202301551/1/R2.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Standdaarbuiten, gemeente Moerdijk,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend in Standdaarbuiten, gemeente Moerdijk,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Moerdijk,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 3 november 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] Standdaarbuiten" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 oktober 2025, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. W. Koster, rechtsbijstandverlener in Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door G.P. van der Speld, zijn verschenen. Ook is op zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. R.C. van Wamel, advocaat in Tilburg, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 21 april 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan maakt een uitbreiding van de bebouwing mogelijk op het bedrijventerrein Standdaarbuiten. In het plangebied is het bedrijf [partij] gevestigd, dat wil uitbreiden. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wonen aangrenzend aan het plangebied en komen op tegen het bestemmingsplan. Zij vrezen dat de uitbreiding van het bedrijf hun woon- en leefklimaat zal aantasten.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Ingetrokken beroepsgronden
4. Op de zitting heeft [appellant sub 1] haar beroepsgrond dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, ingetrokken. Op de zitting heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgrond dat artikel 10.3 van de planregels zo geformuleerd zou moeten worden dat het inrichtingsplan gerealiseerd moet worden voordat de bouw begint, ingetrokken. De Afdeling zal daarom niet ingaan op deze beroepsgronden.
De beroepsgronden
Herhalen en inlassen gronden uit zienswijze
5. [appellant sub 1] betoogt dat de in haar zienswijze aangevoerde gronden hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
5.1. De Afdeling zal hieronder ingaan op de beroepsgronden die [appellant sub 1] naar voren heeft gebracht in haar beroepschrift. Waar [appellant sub 1] voor het overige verzoekt om de inhoud van haar zienswijze als herhaald en ingelast in haar beroep te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de zienswijzenota is ingegaan op die zienswijze. [appellant sub 1] heeft geen redenen aangevoerd waarom in zoverre de weerlegging van de zienswijze onjuist of onvolledig zou zijn.
Het betoog slaagt niet.
Was de omgevingsdialoog onzorgvuldig?
6. [appellant sub 1] betoogt dat de omgevingsdialoog onzorgvuldig was. De omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden op 8 januari 2020. Omwonenden konden toen hun voorkeur uitspreken over de manier waarop het bedrijf [partij] zou uitbreiden, maar er is geen optie geboden om een voorkeur uit te spreken dat het bedrijf niet gaat uitbreiden. Het bedrijf heeft op basis van deze dialoog gecommuniceerd dat er draagvlak is in de omgeving voor de uitbreiding, maar dit is volgens [appellant sub 1] niet hetzelfde als voorkeur.
6.1. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
Past de omvang van het bedrijf nog in de omgeving?
7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het bedrijf [partij] te groot wordt om nog goed in de omgeving te passen. Het gaat hier om een klein industrieterrein, vrijwel direct grenzend aan bebouwd gebied, gericht op de lokale mkb’er. De bebouwing die het bestemmingsplan mogelijk maakt, namelijk met een oppervlakte van ongeveer 12.200 m2 en een hoogte van 15 m, past niet in de omgeving. Standdaarbuiten is een klein dorp met ongeveer 2.200 inwoners en het kan niet de bedoeling zijn dat de woonfunctie wordt overheerst door een buitenproportioneel groot bouwwerk.
