202502383/1/A2.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2025 in zaak nr. 24/7063 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (de CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 22 februari 2024 heeft de CSG een aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (het schadefonds) afgewezen.
Bij besluit van 24 mei 2024 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. van Baaren, advocaat in Rotterdam, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. A.R. Link-van Spronsen, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Op 8 augustus 2023 heeft [appellante] een aanvraag ingediend om een uitkering uit het schadefonds. Aan deze aanvraag heeft zij ten grondslag gelegd dat zij in de periode van 2008 tot en met 2010 slachtoffer is geworden van huiselijk geweld. [appellante] stelt in de aanvraag dat zij door een psychische blokkade de aanvraag pas in 2023 heeft ingediend.
2. De CSG heeft de aanvraag afgewezen, omdat deze niet binnen de in artikel 7 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (de Wsg) gestelde termijn van tien jaar is ingediend en [appellante], hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, geen stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat de aanvraag zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Weliswaar kan psychische overmacht op grond van de beleidsregels in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (de Beleidsbundel) van 1 november 2022 een geldige reden voor overmacht zijn, maar dan moet de aanvrager de gestelde reden voor de termijnoverschrijding onderbouwen, bijvoorbeeld door middel van medische informatie over een behandeling voor psychische klachten die verband houden met het misdrijf.
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit geen onredelijk beleid is en dat de CSG dit in dit geval heeft kunnen toepassen. Dat dit beleid zou zijn gewijzigd in de afgelopen jaren doet hier volgens de rechtbank niet aan af. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de CSG de aanvraag niet inhoudelijk in behandeling heeft hoeven nemen. De CSG beschikte niet over informatie waaruit kon worden opgemaakt of en in hoeverre [appellante] door haar psychische klachten verhinderd was om de aanvraag tijdig in te dienen, dan wel de hulp van een ander in te schakelen om de aanvraag namens haar in te dienen.
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het onredelijk is om het beleid te wijzigen voor zaken waarin de tienjaarstermijn ten tijde van de beleidswijziging al is verstreken.
4.1. Op grond van artikel 7 van de Wsg moet een aanvraag voor een uitkering bij de CSG worden ingediend binnen tien jaar na de dag waarop het misdrijf is gepleegd. Een na afloop van de termijn ingediende aanvraag wordt niettemin behandeld, indien blijkt dat de aanvraag zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.
4.2. De CSG heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag of een te laat ingediende aanvraag toch in behandeling wordt genomen, omdat deze zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. De CSG hanteert hierbij beleid, dat is neergelegd in de Beleidsbundel.
4.3. Op grond van de Beleidsbundel van 1 november 2022 kan psychische overmacht een geldige reden zijn voor een te laat ingediende aanvraag. Er moet dan wel sprake zijn van omstandigheden die verband houden met het misdrijf en die de aanvrager redelijkerwijs hebben verhinderd eerder een aanvraag bij de CSG in te dienen. Van een aanvrager wordt verwacht dat hij zijn aanvraag zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is indient, nadat hij bekend is geworden met de gevolgen van het misdrijf en een zodanige fase van het verwerkingsproces heeft bereikt dat de aanvrager in staat is om een aanvraag in te dienen. De aanvrager moet de opgegeven reden voor termijnoverschrijding onderbouwen. Dat kan bijvoorbeeld door middel van medische informatie over een (op latere leeftijd gestarte) behandeling voor psychische klachten die verband houden met het misdrijf of met een op latere datum gedane aangifte of melding bij de politie.
4.4. De CSG heeft haar beleid voor de omgang met te laat ingediende aanvragen in de Beleidsbundel van 1 augustus 2021 aangescherpt. Op grond van het daarvoor geldende beleid werden aan de onderbouwing van de psychische overmacht minder hoge eisen gesteld dan die in de Beleidsbundels van 1 augustus 2021 en 1 november 2022 daaraan zijn verbonden. De CSG heeft ter zitting toegelicht dat een overgangstermijn werd gehanteerd, op grond waarvan aanvragen die binnen twee jaar na de beleidswijziging werden ingediend werden beoordeeld op basis van de eisen uit het daarvoor geldende beleid. In geschil is of de rechtszekerheid zich ertegen verzet dat bij het besluit op de aanvraag van 8 augustus 2023 aan de eisen aan de onderbouwing van psychische overmacht uit de Beleidsbundel van 1 november 2022 toepassing is gegeven.
4.5. De Afdeling acht de overgangstermijn van twee jaar voor aanvragers niet te kort om zich in te kunnen stellen op de aangescherpte eisen in het beleid van de CSG voor het onderbouwen van psychische overmacht bij een te laat ingediende aanvraag. Uit het betoog blijkt verder niet van aanknopingspunten voor het oordeel dat de gevolgen van onverkorte toepassing van de ten tijde van de aanvraag geldende (aangescherpte) beleidsregel voor [appellante] wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. [appellante] heeft geen schriftelijke stukken overgelegd ter onderbouwing van de door haar in de aanvraag gestelde psychische overmacht. Dat mocht de CSG ook vanwege het lange tijdsverloop van haar vragen. De CSG heeft de aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds dan ook mogen afwijzen.
4.6. Het betoog faalt.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
6. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Komduur
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
809