202403453/1/R3.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante] h.o.d.n. [bedrijf], gevestigd en wonend in [plaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante]),
appellanten,
en
de raad van de gemeente Gouda,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Westergouwe WG-III.B" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
Bij besluit van 21 mei 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Westergouwe WG-III.B" gewijzigd vastgesteld (hierna: het herstelbesluit).
[appellante] heeft een zienswijze over het herstelbesluit naar voren gebracht.
De raad heeft nadere stukken ingediend.
[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.J.M. Peters en mr. D.C.E. de Haas, beiden advocaat te Utrecht, en de raad, vertegenwoordigd door mr. V.A.C. de Gier, advocaat te Rotterdam, en ing. M. van Tol, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. A. Durmus, advocaat te Den Haag, als partij gehoord.
Zoals op zitting is afgesproken heeft [appellante] daartoe in de gelegenheid gesteld een nader stuk ingediend. Vervolgens hebben de raad en [partij] ook nadere stukken ingediend.
Partijen hebben de Afdeling desgevraagd toestemming gegeven om af te zien van een nader onderzoek op zitting. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 16 november 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plangebied bestaat uit twee delen gesitueerd ten zuidwesten van het stadscentrum Gouda en ten noorden van de kern Moordrecht. Het noordelijke plandeel wordt aan de noord- en westzijde begrensd door provinciale wegen, te weten de N207 en de N457.
Het plangebied maakt onderdeel uit van de nieuwbouwwijk Westergouwe. De stedenbouwkundige opzet van Westergouwe gaat uit van ongeveer 4.400 woningen. Het bestreden plan maakt maximaal 458 woningen mogelijk. Voor de gehele voorziene woonwijk (inclusief het plangebied van het bestreden plan) is in 2008 al het bestemmingsplan "Westergouwe" vastgesteld. Vanwege een noodzakelijke wijziging in de stedenbouwkundige opzet van de voorziene wijk en de ligging van de infrastructuur binnen de voorziene wijk die daar het gevolg van was, zijn er nieuwe bestemmingsplannen vastgesteld per deelgebied. Het bestreden plan is daar één van en ziet op fase 3b.
3. [appellante] exploiteert een melkveehouderij en een zorgboerderij aan de [locatie] te Moordrecht en heeft onder meer percelen in gebruik naast het plangebied van het bestreden plan, te weten de percelen kadastraal bekend gemeente Moordrecht, Sectie D, nummers 3201 en 3337. De percelen zijn eigendom van [persoon]. Hij is tevens vennoot van [appellante]. Het beroep richt zich tegen het noordelijke deel van het plangebied.
4. De initiatiefnemers van de voorziene ontwikkeling zijn [partij] en haar gezamenlijk vennoten Heijmans Vastgoed B.V., VolkerWessels Vastgoed B.V. en VW Westergouwe B.V.
Betekenis van het herstelplan
5. Met het besluit van 21 mei 2025 is het bestemmingsplan "Westergouwe WG-III.B" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld. Daarom is met dit besluit het besluit van 10 april 2024, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Westergouwe WG-III.B", vervangen als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Aangezien dit besluit niet geheel aan het beroep van [appellante] tegemoetkomt, heeft het beroep van rechtswege ook betrekking op dit herstelbesluit.
De Afdeling zal bij de bespreking van de beroepsgronden eerst uitgaan van het bestemmingsplan zoals dat is gewijzigd bij het herstelbesluit.
Toetsingskader
6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Ingetrokken beroepsgrond
7. Bij brief van 29 juli 2025 heeft [appellante] zijn beroepsgrond over de gevolgen van de geluidsemissie van zijn bedrijf op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen ingetrokken. Ook heeft [appellante] zijn beroepsgrond ingetrokken over de formulering van de voorwaardelijke verplichting in artikel 6.2.6 van de planregels.
Geurhinder
8. [appellante] voert in zijn beroepschrift aan dat niet is onderzocht wat de geurbelasting is ter plaatse van het plangebied en of de geurbelasting aanvaardbaar is. Zo wijst [appellante] erop dat de enkelbestemming "Wonen" wel mogelijk wordt gemaakt binnen de richtafstand voor geur uit de VNG-brochure van 100 m van zijn bedrijf.
Verder voert [appellante] aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn uitbreidingsmogelijkheden en vreest hij daarin te worden beperkt door het plan. Hij wijst in dat kader naar zijn vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en het Omgevingsplan. Zo kan hij op grond van zijn vergunning nog 2,5% meer melkkoeien houden, en daarbij zijn bouwvlak 100% bebouwen met nieuwe stallen en extra mestruimteopslag, waardoor hij dus meer geur mag uitstoten.
