt niet toegekomen. De omgevingsvergunning wordt (zie het hiervoor overwogene onder 8) namelijk, vanwege de aard van het gebrek, geheel vernietigd, wegens strijd met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo.
Conclusie incidenteel hoger beroep van het college
14. Het incidenteel hoger beroep van het college is, gelet op het hiervoor overwogene onder 8 en 13.1, gegrond.
Slotoverwegingen
15. Het college moet een nieuw besluit nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.
16. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
17. Het college moet de proceskosten van [appellant sub 2] en anderen en Middenweg Agro vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bij [appellant sub 3] is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen en het hoger beroep van Middenweg Agro B.V. gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3] en het incidenteel hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Altena gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 juni 2024 in zaken nrs. 23/1280, 23/1868, 23/1915, 23/2095:
IV. verklaart:
- het beroep van [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 6 februari 2023, tot verlening van een omgevingsvergunning aan Middenweg Agro B.V., kenmerk 2021 012496, behalve voor zover ingediend door [persoon 2], gegrond en voor zover ingediend door [persoon 2], niet ontvankelijk;
- het beroep van Middenweg Agro tegen dit besluit gegrond;
- het beroep van [appellant sub 3] tegen dit besluit gegrond;
V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Altena van 6 februari 2023, tot verlening van een omgevingsvergunning aan Middenweg Agro B.V., kenmerk 2021-012496;
VI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Altena tot vergoeding van:
- bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.670,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- bij Middenweg Agro B.V. in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.689,75, waarvan € 4.670,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Altena aan:
- [appellant sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 460,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- Middenweg Agro B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 924,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.
w.g. Ten Veen
voorzitter
w.g. Nales
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
680-1150
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…].
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
[…]
d. indien de activiteit in strijd is met een voorbereidingsbesluit: met toepassing van de in het voorbereidingsbesluit opgenomen regels inzake afwijking.
[…].
Wet ruimtelijke ordening
Artikel 3.7
[…]
5. Een voorbereidingsbesluit vervalt, indien niet binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan een ontwerp voor een bestemmingsplan ter inzage is gelegd.
[…].
Bestemmingsplan "Buitengebied - Middenweg ong - 2017"
Artikel 3.2.2 Bebouwing binnen bouwvlak
Ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mogen uitsluitend worden opgericht:
a. agrarische bedrijfsgebouwen;
b. agrarische bedrijfsgebouwen in de vorm van kassen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw';
c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is geen bedrijfswoning toegestaan;
d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Artikel 3.4.1 Strijdig gebruik
Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval begrepen:
[…]
i. huisvesting van arbeidsmigranten;
[…].
Artikel 3.5.8 Omgevingsvergunning huisvesting van arbeidsmigranten
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 en 3.4.1 onder i ten behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. de huisvesting is toegestaan in de bij het bedrijf horende (bedrijfs)woning(en) en/of gebouwen met een tijdelijke vergunning en of in bestaand vastgoed en/of in nieuw te realiseren bebouwing;
b. de huisvesting mag uitsluitend worden gebruikt door werknemers die werkzaam zijn voor het bedrijf waar de huisvesting is gerealiseerd. Het mag ook gaan om de huisvesting van werknemers die op een andere vestigingslocatie van het bedrijf werkzaam zijn. De andere locatie moet wel binnen de gemeente Altena liggen;
c. de omvang van de huisvesting moet passen bij de omvang en de behoefte van het betreffende bedrijf. De initiatiefnemer moet zijn arbeidsbehoefte onderbouwen;
d. In afwijking van lid b en c mag de huisvesting op het erf van een agrarisch bedrijf ook worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten die werkzaam zijn bij een ander agrarisch bedrijf, waarbij minimaal 75% werkzaam is in de gemeente Altena. Afspraken hierover worden gemaakt in de te sluiten prestatieovereenkomst;
e. In afwijking van lid b mag de huisvesting op het erf van een agrarisch bedrijf ook worden gebruikt voor de huisvesting van niet-arbeidsmigranten die urgent tijdelijke woonruimte benodigd hebben, waarbij geldt:
1. alternatieve tijdelijke woonruimte is in de gemeente Altena niet beschikbaar.
2. afspraken hierover zijn vastgelegd in de met de gemeente gesloten prestatieovereenkomst.
f. Huisvesting vindt alleen plaats binnen het bouwvlak;
g. bij nieuwbouw dient de initiatiefnemer aan te tonen dat eventuele woningen in kernen waar hij werkzame arbeidsmigranten huisvest of laat huisvesten ter beschikking komen en blijven voor de reguliere woningmarkt;
h. huisvesting in (sta)caravans, tenten of daarmee vergelijkbare huisvestingsvormen, is niet toegestaan;
i. de huisvesting moet gecertificeerd zijn volgens Stichting Normering flexwonen (SNF) of daaraan gelijk te stellen;
j. degene voor wie de vergunning geldt moet een nachtregister bijhouden. het bijhouden van een nachtregister is niet verplicht indiend alle bewoners staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Altena en tevens beschikken over eigen afzonderlijke huurcontracten;
k. een communicatieplan wordt opgesteld waarbij onder andere de actieve communicatie met omwonenden is geborgd;
l. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie en niet onevenredig toenemen;
m. er moet worden voldaan aan de parkeernorm van 0,5 parkeerplaats per persoon;
n. de gehele parkeerbehoefte die gegenereerd wordt door de aanvraag dient op het eigen perceel te worden opgelost.
o. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de natuur-, milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
p. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
q. de ontwikkeling van het doorgroeigebied mag niet worden gefrustreerd;
r. er wordt voldaan aan de natuur-, milieuwet- en regelgeving;
s. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
t. indien er sprake is van ruimtelijke kwaliteit bij een ontwikkeling dient deze gepaard te gaan met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiele kwaliteiten van de bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied;
u. De huisvesting voldoet aan de beleidsregel opgenomen in Bijlage 3 Beleidsregel Arbeidsmigrantenhuisvesting.