ECLI:NL:RVS:2026:905

ECLI:NL:RVS:2026:905

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 18-02-2026
Datum publicatie 18-02-2026
Zaaknummer 202501940/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 5 juli 2023 heeft de Sociale Banken Nederland namens de Dienst Toeslagen geweigerd een afgeloste private schuld van [appellante] te compenseren. [appellante] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister gevraagd om een schuld ter hoogte van € 1.583,62 over te nemen die voortkomt uit twee leningen die zij in het verleden is aangegaan bij haar voormalig werkgever. De minister heeft geweigerd om de schuld van € 1.583,62 over te nemen, omdat dit een informele schuld is die niet is vastgelegd in een notariële akte. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, overwogen dat de overgelegde akte van de geldlening, het addendum bij de akte van de geldlening, en de verklaring van de voormalige werkgever niet vergelijkbaar zijn met de vastlegging van een geldlening in een notariële akte. Niet blijkt hieruit bijvoorbeeld welke afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de aflossingen en wanneer de schuld opeisbaar is geworden. [appellante] heeft dan ook onvoldoende zekerheid verschaft over het bestaan van en de afbetaling van de informele schuld aan haar voormalige werkgever.

Uitspraak

202501940/1/A2.

Datum uitspraak: 18 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 februari 2025 in zaak nr. 23/8609 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2023 heeft de Sociale Banken Nederland namens de Dienst Toeslagen geweigerd een afgeloste private schuld van [appellante] te compenseren.

Bij besluit van 16 november 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H. van der Heide-Boertien, advocaat in Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. A. Divis-Stein en mr. M. Bouhoud, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister gevraagd om een schuld ter hoogte van € 1.583,62 over te nemen die voortkomt uit twee leningen die zij in het verleden is aangegaan bij haar voormalig werkgever.

2. In hoofdstuk 4 van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht) is vastgelegd onder welke voorwaarden een gedupeerde van de toeslagenaffaire in aanmerking kan komen voor het overnemen en betalen van private schulden.

Op grond van artikel 4.1., eerste lid, van de Wht neemt de minister de in die bepaling bedoelde geldschulden over.

In het tweede lid staat: "De geldschulden die worden overgenomen:

a. zijn ontstaan na 31 december 2005;

b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en

c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan."

In artikel 4.1., derde lid onder a en b, van de Wht staat, voor zover in dit hoger beroep relevant: "Geldschulden en kosten die worden overgenomen zijn a) een geldschuld die is ontstaan door een in een normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser, en b) een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser, indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021, […].

Op grond van artikel 4.3., eerste lid, van de Wht wordt aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel op aanvraag compensatie verleend voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1. van de Wht voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.

Een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling wordt een "informele schuld" genoemd.

3. De minister heeft geweigerd om de schuld van € 1.583,62 over te nemen, omdat dit een informele schuld is die niet is vastgelegd in een notariële akte.

Uitspraak van de rechtbank

4. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, overwogen dat de overgelegde akte van de geldlening, het addendum bij de akte van de geldlening, en de verklaring van de voormalige werkgever niet vergelijkbaar zijn met de vastlegging van een geldlening in een notariële akte. Niet blijkt hieruit bijvoorbeeld welke afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de aflossingen en wanneer de schuld opeisbaar is geworden. [appellante] heeft dan ook onvoldoende zekerheid verschaft over het bestaan van en de afbetaling van de informele schuld aan haar voormalige werkgever.

Het vereiste van een notariële akte is vastgelegd in een wet in formele zin. Dit betekent dat de rechtbank dit vereiste niet aan de algemene rechtsbeginselen mag toetsen. Dit toetsingsverbod is vastgelegd in artikel 120 van de Grondwet. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat er zich geen bijzondere omstandigheden voordoen, omdat de eis van de notariële akte geen omstandigheid is die niet of niet ten volle is meegenomen in de afweging van de wetgever.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen. Niet is gebleken dat [appellante] in een zodanige problematische of schrijnende situatie verkeert die de wetgever niet heeft voorzien. De rechtbank heeft verder geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het besluit van 16 november 2023 is genomen in strijd met het zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel.