8.1. De raad heeft in zijn verweerschrift gereageerd. De raad geeft aan dat hij niet heeft beoogd om binnen de afstand van 100 m woningen mogelijk te maken en heeft ter verzekering daarvan het herstelbesluit genomen.
8.2. In het herstelbesluit van 21 mei 2025 heeft de raad het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Met dit besluit heeft de raad de functieaanduiding "specifieke vorm van wonen - geurcontour" toegevoegd aan de verbeelding ter plaatse van de woonbestemming in het noordwestelijke deel van het plangebied. Daarnaast is in artikel 6.2.1 de volgende regeling opgenomen: "Op de in lid 6.1 bedoelde gronden zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - geurcontour' geen gebouwen toegestaan, uitgezonderd gebouwen voor nutsvoorzieningen."
8.3. [appellante] voert aan dat het herstelbesluit nog steeds leidt tot beperkingen in zijn bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden en dat er geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonfuncties. Zo ziet artikel 6.2.1 van de planregels ten onrechte enkel op gebouwen en niet op alle gevoelige bestemmingen, zoals tuinen. De raad heeft onvoldoende onderzocht en deugdelijk gemotiveerd waarom niet een afstand van 100 m tussen zijn bedrijf en de gevoelige functie "tuinen" is gehanteerd. In dit kader wijst [appellante] erop dat hij in de lente- en zomermaanden de percelen bemest, mest mixt, de mesttank onder vacuüm volzuigt en de vaste mest wordt omgezet vanaf de mestplaat achter de veestal. Dit zijn jaarlijks terugkerende werkzaamheden die in het voorjaar en (na)zomer plaatsvinden.
8.4. Op de zitting heeft [appellante] desgevraagd toegelicht dat zijn betoog ziet op de vraag of er een goed woon- en leefklimaat is ter plaatse van de tuinen van de voorziene woningen. De door de raad in het herstelbesluit toegevoegde functieaanduiding "specifieke vorm van wonen -geurcontour" valt voor een deel op gronden waaraan de bestemming "Wonen" is toegekend, een deel op gronden waaraan de bestemming "Wonen" en de bouwaanduiding "gestapeld" is toegekend en deels op gronden waaraan de bestemming "Wonen" en de functieaanduiding "verkeer" is toegekend. In dit kader wijst hij erop dat op grond van artikel 6.1, aanhef en lid b, van de planregels de gronden waaraan de woonbestemming is toegekend zijn bestemd voor tuinen en erven. Ook wijst hij erop dat op grond van artikel 6.4.1 van de planregels het college van burgemeester en wethouders bij omgevingsvergunning kunnen afwijken en bepalen dat de gronden waaraan de functieaanduiding "verkeer" is toegekend ook kunnen worden gebruikt voor wonen, tuinen en erven, mits de gronden zijn gelegen binnen een afstand van 5 m van de aanduidingsgrens "verkeer" en de bodem geschikt is of geschikt gemaakt wordt voor een gebruik ten behoeve van wonen, tuinen en/of erven.
8.5. Op 24 oktober 1993 is door het bedrijf van [appellante] een melding gedaan in het kader van het Besluit melkrundveehouderijen Hinderwet. Op grond van deze melding mag het bedrijf 100 melkkoeien houden. Bij besluit van 18 november 2014 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan het bedrijf van [appellante] een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend voor de exploitatie van een melkveebedrijf met 200 melkkoeien en 132 stuks vrouwelijk jongvee en het verlengen van de bestaande ligboxenstal aan de Provincialeweg 5 te Moordrecht.
8.6. In zijn verweerschrift stelt de raad dat voor de geurcontour een afstand van 100 m is aangehouden op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op grond van artikel 3:117 van het Activiteitenbesluit is er voor melkvee in dit geval sprake van een afstandsnorm van 100 m tussen een emissiepunt van het dierenverblijf en een geurgevoelig object.
8.7. De definitie van een geurgevoelig object op grond van artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer luidt: "geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij."
In artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: "gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt […]".
8.8. De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen het bedrijf van [appellante] en de dichtstbijzijnde gronden binnen het plangebied waarop een tuin kan worden aangelegd ongeveer 70 m is. De Afdeling stelt vast dat gelet op de definities zoals omgeschreven onder 8.7 een tuin niet een geurgevoelig object is in de zin van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zodat de afstandsnorm van 100 m hier niet geldt. Wel moet de raad zich er rekenschap van geven of in het kader van een goede ruimtelijke ordening hier wel in een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden voorzien.