[appellant sub 1] wijst op de Structuurvisie Moerdijk 2030, vastgesteld door de raad op 9 juni 2011 (hierna: de structuurvisie). In de plantoelichting is in paragraaf 4.2.3 verwezen naar paragraaf 2.4.1 van de structuurvisie, waarin de voorwaarden staan om een bedrijf van meer dan 5.000 m2 toe te staan op het lokale industrieterrein in Standdaarbuiten. In de structuurvisie ontbreekt een paragraaf 2.4.1, zodat het niet mogelijk is om te controleren welke voorwaarden er gelden. Daarbij volgt uit de structuurvisie dat het kleinschalige karakter van het bedrijventerrein behouden wordt doordat meerdere kleine organisaties zich op het terrein vestigen. [partij] is echter geen klein bedrijf, aangezien het 27% van de totale oppervlakte van het bedrijventerrein in beslag neemt. Volgens [appellant sub 2] bepaalde het vorige bestemmingsplan terecht dat bestaande bedrijven een kavelgrootte van maximaal 5.000 m2 mochten hebben. Voor bedrijven die al groter waren, gold dat zij met maximaal 15% mochten uitbreiden. Hier gaat het echter om meer dan een verdubbeling. De raad heeft niet goed onderbouwd waarom zo’n grote uitbreiding van het bedrijf aanvaardbaar is en heeft geen aandacht besteed aan de onevenredige aantasting van de belangen van omwonenden, zoals hun uitzicht. De raad noemt alleen maar bedrijfseconomische redenen. Maar dat zijn geen ruimtelijke argumenten en die zijn daarom niet relevant voor de beoordeling van een bestemmingsplan. Daarbij klopt volgens [appellant sub 2] het argument niet dat de bedrijfsactiviteiten van [partij] op één locatie gebundeld moeten worden. [partij] heeft namelijk een stuk grond gekocht op [locatie 2] in Hoeven en zal daar een loods van 5.000 m2 gaan bouwen.
7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het voorgaande bestemmingsplan, "Kern Standdaarbuiten", via een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid ook al bebouwing met een hoogte van 15 m toestond. Dat bestemmingsplan stelde daar wel nog voorwaarden aan, maar daar wordt in deze situatie ook aan voldaan. De gemeente heeft geen beleid voor architectonische uitstraling van bebouwing. Ook heeft de gemeente geen beleid dat gaat over de uitstraling of visuele grootte van gebouwen op bestaande bedrijventerreinen, zoals een beeldkwaliteitsplan. Volgens de raad wordt er voldaan aan de uitgangspunten die het college heeft geformuleerd en waar deze ontwikkeling aan moet voldoen.
7.2. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] of andere omwonenden geen aanspraak kunnen maken op een blijvend vrij uitzicht vanuit hun woning.
De Afdeling overweegt vervolgens dat het bestemmingsplan ten opzichte van de bestemmingsplannen die daarvoor op deze locatie golden, slechts beperkt nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Voordat dit bestemmingsplan werd vastgesteld, hadden de gronden in het plangebied allemaal al een bedrijfsbestemming. Dit bestemmingsplan heeft aan een deel van de gronden een groenbestemming toegekend, de rest heeft de bedrijfsbestemming behouden. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben de bedrijfsbestemming van deze gronden op zichzelf niet bestreden. Ook voor de bouwmogelijkheden geldt dat deze slechts beperkt afwijken van de bouwmogelijkheden die op grond van de vorige bestemmingsplannen mogelijk waren. Ten opzichte van het vorige bestemmingsplan verandert alleen dat de maximaal toegestane bouwhoogte van 15 m, die in het vorige bestemmingsplan bij afwijking mogelijk was, nu bij recht toegestaan is. Ook is het nu mogelijk om de bebouwing aan elkaar te bouwen, terwijl op grond van het vorige plan daar minstens 5 m tussen moest zitten. Dit betekent dat het vorige bestemmingsplan toestond om bijvoorbeeld twee loodsen van 5.000 m2 en 15 m hoog vlakbij elkaar te bouwen. Naar het oordeel van de Afdeling is de ruimtelijke uitstraling van de bebouwing die het nieuwe plan mogelijk maakt ten opzichte van het oude plan niet in die mate anders dat de raad had moeten concluderen dat de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, niet meer past in de omgeving.