Hoger beroep

5. [appellante] betoogt dat het hier niet gaat om een informele schuld, omdat ze de lening heeft afgesloten bij haar voormalige werkgever. De verhouding tussen werkgever en werknemer maakt dat de schuld een formeel karakter heeft, zodat de eis van de notariële akte niet geldt.

Daarnaast betoogt [appellante] dat de overgelegde documenten wél gelijk te stellen zijn met de vastlegging van een geldlening in een notariële akte. Volgens haar is namelijk duidelijk welk bedrag de werkgever aan haar heeft uitgeleend, wat de wijze van terugbetaling is geweest en welk deel nog openstond. Volgens [appellante] is het onbillijk om vast te houden aan de letter van de wet, nu de werkgever haar heeft willen helpen om beslaglegging te voorkomen. Ook zou de schuld direct opeisbaar zijn geworden als [appellante] uit dienst zou treden. Zij heeft met veel moeite en uit eergevoel haar schulden afbetaald, waarvoor zij nu ten onrechte niet gecompenseerd wordt. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte niet de hardheidsclausule toegepast.

5.1. De afgeloste schuld, waarvan [appellante] om compensatie heeft verzocht, komt voort uit een lening die [appellante] in het verleden bij haar toenmalige werkgever is aangegaan. Dat heeft hij, volgens [appellante], gedaan om haar te helpen bij het voorkomen van het ontstaan van schulden aan derden en beslagleggingen, onder wie de Belastingdienst Toeslagen. Daarmee was dit een privéschuld van [appellante] aan haar werkgever. De schuld is niet aangegaan in het kader van de normale uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever. De minister stelt zich dus terecht op het standpunt dat sprake is van een zogenoemde informele schuld, waarvoor de eis geldt dat die moet blijken uit een notariële akte.

Niet in geschil is dat er geen notariële akte is opgemaakt van deze schuld. [appellante] betoogt dat de minister met toepassing van de hardheidsclausule aan deze eis voorbij had moeten gaan. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, onder 22, overwogen dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van de schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen.

[appellante] heeft een overeenkomst van geldlening overgelegd uit 2015, maar die is niet ondertekend. Er is een wel ondertekend addendum bij een akte van geldlening, waarin een aanvullend bedrag ter lening wordt verstrekt. Maar dat dit geldbedrag daadwerkelijk aan [appellante] is overgemaakt blijkt niet uit de stukken. Dat geldt overigens ook voor het geldbedrag dat volgens de niet ondertekende overeenkomst ter lening zou zijn gegeven. Er zijn verder enige loonstroken overgelegd waaruit blijkt van inhoudingen op het loon, en een verklaring, die volgens [appellante] is opgesteld namens haar voormalige werkgever. Dat dit laatste zo is, is echter niet na te gaan en de verklaring dateert van 14 februari 2024, dus van ruimschoots na de aflossing van de schuld. Daarmee zijn er al met al wel enige aanwijzingen dat [appellante] geld heeft geleend van haar werkgever, maar zijn er onvoldoende authentieke documenten om te zeggen dat aan het bestaan van de schuld redelijkerwijs niet kan worden getwijfeld. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

De Afdeling wijst er verder ten overvloede op, zoals ter zitting is besproken, dat ook als aan het ontbreken van een notariële akte voorbij zou worden gegaan, de schuld niet voor compensatie in aanmerking zou zijn gekomen. De minister heeft er namelijk terecht op gewezen dat niet aannemelijk is geworden dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was. [appellante] heeft het restant van de hoofdsom immers op 2 maart 2021 afgelost, terwijl niet is gebleken van opeisbare betalingsachterstanden. Het restant van de hoofdsom diende binnen drie maanden na uitdiensttreding te zijn voldaan, maar [appellante] is pas in 2022 uit dienst getreden.

Tot slot slaagt het beroep op de hardheidsclausule niet, omdat [appellante] niet inzichtelijk heeft gemaakt dat in haar geval sprake is van actuele schrijnende omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) de weigering van de minister om de schulden over te nemen of te compenseren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, onder 7.3).

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

7. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026

488-1112

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. T. van Goeverden-Clarenbeek

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RSV 2026/60
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?