Naar de raad heeft toegelicht, heeft hij aan het belang van woningbouw een doorslaggevend gewicht toegekend en daarbij in aanmerking genomen dat (ook) in de tuin(en) die het dichtst bij de veehouderij zijn gesitueerd de geurbelasting niet zodanig zal zijn dat daar niet een aanvaardbaar verblijfsklimaat gerealiseerd kan worden. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt heeft kunnen stellen.
8.9. Voor zover [appellante] wijst op zijn uitbreidingsmogelijkheden maakt dit het oordeel niet anders. Zo stelt de raad dat de op de verbeelding opgenomen geurcontour is bepaald vanaf de grens van het bouwvlak en niet, zoals bij de beoordeling van milieuvergunningen, vanaf het emissiepunt van de inrichting. Daarmee wordt een grotere afstand aangehouden ten opzichte van de voorziene woningen dan uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voortvloeit. De Afdeling stelt vast dat aan een deel van de gronden van het perceel van [appellante] een bouwvlak is toegekend. Op grond van het planologische regime is het mogelijk om binnen het bouwvlak een zorgboerderij te realiseren en mogen gebouwen uitsluitend binnen de aangegeven bouwvlakken worden bebouwd. Voor zover [appellante] aangeeft dat hij binnen het bouwvlak wil uitbreiden, overweegt de Afdeling dat de raad juist door bij de geurcontour uit te gaan van de grens van het bouwvlak rekening heeft gehouden met deze uitbreidingsmogelijkheden.
8.10. Het betoog slaagt niet.
Verkeer
9. Het noordelijke plandeel wordt aan de noord- en westzijde begrensd door provinciale wegen, te weten de N207 en de N457. Het plangebied wordt uiteindelijk via de hoofdontsluitingsweg Burgemeester van Dijkesingel ontsloten op de N207, ter hoogte van de Eurotonde. Een klein deel van de Burgemeester van Dijkesingel maakt onderdeel uit van het plangebied.
10. [appellante] voert aan dat er geen sprake is van een goede verkeersafwikkeling als gevolg van het herstelbesluit met gevolgen voor de bereikbaarheid van zijn veehouderij en zorgboerderij.
Het bestreden plan voorziet niet in nieuwe ontsluitingswegen of andere verkeersverbeterende maatregelen, terwijl dit gezien de huidige verkeerssituatie ter plaatse wel nodig is uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aldus [appellante]. [appellante] ervaart nu al dat de huidige wegen de bestaande verkeersdrukte niet aan kunnen. De plantoelichting vermeldt dat er verschillende verkeersmaatregelen zullen worden genomen, zoals het aanleggen van twee aansluitpunten en het omvormen van de bestaande "Weegje-rotonde" naar een kruispunt met verkeerslichten, maar deze maatregelen zijn ten onrechte niet in het plan geborgd. De raad verwijst ten onrechte naar een overeenkomst met de provincie Zuid-Holland en de gemeente Zuidplas. De inhoud van deze overeenkomst is namelijk niet inzichtelijk en daarnaast zijn niet alle betrokken eigenaars van het bewuste stuk weg hierbij betrokken, omdat het Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard ontbreekt. Bovendien is een overeenkomst voor hem niet afdwingbaar.
Daarnaast wijst [appellante] erop dat de wens om de N457 te verbreden tot een vierbaansweg feitelijk niet mogelijk is, omdat daar geen ruimte voor is. Hiervoor zou namelijk grond van [appellante] nodig zijn, maar hij wil deze grond niet verkopen.
10.1. De raad stelt in zijn verweerschrift dat het bestreden plan een voortzetting is van het eerder onherroepelijke plan uit 2008. De gevolgen van de woningaantallen voor de verkeersafwikkeling zijn destijds al uitgebreid afgewogen en beoordeeld. Uitkomst daarvan was dat de bestaande infrastructuur afdoende is voor de verkeersafwikkeling vanwege deze nieuwe woonwijk. Nu er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de situatie in 2008 kan deze beroepsgrond niet slagen, aldus de raad.
Daarnaast stelt de raad in zijn verweerschrift dat de provincie voornemens is om bij toekomstige verdere toename van de verkeersintensiteiten op termijn de infrastructuur aan te passen, zoals ook is benoemd in de toelichting van het bestemmingsplan. Deze aanpassingen zijn evenwel niet noodzakelijk voor de verkeersafwikkeling van de planologisch al mogelijk gemaakte woningen in Westergouwe, waarover al in 2008 is beslist en waarvan de deelplannen nu in de uitvoeringsfase zijn beland.