De Afdeling overweegt vervolgens dat [appellant sub 1] er terecht op wijst dat de verwijzing in de plantoelichting naar paragraaf 2.4.1 van de structuurvisie niet klopt. In de structuurvisie is niet vermeld onder welke voorwaarden medewerking kan worden verleend aan de uitbreiding van een bestaand bedrijf groter dan 5.000 m2. Dit staat inderdaad verkeerd in de plantoelichting, maar het leidt niet tot de conclusie dat het bestemmingsplan op dit punt een gebrek bevat. [appellant sub 1] wijst er ook terecht op dat uit de structuurvisie volgt dat er voor grote bedrijven geen plek is op lokale bedrijventerreinen. Maar naar het oordeel van de Afdeling mocht de raad besluiten om af te wijken van de structuurvisie en de uitbreiding van [partij] toch mogelijk te maken in het bestemmingsplan omdat de raad voldoende heeft toegelicht waarom de uitbreiding van het bedrijf op deze plek aanvaardbaar is. In paragraaf 4.4.3 van de plantoelichting en paragraaf 1.1 van de zienswijzenota heeft de raad toegelicht dat het gemeentelijke beleid over uitbreidingen van bestaande bedrijven op lokale bedrijventerreinen gebaseerd is op provinciaal beleid. Het uitgangspunt in het provinciaal beleid dat geen grote bedrijven zijn toegestaan op lokale bedrijventerreinen, is komen te vervallen bij de inwerkingtreding van de nieuwe omgevingsverordening. De provincie laat het aan gemeenten om hierover regels te stellen. De gemeente Moerdijk heeft een aantal uitgangspunten geformuleerd die gaan over bijvoorbeeld de lokale gebondenheid van het bedrijf en de verbetering van ruimtelijke kwaliteit, zo staat in de plantoelichting en de zienswijzenota. De raad heeft in de plantoelichting en de zienswijzenota uiteengezet hoe dit doorwerkt in dit bestemmingsplan. Hierin is onder meer toegelicht dat uitbreiding boven de 5.000 m2 alleen aan de orde kan zijn als het bedrijf niet past binnen de typologie van Haven- en industrieterrein Moerdijk of de te ontwikkelen terreinen Logistiek Park Moerdijk/Lage Zwaluw en Zevenbergen Noord. De raad heeft toegelicht waarom vestiging op andere bedrijventerrein niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat er geen passende kavels beschikbaar zijn of omdat het bedrijf niet past in het profiel van de bedrijvigheid ter plaatse.
Voor zover [appellant sub 2] heeft betoogd dat de raad alleen bedrijfseconomische redenen heeft meegenomen in de motivering, mist dit betoog feitelijke grondslag. Zoals hierboven ook vermeld, heeft de raad ook gemotiveerd waarom andere bedrijventerreinen ongeschikt zijn voor de uitbreiding. Ook heeft de raad meegewogen dat het bedrijf lokaal geworteld is en dat de locatie al een bedrijfsbestemming heeft. Over de clustering van de bedrijfsactiviteiten overweegt de Afdeling dat [partij] op de zitting heeft toegelicht dat hij gebruik maakt van het perceel op [locatie 2] in Hoeven voor opslag. De huurtermijn van de locatie die hij eerst gebruikte is afgelopen. Dit perceel gebruikt hij tijdelijk, totdat hij gebruik kan maken van de bebouwing die het voorliggende bestemmingsplan mogelijk maakt. De Afdeling kan deze toelichting volgen.
Het betoog slaagt niet.
Moet de shredder verplaatst worden?
8. [appellant sub 1] betoogt dat het bedrijf als geheel beter verplaatst kan worden naar een andere locatie. Op enkele meters van haar tuin staat een shredder waar zij zo veel (geluids)overlast van heeft dat dit haar gezondheid aantast. Ze heeft voorgesteld om de shredder te verplaatsen naar een andere plek op het nieuw te ontwikkelen terrein, maar dit voorstel is meteen afgewezen omdat het bedrijf het te duur vindt.
8.1. De Afdeling stelt voorop dat de shredder hoort bij het bedrijf dat is gevestigd op [locatie 3]. Dat bedrijf is een andere inrichting dan [partij] en verricht andere werkzaamheden, hoewel de bedrijven wel onder hetzelfde moederbedrijf vallen. Dit perceel maakt ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan. De inrichting van dat perceel en de daar aanwezige shredder kunnen daarom niet aan de orde komen in deze procedure.
Het betoog slaagt niet.
