202500036/1/A2.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 december 2024 in zaak nr. 24/6568 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (de CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 9 april 2024 heeft de CSG aan [appellante] een uitkering van € 1.000,00 uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (het schadefonds) toegekend.
Bij besluit van 3 juni 2024 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. van Baaren, advocaat in Rotterdam, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. A.R. Link-van Spronsen, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] heeft op 9 februari 2024 een aanvraag gedaan om een uitkering uit het schadefonds. In haar aanvraag heeft zij vermeld dat zij in 2023 en januari 2024 slachtoffer is geworden van huiselijk geweld dan wel ernstige mishandeling.
2. De CSG heeft bij het besluit van 9 april 2024, zoals gehandhaafd bij het besluit van 3 juni 2024, aan [appellante] een uitkering van € 1.000,00, behorend bij letselcategorie 1, toegekend. Volgens de CSG zou [appellante] op grond van het beleid niet in aanmerking komen voor een uitkering, omdat zij als gevolg van het misdrijf waarvan zij slachtoffer werd geen ernstig lichamelijk en psychisch letsel opliep. De CSG heeft aan [appellante] toch een uitkering uit het schadefonds toegekend, omdat de verdachte een levensbedreigende handeling bij [appellante] heeft uitgevoerd terwijl zij zich in een kwetsbare situatie bevond. De verdachte heeft [appellante] bij haar kraag gepakt en in haar woning geduwd en gehouden, terwijl [appellante] buiten bewustzijn raakte.
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij in aanmerking moet komen voor een uitkering, behorend bij letselcategorie 2. Zij heeft doodsangst gehad doordat zij door verwurging 30 minuten buiten bewustzijn is geweest. Deze gebeurtenis moet gelijkgesteld worden met bedreiging met een mes of een vuurwapen, waarvoor op grond van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven (de Letsellijst) een uitkering op grond van letselcategorie 2 wordt toegekend.
3.1. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (de Wsg) is bepaald dat uit het schadefonds uitkeringen kunnen worden gedaan aan eenieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.
3.2. De CSG heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om een uitkering als bedoeld in artikel 3 van de Wsg beslissingsruimte. Bij het beoordelen van een aanvraag om een uitkering uit het schadefonds hanteert de CSG beleid dat is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven en de Letsellijst.
3.3. Niet in geschil is dat het fysieke letsel dat [appellante] door de fysieke mishandeling door haar ex-partner heeft opgelopen niet is onder te brengen onder één van de categorieën letsels uit de Letsellijst. De CSG heeft toegelicht dat zij op grond van een interne gedragslijn in uitzonderlijke gevallen van de Letsellijst kan afwijken. De CSG heeft in dit geval van deze interne gedragslijn gebruik gemaakt, door toch een uitkering op grond van letselcategorie 1 toe te kennen. De CSG heeft geen aanleiding hoeven zien om, in verdere afwijking van de Letsellijst, een vergoeding op grond van letselcategorie 2 toe te kennen. Anders dan [appellante] betoogt is een verwurging niet gelijk te stellen met een rechtstreekse bedreiging met een mes of een vuurwapen. Evenmin is wat [appellante] is overkomen te vergelijken met de andere gevallen waarin volgens de Letsellijst letselcategorie 2 wordt toegekend.
3.4. Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Komduur
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
809