10.2. In paragraaf 2.4.2 van de plantoelichting staat: "Het plangebied van Westergouwe fase 3 wordt, via de hoofdontsluitingsweg (Burgemeester van Dijkesingel), ontsloten op de N207, ter hoogte van de Eurotonde. De Burgemeester van Dijkesingel wordt tevens aangetakt op de N457. Deze twee aansluitpunten én de bestaande 'Weegje-rotonde' op de kruising van N457 en N207 worden aangelegd/omgevormd naar kruispunten met verkeerslichten, waarmee de doorstroming wordt bevorderd. De voorbereidingen hiervoor zijn in volle gang."
10.3. Op de zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat het door [partij] ingebrachte verkeersrapport van Goudappel van 4 augustus 2025 zijn standpunt onderstreept, namelijk dat er wat betreft het aspect verkeer sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De raad maakt daarbij ook het verkeersrapport tot de zijne.
10.4. Daartoe in de gelegenheid gesteld voert [appellante] aan dat de raad zich niet had mogen baseren op het verkeersrapport van Goudappel van 4 augustus 2025 voor het standpunt dat er met betrekking tot het aspect verkeer sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Zij verwijst hiervoor naar het tegenrapport van Rho adviseurs van 7 oktober 2025.
Zo wijst [appellante] er kort samengevat op dat Goudappel in het verkeersrapport ten onrechte uitgaat van een standaard verkeersmodel, terwijl het plangebied een klein gebied is met bijzondere omstandigheden, namelijk een sterk overbelast netwerk. Een berekening met de CROW kencijfers had tot een significant andere uitkomst geleid. In dit kader wijst [appellante] erop dat het in de reden ligt dat de voorziene woningen relatief meer verkeersbewegingen genereren, omdat zij relatief ver zijn gelegen van het centrum van Gouda.
Ook wijst [appellante] erop dat de wachttijden voor de bestaande "Weegje-rotonde" en de Eurotonde exponentieel zullen toenemen. De verkeerssituatie rondom het plangebied is nu al zwaar belast en de wachttijden zullen daarom alleen nog maar toenemen.
10.5. Naar aanleiding van de nadere reactie van [appellante] heeft de raad gevraagd aan Goudappel om opnieuw de verkeersgeneratie te beoordelen. In het verkeersrapport van 11 november 2025 reageert Goudappel op het tegenrapport van Rho adviseurs.
- Verkeersmodel
10.6. In paragraaf 3.1 van het verkeersrapport van Goudappel van 11 november 2025 staat dat voor de berekening van de verkeersgeneratie gebruik is gemaakt van het regionale verkeersmodel Midden-Holland, versie 5.0. Dit model is in de zomer van 2025 opgeleverd. Het basisjaar 2024 van het verkeersmodel is voor meerdere wegvakken op de N207 en N457 gekalibreerd op basis van verkeerstellingen. De berekende intensiteiten in het model benaderen de getelde intensiteiten dermate goed, dat volgens de gebruikelijke kwaliteitscriteria voor verkeersmodellen gesteld kan worden dat het model betrouwbaar is. Een verkeersmodel berekent de verwachte verkeersgeneratie op basis van de lokale context, zoals waar voorzieningen en werklocaties zijn gelegen, en hoe de bereikbaarheid van die specifieke plek is per auto, openbaar vervoer en fiets. Een verkeersmodel kan dan ook betere en nauwkeuriger inschattingen maken van de mobiliteitseffecten, dan generieke landelijke CROW-kencijfers die geen rekening houden met de lokale context.