Is er voldoende onderzoek gedaan naar luchtvervuiling?
9. [appellant sub 1] betoogt dat er geen goed onderzoek heeft plaatsgevonden naar de toename van fijnstof en stikstof die het toenemende verkeer zal veroorzaken. Zij vreest dat zij hierdoor gezondheidsproblemen zal krijgen. Zij betoogt dat de raad uitgaat van een daling van het aantal verkeersbewegingen en dat het bestemmingsplan leidt tot minder verkeer, maar dat klopt niet. Het aantal kilometers dat wordt gereden zal inderdaad afnemen, maar het aantal verkeersbewegingen blijft hetzelfde. Daarbij wordt het aantal laaddocks uitbreid van 7 naar 13, waardoor [appellant sub 1] verwacht dat het aantal verkeersbewegingen in de toekomst verder zal toenemen.
9.1. Uit paragraaf 5.3.8 van de toelichting blijkt dat de raad is uitgegaan van een toename van de verkeersbewegingen. In zoverre mist het betoog van [appellant sub 1] feitelijke grondslag. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat in het verkeersonderzoek van RAinfra van 25 november 2020, dat als bijlage 7 onderdeel uitmaakt van de plantoelichting, rekening is gehouden met de uitstoot van het verkeer bij opstarten, stoppen en een helling oprijden. Ook is het verkeer aan de voorkant van de woning van [appellant sub 1] betrokken. Dit heeft [appellant sub 1] niet weersproken. De Afdeling ziet in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan op dit punt een gebrek bevat.
Het betoog slaagt niet.
Is de landschappelijke inpassing goed vastgelegd?
10. [appellant sub 2] betoogt dat het onzeker is of de aarden wal zal worden aangelegd. In het bestemmingsplan is in artikel 10.3 geregeld dat er een inrichtingsplan moet worden opgesteld, maar deze bepaling biedt onvoldoende waarborgen. Het is niet duidelijk waar het inrichtingsplan aan moet voldoen, de omwonenden kunnen daar niet inhoudelijk tegen opkomen en er is niet vastgelegd waar de wal precies moet komen en hoe deze er uit moet zien.
Volgens [appellant sub 1] leiden de groenstrook en de aarden wal die onderdeel zijn van de landschappelijke inpassing tot meer geluidsoverlast bij haar woning. Het verkeer zal rijden tussen de panden op [locatie 3] en [locatie 1], waardoor de aarden wal zal fungeren als een trechter en al het geluid bij haar woning terecht zal komen. Volgens [appellant sub 1] zou de aarden wal daarom doorgetrokken moeten worden zodat deze aansluit op de buitenmuur van de bestaande bebouwing.
10.1. Artikel 10.3 van de planregels luidt:
"a. De omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt pas verleend, nadat college B&W
b. goedkeuring heeft gegeven voor het inrichtingsplan voor de zone met bestemming "Groen" en de wijze waarop dit inrichtingsplan tot stand is gekomen.
c. Daarbij geldt:
1. een participatieverplichting met de direct aanwonenden over de inrichting van de zone met bestemming ‘Groen’;
2. dat er verplicht een aarden wal van ten minste 3 meter hoogte moet worden gerealiseerd in de zuidelijke strook van de gronden met de bestemming 'Groen'.
3. dat ten behoeve van het uitvoeren van dit bestemmingsplan, het inrichtingsplan, binnen één jaar na realisatie van de bouw, moet worden gerealiseerd, beheerd en instand gehouden conform het inrichtingsplan zoals beschreven in artikel 10 lid 3 sub a."
10.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de groenstrook is opgenomen in het bestemmingsplan om tegemoet te komen aan de belangen van de omwonenden. Uit de ingediende zienswijzen is naar voren gekomen dat omwonenden graag willen meedenken over de invulling van de groenstrook. Met de voorwaardelijke verplichting heeft de raad het college van B en W de bevoegdheid gegeven om de invulling verder vorm te geven, aldus de raad.
