202401931/1/R3.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Zwartewaal, gemeente Voorne aan Zee,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2024 in zaak nr. 23/712 in het geding tussen:
[appellant] en [partij]
en
het college van burgemeester en wethouders van Brielle, nu Voorne aan Zee.
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brielle (nu: Voorne aan Zee) aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van de buitenruimte op zijn perceel [locatie 1] in Zwartewaal (hierna: het perceel).
Bij uitspraak van 14 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] en [partij] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting van 13 maart 2025, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door N. van Helvoort en J. Brinkman, bijgestaan door mr. O.E. de Vries en mr. E. van Brandwijk, beiden advocaat in Rotterdam, zijn verschenen. Ook is op de zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. S. Smit, advocaat in Alkmaar, en vergezeld door [persoon], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 28 januari 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [vergunninghouder] is eigenaar van de woning met grond en opstallen op het perceel en exploiteert daar het [paardenbedrijf].
[appellant] en [partij] wonen op het perceel [locatie 2] in Zwartewaal, bijna direct grenzend aan het perceel van [vergunninghouder]. Op 8 februari 2021 hebben zij een verzoek om handhaving ingediend ten aanzien van onder meer de buitenruimte op het perceel van [vergunninghouder]. Dit verzoek is ingewilligd en er is een last onder dwangsom opgelegd. Over de last onder dwangsom loopt een procedure waarin de Afdeling vandaag ook uitspraak doet (zaak nr. 202401788/1/R3, ECLI:NL:RVS:2026:783).
3. Naar aanleiding van de handhavingsprocedure heeft [vergunninghouder] op 30 september 2021 een aanvraag voor een omgevingsvergunning (met ruimtelijke onderbouwing) ingediend om de buitenruimte op zijn perceel te legaliseren. Deze vergunningaanvraag is nadien nog gewijzigd en [vergunninghouder] heeft op 28 januari 2022 een nieuwe vergunningaanvraag (met ruimtelijke onderbouwing) ingediend.
4. Bij besluit van 15 december 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, het uitvoeren van werken, en gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Wabo. Het college heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo. De activiteit bouwen behelst drie paardenbakken, waaronder één grote rijbak, drie lichtmasten, een betonplaat en een mestopslag. Met de vergunning worden deze bouwwerken in de buitenruimte gelegaliseerd, mag er in afwijking van het bestemmingsplan 1.433 m2 aan buitenruimte voor de paardenstalling aanwezig zijn en mag een deel van de bouwwerken buiten de bestemming "Paardenstalling" liggen.
5. [appellant] is tegen de verlening van de omgevingsvergunning opgekomen, omdat hij vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er ook met de vergunning sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden. [appellant] is het niet eens met die uitspraak.
6. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Toetsingskader
7. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Bestemmingsplan
8. De Afdeling stelt vast dat er met de omgevingsvergunning op een aantal punten wordt afgeweken van het ten tijde van het besluit van 15 december 2022 geldende bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied Brielle - Veegplan 1", vastgesteld op 22 december 2021 (hierna: Veegplan 1).
8.1. Bij uitspraak van vandaag, zaak nr. 202200646/2/R3 en 202404685/1/R3, ECLI:NL:RVS:2026:782, heeft de Afdeling, voor zover het betreft de plandelen met alle op het perceel [locatie 1] in Zwartewaal rustende bestemmingen en/of aanduidingen, het besluit van de raad van de gemeente Brielle, nu Voorne aan Zee, van 22 december 2021 tot vaststelling van Veegplan 1, en het besluit van 30 mei 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Omgevingsplan Buitengebied Brielle - Veegplan 2", vernietigd.
8.2. Op grond van artikel 8:72, tweede lid, van de Awb brengt de vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee. Ten aanzien van de gevolgen van de vernietiging van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voor op basis daarvan verleende bouwvergunningen heeft de Afdeling op deze hoofdregel in de uitspraak van 21 december 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA4296, een uitzondering geformuleerd, waarbij onder meer in de uitspraken van de Afdeling van 12 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP0510, en 24 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6324 is aangesloten. Uit deze jurisprudentie volgt dat als het besluit op bezwaar inzake de bouwvergunning onder vigeur van het nieuwe bestemmingsplan is genomen, omdat dat plan ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar in werking was, de bestuursrechter in beroep en hoger beroep bij de toetsing van het besluit op bezwaar dient uit te gaan van het nieuwe plan, ook als dat plan na het nemen van het besluit op bezwaar is vernietigd.
Deze zogenoemde Tegelen-jurisprudentie ziet op het geval dat het nieuwe, na het besluit op bezwaar vernietigde, bestemmingsplan de betreffende activiteit toestond, zodat het bevoegd gezag deze activiteit op grond van dat bestemmingsplan niet kon tegengaan. In dat geval rechtvaardigt de rechtszekerheid van de aanvrager van de vergunning de in deze jurisprudentie gemaakte uitzondering op de in artikel 8:72, tweede lid, van de Awb vervatte hoofdregel.
Als het vernietigde bestemmingsplan de betreffende activiteit niet toestond, maar daarvoor - zoals hier - een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan nodig was, strekt de rechtszekerheid van de aanvrager zoals de Afdeling al eerder heeft overwogen, niet zover dat ook in dat geval een uitzondering gemaakt moet worden op die hoofdregel. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:240, onder 13 - 13.3.
8.3. De Afdeling ziet ook in dit geval geen aanleiding voor het maken van een uitzondering op de in artikel 8:72, tweede lid, van de Awb vervatte hoofdregel. Daarom is het college achteraf gezien bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van die wet, ten onrechte uitgegaan van Veegplan 1. Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Conclusie
9. Gelet op wat is overwogen onder 8.2 en 8.3, is het besluit van 15 december 2022 in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college opdragen om binnen twintig weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit te herstellen. Het college kan dit doen door aanvullende motivering van het besluit of door een gewijzigd of nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van het juiste planologische regime.
Het college moet de Afdeling en de andere partijen de uitkomst hiervan meedelen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen.
10. In de einduitspraak zullen de door [appellant] aangevoerde hoger beroepsgronden behandeld worden. Ook zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee op om:
- binnen twintig weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van overwegingen 8.2 en 8.3 het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 15 december 2022 te herstellen en;
- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, mr. B. Meijer en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Schadd, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Schadd
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
780-1076
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Artikel 8:51d
Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde lid, en 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d, zijn van toepassing.
Artikel 8:72
1. […]
2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.
3. […]
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, […]
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
[…]
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;