10.7. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verkeersintensiteiten die voortvloeien uit het verkeersmodel zozeer afwijken van de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid dat om die reden geen gebruik van het verkeersmodel mocht worden gemaakt. De Afdeling ziet gelet op wat er is aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat er geen gebruik van het verkeersmodel mocht worden gemaakt.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
- Verkeersintensiteiten
10.8. In paragraaf 4 van het verkeersrapport van 11 november 2025 concludeert Goudappel dat de eerdere conclusies van haar onderzoek van 4 augustus 2025 niet wijzigen naar aanleiding van het tegenrapport van Rho adviseurs. Dit betekent dat de verkeerstoenames als gevolg van het bestemmingsplan beperkt van aard zijn, deze effecten opgevangen kunnen worden op het huidige wegennet en daarbij geen sprake is van een significante toename van verkeersonveiligheid of sprake is van een onaanvaardbare hinder. Weliswaar leidt het plan tot extra verkeer en vertraging op de N207 en N457, maar deze extra vertraging zorgt niet voor onacceptabele effecten voor de bereikbaarheid, veiligheid of leefbaarheid. Wel neemt de wachtrijvorming en vertraging op het wegennet in de spitsperiode iets toe. De extra reistijd op de N207 en N457 is beperkt tot een halve minuut in de ochtendspits en maximaal 1,5 à 3 minuten in de avondspits. In de ochtendspits kan er een wachtrij optreden op de Burgemeester van Dijkesingel, omdat verkeer vanuit de wijk door drukte op de N207 moeite heeft om bij de Eurotonde in te voegen. De berekeningen zijn waarschijnlijk een worst-case situatie omdat in de praktijk bij drukte men iets krappere tussenruimtes in de verkeersstroom accepteert om de rotonde op te rijden, en doordat bij langzaam rijdend verkeer op de rotonde sommige weggebruikers anderen voor laten gaan terwijl ze feitelijk geen voorrang hebben, waardoor automobilisten vanuit Westergouwe toch eerder kunnen invoegen en wachtrijen minder ver oplopen. Verder wordt in het verkeersrapport van Goudappel van 11 november 2025 geconcludeerd dat ondanks de extra reistijd op de N207 en N457 Gouda bereikbaar blijft. De extra reistijd is beperkt. Weggebruikers kunnen overigens ook hun gedrag aanpassen: ze kunnen eerder of later weg om de piekdrukte te vermijden, ze kunnen een andere bestemming of route kiezen, ze kunnen een andere vervoerwijze kiezen, of de extra reistijd accepteren.
10.9. De raad stelt zich gelet op het vorenstaande op het standpunt dat met de verkeersrapporten van Goudappel van 4 augustus 2025 en 11 november 2025 is aangetoond dat zonder verkeersmaatregelen het huidige verkeersnetwerk de voorziene ontwikkeling aan kan. Ook stelt de raad zich op het standpunt dat hij zich beseft dat er door het bestemmingsplan sprake is van een beperkte extra reistijd van 0,5 tot 3 minuten in de spits op de N207 en N457 en dat dit als vervelend kan worden ervaren door [appellante]. Echter weegt de raad het belang van de realisatie van 458 woningen zwaarder dan de beperkte extra reistijd in de spits, gelet op de grote en urgente behoefte aan nieuwe woningen.
10.10. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de inhoud en de conclusies van de verkeersrapporten van Goudappel van 4 augustus 2025 en 11 november 2025 te twijfelen. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van een aanvaardbare verkeersafwikkeling van de voorziene ontwikkeling buiten het plangebied.
10.11. Het betoog slaagt niet.
Conclusie beroep tegen het herstelplan
11. Gelet op het vorenstaande is het beroep tegen het herstelplan ongegrond.
De beroepen tegen het plan
12. Zoals onder 5 overwogen vervangt het herstelplan het plan van 10 april 2024. Omdat het beroep tegen het herstelplan ongegrond is en dit herstelplan het plan van 10 april 2024 vervangt, leidt dit ertoe dat het plan van 10 april 2024 geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellante] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke bespreking van zijn beroep tegen het plan van 10 april 2024. In verband hiermee is het beroep van [appellante] tegen het plan van 10 april 2024 niet-ontvankelijk.
Proceskosten
13. De Afdeling stelt vast dat de raad in zijn verweerschrift heeft erkend dat hij in het herstelplan naar aanleiding van het ingediende beroep van [appellante] wijzigingen heeft doorgevoerd waarmee is beoogd om deels aan dat beroep tegemoet te komen. Onder omstandigheden kan dit aanleiding geven om de raad te veroordelen tot vergoeding van de bij [appellante] opgekomen proceskosten. Dat is hier ook aan de orde.
14. Daarbij merkt de Afdeling op dat zij anders dan is verzocht in het door [appellante] overgelegde proceskostenformulier, geen aanleiding ziet om voor [appellante] een vergoeding toe te kennen voor reiskosten voor meer dan één persoon, omdat zij één beroepschrift heeft ingediend.
Ook wijst de Afdeling erop dat anders dan is verzocht in het door [appellante] overgelegde proceskostenformulier, kosten van rechtsbijstand niet kunnen worden aangemerkt als deskundigenkosten. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:599, onder 5.1.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Gouda van 10 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Westergouwe WG-III.B" niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Gouda van 21 mei 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Westergouwe WG-III.B" ongegrond;
III. veroordeelt de raad van de gemeente Gouda tot vergoeding van bij [appellante] h.o.d.n. [bedrijf] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 7.256,97, waarvan € 1.868,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en waarvan € 5.367,56 kosten van een deskundige betreft, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IV. gelast dat de raad van de gemeente Gouda aan [appellante] h.o.d.n. [bedrijf] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 371,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Ewijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
867