10.3. [appellant sub 2] voert terecht aan dat artikel 10.3 van de planregels rechtsonzeker is. In dit artikel wordt de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen door het college van B en W afhankelijk gesteld van de goedkeuring van het inrichtingsplan, ook door het college van B en W, terwijl niet duidelijk is waar die goedkeuring van afhankelijk is. Dit past niet in het limitatief-imperatief stelsel zoals bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. De Afdeling wijst er hierbij op dat de opsomming onder artikel 10.3, onder c, van de planregels, geen limitatieve opsomming is. Het bestemmingsplan is op dit punt vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. De Afdeling zal daarom artikel 10.3 van de planregels vernietigen. De Afdeling komt daarom niet meer toe aan het betoog van [appellant sub 1] dat de aarden wal zal leiden tot meer geluidsoverlast bij haar woning.
Het betoog slaagt.
Mogen de lichtmasten 8 meter hoog worden?
11. [appellant sub 2] betoogt dat het bestemmingsplan ten onrechte toestaat dat er lichtmasten van 8 m hoog gebouwd mogen worden. Dit kan leiden tot lichthinder, maar deze gevolgen zijn niet onderzocht. In het bestemmingsplan hadden lichthinderbeperkende maatregelen en minimale afstanden tot de perceelsgrens opgenomen moeten worden.
11.1. Artikel 4.2 van de planregels luidt:
"Voor het bouwen gelden de volgende regels:
(…)
b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 meter, met uitzondering van lichtmasten waarvan de bouwhoogte ten hoogste 8 meter bedraagt."
11.2. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat hij met deze planregel heeft aangesloten bij de regels voor de bestemming "Groen" in het bestemmingsplan "Kern Standdaarbuiten", maar dat lichtmasten van 8 m hoog op deze locatie niet noodzakelijk zijn. Lichtmasten van 6 m hoog, zoals zijn toegestaan op de gronden met de bedrijfsbestemming, zijn volgens de raad ook goed. De raad heeft zich hiermee op een ander standpunt gesteld dan in het bestreden besluit. Het is niet gebleken dat er omstandigheden gewijzigd zijn die dit rechtvaardigen. Het bestemmingsplan is daarom op dit punt onzorgvuldig voorbereid en moet op dit punt vernietigd worden. De Afdeling zal op dit punt zelf in de zaak voorzien en deze planregel aanpassen, zodat lichtmasten maximaal 6 m hoog mogen zijn.
Het betoog slaagt.
Conclusie
12. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond.
13. Het besluit van 3 november 2022 moet worden vernietigd voor zover in artikel 4.2, onder b, van de planregels is bepaald dat de bouwhoogte van lichtmasten ten hoogste 8 meter bedraagt. De Afdeling zal zelf voorziend bepalen dat de bouwhoogte van lichtmasten op gronden met de bestemming "Groen" ten hoogste 6 meter bedraagt. Het besluit moet ook worden vernietigd voor zover artikel 10.3 is opgenomen in de planregels.
De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
14. De raad moet de proceskosten van [appellant sub 2] vergoeden. De raad hoeft de proceskosten van [appellant sub 1] niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;
II. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gegrond;
III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Moerdijk van 3 november 2022 waarbij het bestemmingsplan "[locatie 1] Standdaarbuiten" is vastgesteld, voor zover daarbij in artikel 4.2, onder b, van de planregels is bepaald dat de bouwhoogte van lichtmasten ten hoogste 8 meter bedraagt en voor zover het artikel 10.3 van de planregels betreft;
IV. bepaalt dat artikel 4.2, onder b, van de regels van het bestemmingsplan "[locatie 1] Standdaarbuiten" als volgt komt te luiden: "de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 meter, met uitzondering van lichtmasten waarvan de bouwhoogte ten hoogste 6 meter bedraagt."
V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VI. draagt de raad van de gemeente Moerdijk op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III, IV en V worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
VII. veroordeelt de raad van de gemeente Moerdijk tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de raad van de gemeente Moerdijk aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van C.M. Schellingerhout, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schellingerhout
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
980